Bedankt voor alle reacties op de vorige blogpost. Mooi dat Het ultieme recept op deze manier nieuwe lezers krijgt!
Er waren genoeg exemplaren voor iedereen die zich meldde. Degenen die ik het boek per post ga toesturen, hebben intussen allemaal een mailtje van me gehad met het verzoek me hun adres te laten weten. Ik probeer de boeken nog vóór het weekeinde op de post te doen.
En nu ga ik nog even met een glas buiten zitten niksen. Lekker .
Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Uitgeverij De Bezige Bij: de door mij vertaalde roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren, verschenen in 2005, werd nauwelijks meer verkocht. Daarom had de uitgeverij besloten de oplage voor het grootste deel te vernietigen. U leest het goed: vernietigen.
Waarschijnlijk hadden ramsjboekhandels er geen belangstelling voor of wilden die geld toe hebben, en vond de uitgeverij het onnodig om voor de opslag van de boeken te blijven betalen of om er wat marketing aan te besteden.
Hetzelfde is al eens eerder gebeurd met een vertaling van mij (Het ware leven, door Göran Tunström), bij dezelfde uitgeverij, dus ik was niet compleet overrompeld door de mededeling. Toch komt zoiets hard aan.
Het rare is dat zowel Lindgren als Tunström schrijvers uit de top van de Zweedse literatuur zijn en ik bezweer u dat ook de vertalingen goed zijn. Maar ja, het gaat hier niet om spannende Scandinavische misdaadromans – die gaan immers als warme broodjes over de toonbank. Torgny Lindgren is echter wel mijn favoriete moderne Zweedse schrijver. Ik vind zijn boeken geweldig.
Hoe dan ook, de uitgeverij bood aan me 50 exemplaren van Het ultieme recept gratis toe te zenden. Die zijn dus van de vernietiging gered! Ik heb er al een aantal uitgedeeld, maar heb er nog aardig wat over. Wie er één wil hebben, kan een reactie onder dit bericht zetten. Ikzelf vind de boeken van Torgny Lindgren zo goed, dat ik de portokosten er graag voor over heb om Het ultieme recept naar liefhebbers op te sturen. Maar om het niet te gek te maken zal ik niet meer dan 10 boeken in totaal per post versturen, dus bij grote belangstelling wordt het een loterij.
Eventueel (maar dan moet ik je wel een beetje kennen, in real life of via het internet) mag je het boek ook bij mij thuis afhalen.
Wordt binnenkort vervolgd.
Klik hier voor een recensie van Het ultieme recept.
Klik hier voor informatie over schrijver Torgny Lindgren.
Eerdere Kophiepsberichten waarin Torgny Lindgren ter sprake is gekomen staan hier.
***Reageer vóór woensdag 21 juli, 10 uur vm. Daarna bekijk ik of er geloot moet worden.***
Ja ja, ik weet het, ik moet nog steeds een slot breien aan mijn serie “Kettinglezen” (voor eerdere afl. klik op: 1, 2, 3, en 4). Ik las literatuur (fictie) over de maatschappelijke situatie van de vrouw rond 1900, met het accent op de normen voor liefde & seks die in die tijd voor vrouwen golden. Daaronder twee romans van Carry van Bruggen: Een coquette vrouw uit 1915 en Eva uit 1927. Dat leek me een terechte keus, want die boeken gaan allebei over een vrouw die zich min of meer ingeperkt voelt door de seksuele normen van haar tijd. Volgens die normen waren seksuele gevoelens en ervaringen taboe voor vrouwen. Behalve binnen het huwelijk. Maar over seks binnen het huwelijk sprak men niet, behalve misschien met de dokter. Over seks voor of buiten het huwelijk praatte men al helemáál niet. En homoseksuele gevoelens waren absoluut onbespreekbaar. Is dat iets nieuws? Natuurlijk niet. De normen waar het hier om gaat golden voor veel Nederlanders (ook voor mij) tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw en vaak nog wel langer. Dat er in het eerste kwart van de twintigste eeuw in Nederlandse romans niet heel expliciet over seks kon worden geschreven, was te verwachten. Met de kwaliteit van literatuur heeft dat niets te maken.
Maar: ik kan er maar niet toe komen de twee romans van Van Bruggen positief te bespreken. Dat komt zo: ik vond ze bijna niet om door te komen! Vooral Eva viel me zwaar! Ik hou blijkbaar niet van Carry van Bruggen! Terwijl ze toch zo’n interessante visie had, en zo mooi was, en zo depressief, en terwijl ze zo tragisch gestorven is! (Voor info over CvB, klik hier.) Maar haar stijl ligt me niet.
Carry van Bruggen was een kampioen in het gebruik van … de drie stippeltjes. In een ander boek van haar, Het huisje aan de sloot, kon ik dat nog wel verdragen. Dat zijn jeugdherinneringen, en daar past een enigszins naïeve stijl wel bij. Door die drie stippeltjes verspreid over vrijwel alle pagina’s krijgt de tekst voor mij een onherstelbaar naïeve en meewarige toon, misschien doordat ik in mijn jeugd te veel kinderboeken van W.G. van de Hulst heb gelezen. In Eva kon ik ze op een gegeven moment niet meer zíén! Ze maakten van het boek bijna een louter emotioneel verslag. Geef mij wat meer ratio. Toch zie ik, langs die stippeltjes heen, soms ook het mooie van Carry van Bruggens manier van zien, voelen en schrijven. Maar een heel boek achter elkaar wordt me teveel.
Enfin, het zij zo. Misschien probeer ik ooit… ooit… nog eens een ander boek van CvB.
(Een fragment uit Eva):
Mag ik het nu zeggen… mag ik nu lieveling zeggen? Je moogt het niet zeggen: het is te zoet en te groot… je zou sidderen moeten, je siddert niet… je deed dat wel in sommige nachten, als je het fluisterde naar een man, die je niet kent. Het woord vloog uit… zó vloog uit Noachs ark de duif de wateren over… en vond geen rust voor zijn voet… en keerde niet weer… Najaar was het, je liep naar huis. Nu ga ik trouwen. Nu zullen er geen geheimen meer zijn. Ik ga trouwen en ik krijg een kind. Ik krijg het… van Ben… Ik wil het heel graag hebben. Daaraan alleen behoor je te denken… daaraan is het andere, zijn de geheimen, verbonden. Johannes Viator, Perks ‘Mathilde’. Hoe ik somtijds kan verlangen, naar wat mag en moet geschiên Om – laat mij u nogmaals kussen – in mijn kinderen u te zien. Neen. Niet mooi. Pijnlijk, om licht van te rillen… ‘U’. ‘Mag en moet geschieên.’ Niet mooi, niet lief… niet zoet…
In Keep The Aspidistra Flying uit 1936 van George Orwell weigert de hoofdpersoon, de jonge dichter Gordon Comstock, mee te doen aan de ratrace van de geldeconomie. Het gevolg – een chronisch geldtekort – gaat op bitter-komische manier zijn hele gedachtenleven beheersen en dat verpest de relatie met zijn geliefde Rosemary en zijn vriend Ravelston.
Het hele boek lang blijft het spannend of Gordon in zijn non-conformisme en armoede zal volharden. Ik vond het een heel leuk verhaal, alleen al vanwege het baantje dat Gordon heeft; het enige baantje dat niet in strijd is met zijn principes: hij werkt in een kleine boekhandel annex leesbibliotheek. De types die in de zaak komen! En de manier waarop Orwell ze beschrijft!
Leesbibliotheken. Wie kent ze nog uit eigen herinnering? Ik heb het idee dat ik vroeger weleens in zo’n zaakje ben geweest. Maar het is niet meer dan een vage herinnering. Bijgaand een plaatje van zo’n ouderwets boekwinkeltje/bibliotheekje, in Amsterdam op de Lange Niezel.
 via www.prentbriefkaarten.info
En wisten jullie dat De Bijenkorf vroeger een leesbibliotheek had? Op de website Boekenmuseum vind je er informatie over (in de rubriek “Reclame”).
Een interessant verhaal staat op de website Gebr. E. & M. Cohen. Tabakshandelaar Ezechiël Godert Cohen verloor tijdens de Franse bezetting bijna al zijn bezit en liet bij zijn dood in 1813 zijn vrouw en kinderen berooid achter. Zijn zoon Godert ging werken bij een boekhandel om de kost voor het gezin te helpen verdienen. In 1824 besloten Godert en zijn moeder om tegen betaling boeken te gaan uitlenen uit de grote boekenverzameling die hun vader/echtgenoot had achtergelaten. De vakkennis die Govert in de boekhandel had opgedaan, kwam hem daarbij goed van pas. Godert bouwde zijn leesbibliotheek uit en opende op 6 Maart 1827 een commerciële leesbibliotheek aan de Ganzenheuvel in Nijmegen. Voor die tijd was het met 800 werken een omvangrijke bibliotheek. Men kon een gedrukte catalogus kopen voor 10 ct. Op de genoemde website staat: “Uit deze leesbibliotheek is, voor zover bekend, nog maar één exemplaar overgebleven, Victor Hugo’s Bug-Jargal uit 1835 met voorin nog het etiket van de leesbibliotheek met het boeknummer.” Het ging goed met het bedrijf; in 1836 was de collectie uitgebreid tot 3562 werken en in 1841 tot 5483 werken. Goderts zonen zetten de zaak voort. Het doel van hun bedrijf was intussen geworden “het houden van een magazijn van goedkoope boeken, het uitoefenen van den boekhandel, het koopen en verkoopen van fondsartikelen, restant-oplagen enz.”
In 1878 richtten de broers samen een uitgeverij op, Gebr. E. & M. Cohen. Die is tot 1941 blijven bestaan; in de tweede wereldoorlog werd het bedrijf lamgelegd. Na 1945 is de uitgeverij door een nichtje voortgezet, maar onder andere namen en ook algauw met andere firmanten.
 De achterkleinzoon van een van de gebroeders Cohen heeft de website opgericht om de geschiedenis van de uitgeverij te vertellen. Ook verzamelt hij uitgaven van het bedrijf. Dat zijn er heel wat geweest. Er staat een aantal mooie afbeeldingen van covers op de site (links twee voorbeelden). De uitgeverij was o.a. bekend om haar uitgaven van Walter Scott, Dickens, Harriet Beecher-Stowe, Charles Darwin, Émile Zola en andere klassieken in vertaling. Ik heb even in de boekenkasten hier thuis gespeurd, maar helaas nog zonder resultaat.
—
Van Keep the aspidistra flying is in 1973 een goede Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Else Hoog. Nederlandse titel: Houd de sanseferia hoog. Tweedehands nog wel verkrijgbaar.
De hoofdpersoon in Orwells roman vindt de Aspidistra het absolute toppunt van verachtelijke burgerlijkheid. De keuze van de vertaalster om aspidistra te vertalen met sanseferia (sansevieria) vind ik een hele goede. De sanseferia is al minstens een halve eeuw een geweldig populaire kamerplant in Nederland en België. Ik kan me nog goed een filmpje van Van Kooten & De Bie herinneren, waarin deze heren op zoek gingen naar aanhangers van het Simplisties Verbond. Ze hadden vooraf laten weten dat mensen die sympathiseerden een sansevieria in hun vensterbank moesten zetten. En ja hoor, de camera passeerde het ene pand na het andere met sansevieria’s achter de ramen. Ik moet nog altijd aan dat filmpje denken wanneer ik ergens een sansevieria zie staan .
Na lezing van de biografie van Maria von Platen (zie log van 2 april jl.) wilde ik meer lezen over de positie van de vrouw rond 1900. Ik pakte de Zweedse roman Pennskaftet door Elin Wägner, die al een hele poos ongelezen in mijn boekenkast stond. Het bleek een bijzonder boek.
 Elin Wägner (1882-1949)
Elin Wägner (1882-1949) was schrijfster, journaliste, feministe; in haar latere jaren werd ze ook nog pacifiste. Pennskaftet uit 1910 was Elin Wägners derde boek, en haar eerste echte roman. Het is een verhaal over een groepje dames dat met veel idealisme strijdt voor kiesrecht, beter onderwijs, zelfstandigheid en betere werkomstandigheden voor vrouwen. “Pennskaftet” (=penhouder) is de geuzennaam van een van de activistes, een jonge journaliste die ook de jongeman die op een gegeven moment haar geliefde wordt tot feministische inzichten probeert te brengen. Tussen de vrouwen is het niet allemaal pais en vree en elk van hen heeft weleens twijfels en legt haar eigen accenten. Elin Wägner bepleit in het boek tevens een vrijere kijk op liefde en seks. Ik vond het boek goed geschreven, levendig en fris, en “Penhouder” vind ik een hartveroverend personage. Van Wägners werk is jammer genoeg maar heel weinig in het Nederlands vertaald.
In Nederland hadden we rond 1900 natuurlijk ook feministische publicaties. Van dr. Aletta Jacobs bijvoorbeeld. Die schreef trouwens goed! Lees bijvoorbeeld eens haar artikel “Het doel der vrouwenbeweging” in De Gids van 1899. Aletta Jacobs schreef echter geen fictie.
Het volgende boek in mijn leesketting werd Hilda van Suylenburg uit 1897, geschreven door Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk (1866-1944). Dit is zo ongeveer de spraakmakendste Nederlandse roman uit de zgn. eerste feministische golf geweest. De hoofdpersoon Hilda is een meisje van adellijke afkomst dat na de dood van haar ouders bij haar oom en tante in Den Haag gaat wonen. In Den Haag leert ze de feministische vrouwelijke arts Corona van Oven kennen (duidelijk geïnspireerd op Aletta Jacobs lijkt me), en via Corona komt ze in aanraking met meisjes en vrouwen uit allerlei verschillende milieus. Voor een meisje van Hilda’s afkomst ligt een leven van oppervlakkig vermaak en luxe voor de hand, maar Hilda kiest uiteindelijk voor een serieuze studie, rechten. Ze wil als advocate en juriste de positie van vrouwen helpen verbeteren. En passant vindt ze ook nog de man van haar hart. Allerhande casussen (iets te veel naar mijn smaak) van onrecht jegens vrouwen passeren de revue in de roman, en helemaal aan het eind sluipt er zelfs dierenleed in het verhaal, iets dat natuurlijk ook bestreden dient te worden. Dat alles haalt soms de vaart een beetje uit de vertelling. Niettemin heb ik het boek met veel plezier gelezen. Het taalgebruik heeft niets gekunstelds of stoffigs. Waarom zijn boek en schrijfster nooit aan de orde geweest in mijn literatuurlessen op school vroeger? Ik heb er mijn oude Literatuurgeschiedenis – Bloemlezing van Lodewick ook nog op nageslagen, maar titel noch schrijfster zijn daarin te vinden.
Wat kwam ik uit deze twee romans te weten over de situatie van de vrouw rond 1900? Dat de vrouw geen goede rechtspositie had, wist ik natuurlijk wel. Maar in de romans worden allerlei details en gevolgen van de maatschappelijke druk die er werd uitgeoefend op een aansprekende manier aan de orde gesteld. Een baan hebben, zelfs al was het een kantoorbaan, was iets wat afdeed aan de eerbaarheid van de vrouw en wat ook nog eens de positie van de man bedreigde. Het werd dan ook ontmoedigd. Voor arbeidersvrouwen in de fabrieken lag het iets anders. Maar zij konden worden ontslagen, bijvoorbeeld omdat ze zwanger werden of omdat mannen hun werk overnamen of omdat liberalere wetten verboden dat zij werk deden dat gevaarlijk was voor de gezondheid. Dat deze vrouwen door gebrek aan inkomen vervolgens hun kinderen niet meer konden voeden en kleden, werd hun als een schande aangerekend. Dienstmeisjes die zwanger raakten (niet zelden door toedoen van de heer des huizes of diens zoon) werden zonder pardon op straat gezet. Vrouwen uit welgesteldere milieus werden door opvoeding voorbereid op niets anders dan het huwelijk, en als dat er niet van kwam moesten ze maar gaan borduren. Het leven van ongetrouwde vrouwen uit gegoede families kon gruwelijk onbevredigend zijn en leidde soms tot zenuwkwalen. Een huwelijk met een “goede partij” bracht ook niet altijd geluk. Wanneer een meisje trouwde kwam het vermogen dat ze eventueel van thuis meebracht, op naam van haar man te staan. Wanneer de man het geld erdoorheen joeg, kon zijn echtgenote daar niets tegen doen. Bij echtscheiding behield de man de zeggenschap over de kinderen, terwijl de moeder het nakijken had. Wat seks betreft golden voor vrouwen en mannen zowel binnen als buiten het huwelijk verschillende normen.
Zowel in het Zweedse als het Nederlandse boek wordt hartstochtelijk de noodzaak bepleit van een betere rechtspositie voor vrouwen o.a. door vrouwenkiesrecht; het zijn allebei echte tendensromans en daarbij allebei goed en levendig geschreven. Het was boeiend en leerzaam om me eens via romans in het feminisme te verdiepen.
Elin Wägner: Pennskaftet. Stockholm, 1910. 324 blz.
Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk: Hilda van Suylenburg. 1897, herdrukt in 1984. 567 blz. De herdruk is als pdf te downloaden vanaf de dbnl-website; jammer genoeg zijn er nogal wat scanfouten in de pdf-tekst blijven zitten.
Het kettinglezen — van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932) — was hiermee nog niet afgelopen. Wordt vervolgd, dus.
“Voorlezing uit Goethes Werther”
 Wilhelm Amberg (1822-1899), Vorlesung aus Goethes Werther
-o-o-o-o-o-
Hierbij een paar citaten uit Het ernstige spel van Hjalmar Söderberg. Oorspr. Zweedse uitgave 1912, de Nederlandse vertaling verscheen in 2003. Zie ook mijn blogbericht van gisteren.
[Aan het woord is hoofdpersoon Arvid:]
“… Ik heb me nogal in de aard en het wezen van de schrijver verdiept, en ik ben tot de slotsom gekomen dat er in de literatuurgeschiedenis van de hele wereld nauwelijks één voorbeeld te vinden is van een schrijver – een echte, belangrijke schrijver – die zelfmoord heeft gepleegd vanwege een ongelukkige liefde. Schrijvers hebben andere mogelijkheden tot hun beschikking. Ze hebben het vermogen om hun lijden uit te drukken in een gedichtencyclus, een roman of een toneelstuk. Neem nu het geval-Werther. Toen Goethe in zijn jonge jaren een keer in liefdesperikelen verwikkeld was, schreef hij een roman die eindigde met de zelfmoord van de held. Die roman schijnt indertijd een heuse kleine zelfmoordepidemie te hebben veroorzaakt, maar helaas niet onder schrijvers! Ik weet niet wat Goethe zaliger er in die tijd zelf van vond. Waarschijnlijk voelde hij een sterke triomf over het feit dat hij in één klap zoveel mensen die toch niet voor het leven deugden uit de wereld had geholpen! Maar hijzelf leefde rustig door, hij kwam aan het hof en hij werd minister en verschrikkelijk oud en hij had een zalig en fatsoenlijk einde. …”
“Schrijvers,” vervolgde hij, “zijn een speciaal slag mensen, en ik raad je aan op te passen voor die lui! Ze zijn een sterk slag mensen, ook al kiezen ze vaak zwakheid als vermomming. Een schrijver blijft overeind na een klap waar een gewoon mens dood aan zou gaan. Hij voelt de pijn wel maar heeft er geen noemenswaardige last van, integendeel: hij zet zijn pijn om in een literair werk, hij maakt er gebruik van! Kijk maar naar Strindberg. Niet de dingen die hij heeft beleefd zijn de oorzaak van al het zieke, vreselijke en verwarde in zijn werk. Nee, het zieke, vreselijke en verwarde in zijn eigen aard, dát is er de oorzaak van dat hij al die dingen moet ondervinden en meemaken. Maar welk gewoon mens – wie anders dan een groot schrijver – zou er heelhuids vanaf komen als hij al die dingen heeft doorstaan die Strindberg heeft doorstaan! Niet alleen heelhuids, nee, gesterkt! Alle pijn die hij heeft geleden is bruikbaar voor hem geweest – als materiaal, als voedsel, als geneesmiddel! Hij is er bijna door genezen! Ik heb hem onlangs nog zien lopen toen ik op weg was naar de krant. En ik kan me niet herinneren dat ik ooit een man van net zestig heb gezien die er zo sterk en vrolijk uitzag als hij.”
Uit Het ernstige spel, blz. 192-193.
 August Strindberg (1849-1912)
Van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932).
 Hjalmar Söderberg (1869-1941)
 Maria von Platen (1871-1959)
Mijn tweede leesketting heeft als thema: de positie van de vrouw rond 1900. (Lees hier over mijn eerste leesketting.) Dat komt zo. Al vele jaren is de Zweed Hjalmar Söderberg (1869-1941) een favoriete schrijver van me. Hij schrijft zo mooi, en met zoveel verstand en subtiele mensenkennis en betrokkenheid bij de wereld. Daarbij spelen zijn romans en verhalen zich vrijwel allemaal af in mijn lievelingsstad Stockholm. Ik ben er heel trots op dat ik twee romans van Söderberg heb vertaald: Het ernstige spel, verschenen in 2003 en Dokter Glas, verschenen in 2004, allebei bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. (Van Dokter Glas was in de jaren zeventig al eens een vertaling verschenen – maar de mijne is beter ). Söderberg heeft zich bij het schrijven laten inspireren door een vrouw die een aantal jaren zijn grote liefde was. Zij heette Maria von Platen. Ze kwam uit een adellijke Zuid-Zweedse familie en was nog voor haar twintigste uitgehuwelijkt aan een veel oudere man. Maria von Platen was ongelukkig in haar huwelijk en verliet na enkele jaren haar echtgenoot en haar zoontje om zelfstandig in Stockholm te gaan wonen. Ze scheidde niet, ze ging niet werken – voor een jonge vrouw uit haar kringen was het destijds (rond 1900) onfatsoenlijk om een baan te hebben – en voor haar levensonderhoud was ze afhankelijk van haar ouders en andere familie. Breed had ze het in elk geval niet. In Stockholm kreeg Maria een verhouding met de schrijver Söderberg, en later ook nog met anderen uit literair-culturele kringen.
De affaire tussen Hjalmar Söderberg en Maria von Platen was een knipperlichtrelatie. Söderberg was ook getrouwd en had een gezin; zijn vrouw was psychisch labiel en hij vond niet dat hij zich van haar kon losmaken. Soms zagen Hjalmar en Maria elkaar maanden niet. Na herhaaldelijke conflicten, veroorzaakt doordat Maria affaires met andere mannen had, kwam er een einde aan hun verhouding.
Söderberg heeft deze vrouw, die hij diep en bitter had liefgehad, literair gestalte gegeven in verschillende personages van zijn romans en toneelstukken, ook nog toen de relatie met Maria al jaren uit was. Zowel in Dokter Glas als in Het ernstige spel is de vrouwelijke hoofdpersoon getrouwd met een veel oudere man, van wie zij zich wil losmaken. In Dokter Glas wordt de jonge vrouw nogal geïdealiseerd beschreven; in Het ernstige spel krijgt zij veel meer het negatieve stempel van een een mannenverleidster. Ook in de hoofdpersoon van Söderbergs toneelstuk Gertrud uit 1906, dat ook in Nederland nog altijd met enige regelmaat wordt opgevoerd, zijn duidelijke trekken te herkennen van de vrouw die van ongeveer 1900 tot 1906 Söderbergs geliefde en muze is geweest.
Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de manier waarop Söderberg morele kwesties aankaartte, de moraal van de samenleving bekritiseerde, en liet zien dat naar zijn mening mannen en vrouwen een heel verschillende kijk op de liefde/het huwelijk hebben. Neem nou Het ernstige spel. Opvallend in de literatuurkritiek over dat boek (de Zweedse uitgave verscheen in 1912) is dat veel (heren) recensenten de vrouwelijke hoofdpersoon zonder meer als fatale vrouw afserveerden, terwijl ze nauwelijks kritiek hadden op de mannelijke hoofdpersoon. Toch leeft die – hij heet Arvid - wat liefde en huwelijk betreft minstens even immoreel als Lydia; je kunt hem nauwelijks een sympathieke romanheld noemen. Ik ben altijd benieuwd geweest naar het personage Lydia en naar háár kijk op de zaak. Het lastige maar ook interessante is dat door het vertelperspectief van Het ernstige spel Lydia zelf nauwelijks aan bod komt – de lezer wordt meegenomen in de gedachtenwereld van Arvid; het boek is vrijwel geheel geschreven vanuit het perspectief van Arvid. Wie zorgvuldig leest, moet echter tot de conclusie komen dat Arvid een personage is met sterke vooroordelen jegens vrouwen. Ik geloof dat Söderberg door vanuit Arvids perspectief te schrijven de man (indirect) bekritiseert, wat een mildere interpretatie van Lydia mogelijk maakt.
We mogen natuurlijk geen “is-gelijk-teken” zetten tussen de fictieve wereld van de romans en de werkelijkheid van Hjalmar Söderberg en Maria von Platen. De échte Maria, de vrouw achter de romanpersonages, heeft me wel altijd geïntrigeerd; zij leek mij een bijzonder, boeiend mens. Nu kreeg ik een paar maanden geleden een biografie van Maria von Platen in handen, geschreven door Kurt Mälarstedt en uitgegeven in 2006. Die biografie is uitgangspunt geworden van mijn tweede leesketting. Al het bovenstaande is dus eigenlijk alleen maar een inleiding.
Het grappige is nu dat fictie en werkelijkheid voor mij toch een beetje met elkaar vermengd bleken te zijn geraakt. Want de vrouw wier leven in de biografie werd beschreven, stelde me eigenlijk een beetje teleur, terwijl de fictieve dames zo boeiend waren! Nu is/was er maar weinig bekend over Maria von Platen. Zij heeft er haar leven lang voor gezorgd niet in de publiciteit te komen. Vrijwel al haar correspondentie vernietigde ze meteen. Hjalmar Söderberg is trouwens ook altijd discreet over haar geweest. (Niettemin herkende ze natuurlijk trekken van zichzelf in zijn fictieve personages en daar is ze destijds heel boos over geweest.) Kurt Mälarstedt lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om gegevens over Maria von Platen te verzamelen en hij vertelt ook het een en ander over haar familie, haar zoon, over haar verhoudingen met andere mannen (o.a. de literator en filosoof John Landquist), over haar vegetarisme en haar feminisme. Hij laat zien hoe ze probeerde zich diverse artistieke vaardigheden eigen te maken, in de hoop daarmee wat geld te kunnen verdienen. Dat lukte haar niet. Mälarstedt voert daar diverse excuses voor aan, maar ik krijg de indruk dat ze eigenlijk gewoon niet genoeg artistiek talent had. Ze verhuisde op een gegeven moment naar een provinciestad en leefde daar teruggetrokken tot aan haar dood. Dat was het dan. Een interessante vrouw, dat wel, maar niet zo interessant als ik – gevoed door Söderbergs fictie – had gedacht.
Na lezing van de biografie bleef ik over enkele vragen nadenken. Bijvoorbeeld: waarom scheidde Maria von Platen niet van haar eerste man? En waarom liet zij haar zoontje bij die man achter, toen ze naar Stockholm vertrok? Was het liefdeloosheid, of wilde haar man het zo? Had het iets te maken hebben met haar positie als vrouw? Daar wilde ik graag nog het een en ander over lezen. Daarover in een volgend logje.
Hjalmar Söderberg: Dokter Glas. Vertaald door Bertie van der Meij. Uitg. Wereldbibliotheek, 1e druk 2004, 2e druk 2009. 175 blz.
Hjalmar Söderberg: Het ernstige spel. Vertaald door Bertie van der Meij. Uitg. Wereldbibliotheek, 2003. 220 blz.
Kurt Mälarstedt: Ett liv på egna villkor – om Maria von Platen. Stockholm, Wahlström & Widstrand, 2006. 231 blz.
No Fond Return of Love is de zesde roman van Barbara Pym, oorspronkelijk verschenen in 1961. Ik kocht het boek – een herdruk uit 2009 – vooral vanwege de kleurige, wat ouderwetse omslagillustratie van een vrouw, een man, en een boekenkast. En de openingszin maakte dat ik het boek meteen wilde lezen: “There are various ways of mending a broken heart, but perhaps going to a learned conference is one of the more unusual.”
De persoon met het gebroken hart is Dulcie Mainwaring, een alleenstaande, niet meer zo jonge vrouw. Dulcie is freelancer en maakt indexen voor wetenschappelijke publicaties. Saai werk? Voor u misschien, maar mij lijkt het leuk. Je moet zorgvuldig zijn en veel geduld hebben. Precies de eigenschappen die ik vroeger in mijn werk met bibliotheekcatalogi nodig had, en waar ik ook als vertaalster veel nut van heb. Al doende leer je heel veel. En het toegankelijk(er) maken van wetenschappelijke teksten, wat Dulcie doet, is ook nog eens heel zinvol. Echt een boek voor mij, dacht ik. Maar eerlijk gezegd viel het me een beetje tegen.
Het komt allereerst omdat het werk er nauwelijks in aan bod komt. Dulcie heeft blijkbaar zeeën van tijd om zich met andere dingen dan indexeren bezig te houden. De weekendconferentie die ze aan het begin van het boek bijwoont, dient vooral om de belangrijkste personages van het boek te introduceren. Naast Dulcie zijn dat Aylwin Forbes, een literatuurwetenschapper die in echtscheiding ligt, en Viola Dace, indexenmaakster die voor Aylwin heeft gewerkt, verliefd op hem is, en misschien ook wel eventjes iets met hem heeft gehad. Dulcie raakt via gesprekken met Viola ook geïnteresseerd in Aylwin. Eenmaal weer thuis besluit Dulcie, die behoefte heeft aan afleiding van haar hartepijn, zich wat meer in Aylwins doen en laten te gaan verdiepen. Ik zou haar activiteiten niet direct als “stalken” willen betitelen, maar ze snuffelt wel rond in Aylwins omgeving en familie.
Dulcie krijgt haar 18-jarige nichtje Laurel in huis, een eerstejaars studente die van plan is een lekker vrijgevochten leventje te gaan beginnen. Viola krijgt ondertussen moeilijkheden met haar huisbaas. Onverwacht staat ze bij Dulcie in huis met het verzoek tijdelijk bij haar te mogen intrekken. Dulcie stemt toe. In het vervolg onderneemt ze haar spionagetochtjes samen met Viola. Ze komen onder meer een poosje in een ouderwets pension terecht, in de buurt van Aylwins moeder en broer, een enigszins in opspraak geraakte priester. Aylwin zelf laat na verloop van tijd begeerlijke blikken vallen op Laurel.
Pym doet met milde ironie en humor verslag van niet al te dramatische verwikkelingen, die een tamelijk onverwachtse afloop hebben. Nu ik het verhaal zo navertel, vind ik het geheel toch wel komisch. Maar tijdens het lezen was ik niet erg geboeid. Misschien ook omdat Aylwin Forbes — een zwak karakter met opportunistische, ijdele trekjes — werkelijk geen enkele eigenschap heeft die ik aantrekkelijk vind, en ik me daarom niet in Dulcies en Viola’s fascinatie voor hem kan inleven.
Ik wil nog een paar boeken van Barbara Pym lezen, want haar manier van schrijven en haar aandacht voor kenmerkende details staat me wel aan. En het lijkt me niet onmogelijk dat ik No Fond Return of Love beter kan waarderen als ik het over een tijdje nog een keer lees.
Barbara Pym: No Fond Return of Love. Introduced by Paul Binding. 2nd reprint. Virago 2009. 288 blz.
Voorzover ik weet bestaat er nog geen Nederlandse vertaling van deze roman.
De grote zaal van Jacoba van Velde gaat over een oude vrouw die opeens in een verpleeghuis terechtkomt en daar begint te beseffen dat ze er nooit meer uit zal komen. De vrouw is heel eenzaam. Ze heeft maar één dochter en die woont in Parijs. Die komt een tijdje naar Nederland om haar moeder te bezoeken en wat dingen te regelen, maar ja, haar eigen leven gaat ook door, dus ze moet op een gegeven moment weer terug naar Parijs. De moeder ligt daarna aldoor op post te wachten. En uiteindelijk gaat ze dood.
Dat lijkt me een somber verhaal. Wat heb je daar nu aan?
Ten eerste is het goed geschreven. De taal is eenvoudig, zorgvuldig, doet nergens geforceerd aan. Het perspectief van de vertelling ligt nu eens bij de moeder, dan weer bij de dochter. Dat is een simpele stijlgreep waardoor je als lezer beurtelings met die twee meeleeft. Via hun gedachten leer je ze allebei kennen. De dochter is veel zelfstandiger en misschien ook verstandiger dan haar moeder. De moeder heeft altijd weinig zelfvertrouwen gehad. In de loop van het verhaal ga je als lezer beseffen dat moeder en dochter ontzettend veel van elkaar houden. Dat is mooi.
Hm. Heb je een tissue voor me?
Het is helemaal geen sentimenteel boek. De dood is onvermijdelijk en sterven gaat niet altijd op een aangename manier. Dit boek laat zien dat in elk geval de innerlijke kant van het sterven ook iets moois kan hebben. Met die innerlijke kant bedoel ik de gevoelens van degene die sterft en degene(n) die blijven leven. In dit verhaal moeten moeder en dochter afscheid van elkaar nemen. Ondanks de menselijke tekortkomingen van hen beiden gebeurt dat op een goede manier. Ik vond dat leerzaam en ontroerend.
De uiterlijke omstandigheden van het sterven – in een verpleeghuis met nauwelijks enige privacy – zijn in dit verhaal verre van aangenaam. De verschillen tussen dit fictieve verpleeghuis uit 1953 en het verpleeghuis waar mijn eigen moeder in 2001 gestorven is, zijn echter niet eens zo groot. Ook in 2001 had mijn moeder geen eigen kamer. Ook in 2001 waren sommige medepatiënten beslist niet aardig voor anderen. Wat dat betreft is er weinig verschil tussen een schoolklas en een groep ouderen die een huiskamer delen in een verpleeghuis. In allebei kan er een pikorde zijn en wordt er gepest, geroddeld en genegeerd. Het verpleeghuis in het boek had tenminste nog het voordeel dat het heel kleinschalig was.
Ook dat aspect van het boek helpt bij het bepalen van je gedachten over het einde van het leven. Ik ben blij dat ik het gelezen heb.
Je bent er dus niet somber van geworden?
Absoluut niet. Een goed geschreven, aansprekend, klein boek over een onderwerp dat iedereen aangaat. Geef mij maar meer van zulke boeken.
De grote zaal van Jacoba van Velde uit 1953 is het boek van Nederland Leest 2010; op de website is informatie over de schrijfster te vinden. Van 22 oktober t/m 19 november kunnen leden van de openbare bibliotheek een gratis exemplaar van het boek krijgen.

Kortgeleden blogde ik over een boekomslag van Quartet in Autumn van Barbara Pym dat ik mooi vond: een kleurig plaatje van vier mensen in een bibliotheek. Die uitgave met dat omslag heb ik nog niet gevonden. Maar op zoek ernaar vond ik wel een andere Barbara Pym, een nieuwe druk van No Fond Return of Love met óók een leuke illustratie op de voorkant. En dat boek ligt nu op mijn boekenstapel voor februari. Mijn eerste Pym, trouwens.
|
|
Alledaags heldendom  ...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Bookgrrls Galerie: Klik op het plaatje 
Uit het Rijksmuseum: (Elke dag een ander kunstwerk. Klik rechtsonder op het plaatje voor info.)
Kophieps’ weblog bevat ook overgenomen berichten van mijn vroegere blogs Kophieps 1-2-3 (t/m 20 dec. 2009) en Bert Ajour (t/m 8 juli 2007).
En voorts ben ik van mening… dat er een eind moet komen aan de bio-industrie.
|
Recente reacties