Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom
ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom
toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom
en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.
Ooit heb ik met een groepje vertalers Zweeds-Nederlands een hele middag gewerkt aan de beginregels van Spegeln (De spiegel), een kort verhaal van Gunilla Linn Persson. Dit begon met de woorden “Laat me een verhaal vertellen…” en het was speciaal geschreven om voor de radio te worden voorgelezen. Het verhaal speelt zich af in het jaar 1907 en het gaat over twee eenzame eilandbewoners, een man en een vrouw, in een ruig kustlandschap waar het flink kan spoken. De vertelling heeft wel iets weg van een mondeling overgeleverde, klassieke legende over de zee.
Wij vertalers hadden alleen al aan de eerste halve bladzijde een hele kluif (verder zijn we helaas niet gekomen). Een kleine greep uit onze discussie:
Het verhaal gaat over ett sagans hav, “een sprookjeszee”. Maar zou “fabelzee” niet beter zijn? Of “een zee uit een sprookje”? Of… Het Zweedse woord saga heeft meer betekenissen dan “sprookje”, het betekent o.m. ook sage, verhaaltje (bv. voor het slapengaan), en schijn/fictie.
De verteller spreekt de luisteraar aan met du, wat te vergelijken is met het Engelse you. Maken we daar “u” van of “jij”?
Vertalen we de namen van de eilanden? De eilanden in het verhaal heten in het Zweeds Öglan (strik, lus) en Snaran (strik, strop).
Het pakkendste probleem echter vormden de Zweedse werkwoorden sama en skulla in de eerste zin: [..]det hav där det samar och skullar. In de eropvolgende alinea staat dat dit zonderlinge werkwoorden zijn, die allang niet meer in de dagelijkse omgangstaal worden gebruikt. Wij vertalers dachten eerst dat het fantasiewoorden waren. Maar nee. Via het grote online woordenboek van de Zweedse Academie kwamen we erachter dat sama een oud Zweeds dialectwoord is dat ongeveer de betekenis heeft van ‘ijs vormen’. Ook skulla is dialect; het betekent iets als ‘trillend aan de lucht verschijnen’, ‘opdoemen, oprijzen aan de horizon’, ‘zich als een luchtspiegeling vertonen’, bijvoorbeeld bij heiig weer.
Beide werkwoorden worden in de Zweedse tekst onpersoonlijk gebruikt, dus met ‘het’. Zoals je in het Nederlands ‘het regent’ kunt zeggen, kon men vroeger in sommige streken in Zweden det samar en det skullar zeggen, als de weersomstandigheden daar aanleiding toe gaven.
Photo: Pöllö CC AT-SA
Heeft het Nederlands wel woorden voor die specifieke verschijnselen veroorzaakt door het weer? We hebben het nagevraagd bij het KNMI, maar daar wisten ze ons niet wijzer te maken. Gelukkig brachtenHet juiste woord, het ouderwetse synoniemenwoordenboek van de Vlaming Dr. L. Brouwers, en de digitale versie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) uitkomst. Na een intensieve, associatieve speurtocht doemden daaruit twee werkwoorden op die aan bijna alle eisen voldeden: het waren allebei oude woorden die uit de omgangstaal verdwenen waren én ze hadden de juiste betekenis, nl:
storkelen (varianten o.a. “sturkelen”, “stelken”, “stelkeren”) betekent volgens het WNT “stollen, stremmen van water, vet enz.”; bijvoorbeeld in: “Het water is gesturkeld door den vorst”.
hevelen betekent “oprijzen” van dampen), of ook “opdoemen” (van iets wat uit een optrekkende damp tevoorschijn komt). Als voorbeelden geeft het WNT een dichtregel van Tollens “Daar hevelt Katwijks duin…” en een van Ter Haar: “Zo hevelt uit de stroomen… eens de kust”.
Okee, da’s opgelost, zou je denken. Alleen… deze woorden worden in de voorbeelden niet onpersoonlijk gebruikt. Mag de vertaler dat dan wel doen?
Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) zijn werkwoorden die een natuurgebeuren aanduiden altijd of vrijwel altijd onpersoonlijk. Sommige van deze werkwoorden kunnen ook persoonlijk worden gebruikt; neem bijvoorbeeld “waaien”. “Het waait” en “De bladeren waaien van de bomen” zijn allebei mogelijk. Over “hevelen” en “storkelen” rept de ANS niet. Maar als je “de zee waar het donkert en nevelt” kunt zeggen (van de werkwoorden “donkeren” en “nevelen”), kun je dan niet ook “de zee waar het storkelt en hevelt” zeggen? Wij vertalers vonden dat heel sprookjesachtig en poëtisch klinken. Dat de alliteratie van samar och skullar in de vertaling is weggevallen, wordt deels gecompenseerd door het ritme van de woorden.
Hieronder de uiteindelijke vertaling van ons fragment:
Laat me een verhaal vertellen van de zee, de zee waar het storkelt en hevelt. Een sprookjeszee, met andere woorden. U vraagt zich misschien af waar ik het over heb?
Het woord “storkelen” is allang uit de taal verdwenen. Het heeft de omgangstaal verlaten, is eruit weggeslopen, stil als het verschijnsel waarnaar het verwijst. Storkelen is wat het ijs doet als het een laag vormt. Het brengt het gestage ruisen van de zee tot zwijgen met een nagenoeg geluidloos geknister van miljarden ijskristallen. De kou zet de aanval in vanaf de arctische breedtegraden. Alles verstilt. Dan, opeens, begint het storkelen, dat golven en baren aan banden legt.
Wat gebeurt er als het “hevelt”? O, dat is wanneer eilanden op reis gaan. Ze trekken erop uit, gaan in zeestraten en vaarroutes liggen, spetteren een poosje rond alsof ze uitgelaten zeehonden zijn.
De wetenschap heeft natuurlijk een verstandige verklaring voor dit verschijnsel. Het is een kwestie van optisch bedrog. Eilanden kunnen niet reizen! Ze zitten vast aan het oergesteente! Maar wie ooit aan de grond is gelopen omdat er een heel nieuw eiland, een vreemd eiland, een bezoeker, midden in de kort tevoren nog bekende vaarroute is gaan liggen, die staat voor altijd sceptisch tegenover de optica.
Zo’n scepsis heerste er op Strik, een eiland in de scherenzee, de zee van het storkelen en hevelen, waar het volgende verhaal zich afspeelt.
Is dat niet spannend? Jammer dat we de rest van het verhaal niet hebben vertaald.
(Dit stuk is een bewerking van een artikel eerder verschenen in Nieuwsbrief Werkgroep Vertalers VvL, nr. 23, maart 2002)
Bedankt voor alle reacties op de vorige blogpost. Mooi dat Het ultieme recept op deze manier nieuwe lezers krijgt!
Er waren genoeg exemplaren voor iedereen die zich meldde. Degenen die ik het boek per post ga toesturen, hebben intussen allemaal een mailtje van me gehad met het verzoek me hun adres te laten weten. Ik probeer de boeken nog vóór het weekeinde op de post te doen.
En nu ga ik nog even met een glas buiten zitten niksen. Lekker .
Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Uitgeverij De Bezige Bij: de door mij vertaalde roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren, verschenen in 2005, werd nauwelijks meer verkocht. Daarom had de uitgeverij besloten de oplage voor het grootste deel te vernietigen. U leest het goed: vernietigen.
Waarschijnlijk hadden ramsjboekhandels er geen belangstelling voor of wilden die geld toe hebben, en vond de uitgeverij het onnodig om voor de opslag van de boeken te blijven betalen of om er wat marketing aan te besteden.
Hetzelfde is al eens eerder gebeurd met een vertaling van mij (Het ware leven, door Göran Tunström), bij dezelfde uitgeverij, dus ik was niet compleet overrompeld door de mededeling. Toch komt zoiets hard aan.
Het rare is dat zowel Lindgren als Tunström schrijvers uit de top van de Zweedse literatuur zijn en ik bezweer u dat ook de vertalingen goed zijn. Maar ja, het gaat hier niet om spannende Scandinavische misdaadromans – die gaan immers als warme broodjes over de toonbank. Torgny Lindgren is echter wel mijn favoriete moderne Zweedse schrijver. Ik vind zijn boeken geweldig.
Hoe dan ook, de uitgeverij bood aan me 50 exemplaren van Het ultieme recept gratis toe te zenden. Die zijn dus van de vernietiging gered! Ik heb er al een aantal uitgedeeld, maar heb er nog aardig wat over. Wie er één wil hebben, kan een reactie onder dit bericht zetten. Ikzelf vind de boeken van Torgny Lindgren zo goed, dat ik de portokosten er graag voor over heb om Het ultieme recept naar liefhebbers op te sturen. Maar om het niet te gek te maken zal ik niet meer dan 10 boeken in totaal per post versturen, dus bij grote belangstelling wordt het een loterij.
Eventueel (maar dan moet ik je wel een beetje kennen, in real life of via het internet) mag je het boek ook bij mij thuis afhalen. Wordt binnenkort vervolgd.
Klik hier voor een recensie van Het ultieme recept.
Klik hier voor informatie over schrijver Torgny Lindgren.
Eerdere Kophiepsberichten waarin Torgny Lindgren ter sprake is gekomen staan hier.
***Reageer vóór woensdag 21 juli, 10 uur vm. Daarna bekijk ik of er geloot moet worden.***
Op YouTube staan leuke poëzieanimaties. Dat is een uitkomst voor Kophieps, die geen tijd heeft om te bloggen, hard werkt om een deadline te halen (1 juli) en alle twijfels voor zich uit schuift tot ze zich vanzelf oplossen .
Ja ja, ik weet het, ik moet nog steeds een slot breien aan mijn serie “Kettinglezen” (voor eerdere afl. klik op: 1, 2, 3, en 4). Ik las literatuur (fictie) over de maatschappelijke situatie van de vrouw rond 1900, met het accent op de normen voor liefde & seks die in die tijd voor vrouwen golden. Daaronder twee romans van Carry van Bruggen: Een coquette vrouw uit 1915 en Eva uit 1927. Dat leek me een terechte keus, want die boeken gaan allebei over een vrouw die zich min of meer ingeperkt voelt door de seksuele normen van haar tijd. Volgens die normen waren seksuele gevoelens en ervaringen taboe voor vrouwen. Behalve binnen het huwelijk. Maar over seks binnen het huwelijk sprak men niet, behalve misschien met de dokter. Over seks voor of buiten het huwelijk praatte men al helemáál niet. En homoseksuele gevoelens waren absoluut onbespreekbaar. Is dat iets nieuws? Natuurlijk niet. De normen waar het hier om gaat golden voor veel Nederlanders (ook voor mij) tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw en vaak nog wel langer. Dat er in het eerste kwart van de twintigste eeuw in Nederlandse romans niet heel expliciet over seks kon worden geschreven, was te verwachten. Met de kwaliteit van literatuur heeft dat niets te maken.
Maar: ik kan er maar niet toe komen de twee romans van Van Bruggen positief te bespreken. Dat komt zo: ik vond ze bijna niet om door te komen! Vooral Eva viel me zwaar! Ik hou blijkbaar niet van Carry van Bruggen! Terwijl ze toch zo’n interessante visie had, en zo mooi was, en zo depressief, en terwijl ze zo tragisch gestorven is! (Voor info over CvB, klik hier.) Maar haar stijl ligt me niet.
Carry van Bruggen was een kampioen in het gebruik van … de drie stippeltjes. In een ander boek van haar, Het huisje aan de sloot, kon ik dat nog wel verdragen. Dat zijn jeugdherinneringen, en daar past een enigszins naïeve stijl wel bij. Door die drie stippeltjes verspreid over vrijwel alle pagina’s krijgt de tekst voor mij een onherstelbaar naïeve en meewarige toon, misschien doordat ik in mijn jeugd te veel kinderboeken van W.G. van de Hulst heb gelezen. In Eva kon ik ze op een gegeven moment niet meer zíén! Ze maakten van het boek bijna een louter emotioneel verslag. Geef mij wat meer ratio. Toch zie ik, langs die stippeltjes heen, soms ook het mooie van Carry van Bruggens manier van zien, voelen en schrijven. Maar een heel boek achter elkaar wordt me teveel.
Enfin, het zij zo. Misschien probeer ik ooit… ooit… nog eens een ander boek van CvB.
(Een fragment uit Eva):
Mag ik het nu zeggen… mag ik nu lieveling zeggen? Je moogt het niet zeggen: het is te zoet en te groot… je zou sidderen moeten, je siddert niet… je deed dat wel in sommige nachten, als je het fluisterde naar een man, die je niet kent. Het woord vloog uit… zó vloog uit Noachs ark de duif de wateren over… en vond geen rust voor zijn voet… en keerde niet weer… Najaar was het, je liep naar huis. Nu ga ik trouwen. Nu zullen er geen geheimen meer zijn. Ik ga trouwen en ik krijg een kind. Ik krijg het… van Ben… Ik wil het heel graag hebben. Daaraan alleen behoor je te denken… daaraan is het andere, zijn de geheimen, verbonden. Johannes Viator, Perks ‘Mathilde’. Hoe ik somtijds kan verlangen, naar wat mag en moet geschiên Om – laat mij u nogmaals kussen – in mijn kinderen u te zien. Neen. Niet mooi. Pijnlijk, om licht van te rillen… ‘U’. ‘Mag en moet geschieên.’ Niet mooi, niet lief… niet zoet…
Hij staat er al een jaar of twee, op werkdagen en onder kantoortijd: De Amersfoortse Boekenkast. Zomaar buiten op straat, op de hoek van de Stadsring vlak bij het stadhuis. De kast is aan alle vier de zijden voorzien van boekenplanken en glazen deuren die open kunnen. Op de kast hangt het volgende briefje:
Voor een zomerse stemming: een ondeugend Zweeds liedje uit de 18e eeuw door Carl Michael Bellman (1740-1795). De vertaling hieronder is van mij en is ook in dit boek te vinden. Ik heb er een YouTube-clipje bij geplaatst met een sfeervolle Zweedstalige uitvoering door drie mannenstemmen.
Emants is uitgenodigd bij een huisconcert met canto flamenco. De gastvrouw is de sterzangeres van de avond en wekt veel geestdrift bij de heren. Emants beschrijft het geheel met de droge humor van de buitenstaander.
Vooral drie der jongere heren waren vermakelijk in hun enthousiasme. De blonde – die de gitaar tokkelde – staarde de zangeres met zulk een zielsverrukking in de ogen, dat een schilder van heiligen en musicerende engelen hem ongetwijfeld in zijn schetsboek had opgenomen. Een kleine donkere, wiens gelaat minder uitdrukkingsvol was, trachtte door het uitrekken van zijn hals te vergoeden wat aan de bewegelijkheid van zijn trekken ontbrak en stootte, midden onder het gezang, een paar olé’s uit die zijn gehele lichaam deden schokken. De derde eindelijk, een lange, bijzonder magere en bijzonder zwarte, die de novia [aanstaande bruid] met welke hij elke avond de kalkoen plukte, ontrouw was geworden ter wille van Carmens gezang en wiens grote uitpuilende ogen reeds in gewone toestand sterke opgewondenheid uitdrukten, kreeg onder het zingen het voorkomen van een lachende waanzinnige en bracht de herhaalde olé’s zó onverwacht te voorschijn, dat zijn buurman (de ondergetekende) nu en dan van schrik bijna omhoog sprong.
Hieronder een paar van de gezongen coupletten in Emants vertaling. Ik vind het merkwaardig aansprekende poëzie:
Uw liefde is als een stier,
Die gaat, waarheen men hem lokt.
De mijne is als een steen,
Die bluft, alwaar men hem legt.
Ik, die wenende ben geboren,
Wil al zingende grafwaarts gaan;
Zo zal al het leed der wereld
Niet mijn enig aandeel zijn.
De straten werden voor mij gesloten,
De hemel werd voor mij bewolkt,
De dag, toen gij mij durfde zeggen:
Alreeds is onze liefde dood.
Ge hebt mij begeerd en ge hebt mij vergeten;
Nu keert ge terug en begeert mij weer;
Een schoen die ik eens heb weggeworpen,
Die trek ik naderhand niet meer aan.
Wanneer ik in de doodsstrijd lig,
Kom dan, en plaats u bij mijn kussen;
Richt in mijn ogen vast uw blik,
Wie weet of ‘k dan nog wel kan sterven.
Marcellus Emants: Schetsen uit Spanje. Herdruk. Menken Kasander en Wigman Uitgevers, 2004. 249 blz.
Ik lees Schetsen uit Spanjevan Marcellus Emants. Oorspronkelijk verschenen in 1886, herdrukt in 2004. Ik ga graag op vakantie naar Scandinavië, maar van dit boek krijg ik bepaald zin om ook eens een bezoek aan het gloedvolle zuiden te brengen. Al zal er sinds 1886 behoorlijk veel veranderd zijn. Zou er nog iets kloppen van het volgende stukje tekst, over de liefde voor muziek van de Andalusiërs?
Hier komt bij dat in Andalusië elk op zijn beurt artiest is, zingt, op de gitaar speelt en dikwijls nog andere instrumenten beoefent.
De kunst bestaat er dan ook nog in haar oorspronkelijke vorm, d.i. zij leeft er op de lippen van het volk.
Iedere dag worden hier in de straten honderden coupletten gedicht op de liefde en op de gebeurtenissen van de dag. Het ene sterft onmiddellijk na de geboorte, het andere gaat van mond tot mond, het derde komt ten slotte onder een drukpers te land. In de deftige wereld doet het laatste dan zijn intrede met de naam van een verzamelaar, daar niemand meer weet in wiens fantasie het werd verwekt.
Spanish Dancer, 1881, door John Singer Sargent
Emants doelde hier op de canto flamenco en nadat ik dit had gelezen, ben ik op internet naar flamencozang gaan zoeken om op mijn blog te zetten (is het jullie al opgevallen dat ik sinds een paar weken een stukje muziek in de rechterkolom heb staan?). Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik nog geen opname heb gevonden die me aansprak. Vooralsnog geen canto flamenco op dit blog dus. Dan maar de bekende Spaanse dans no. 5 (Andaluza), van Enrique Granados gekozen, oorspronkelijk een compositie voor piano. Het stuk wordt ook vaak gespeeld op gitaar, maar deze keer is het een uitvoering met viool en piano. ;”>-
-
-
-
Marcellus Emants: Schetsen uit Spanje. Herdruk. Menken Kasander en Wigman Uitgevers, 2004. 249 blz.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties