
Op deze foto zie je een hoekje van mijn werktafel; m’n laptop is net niet meer in beeld. Het boek ligt op een tafelkleed van dezelfde stof als waarmee ik m’n Amerikaanse schommelstoel heb bekleed. Maar wat ligt er óp het boek?
Dat, dames en heren, is een boekgewicht. Een paar weken geleden kwam ik er een tegen in een leuk berichtje op Ilog, het weblog van Ileen Montijn. Ze vertelde daarin over zware ijzeren kettinkjes, gehuld in bruin fluweel, die dienen om een boek met zachte dwang open te houden terwijl je aantekeningen maakt. Hoe praktisch! En in een ommezien zelf in elkaar gezet.
Ik heb er twee gemaakt, van een restje van de bekledingsstof van stoel en tafel. Eén is een cadeautje, de tweede hou ik zelf. Hieronder kun je zien hoe mijn boekgewicht is gemaakt. Eerst een binnenhoesje om de ketting heen. Daar heb ik met een lusje een houten ringetje aan vastgemaakt. De onderste en bovenste schakels heb ik met een steekje vastgezet zodat de ketting niet in elkaar gaat kronkelen. Daarna het hele gevalletje ingebakerd, een beetje zoals een Peruviaanse baby. (Nu ja, met heel kleine steekjes natuurlijk.)
 Boekgewichten: een goede uitvinding. Kijk, op Flickr staan er nog meer.
Vervolg Boekgewicht
Zo’n lavendelkussentje naaien is een leuk klein handwerkje. Ik heb er meteen nog maar eentje gemaakt, met versiering van festonsteken en rechte kruisjes. De achterkant ervan is ook een foto waard.
 
Vervolg Kussentje twee
… om lekker ouderwetsch te zijn.
 Lavendelkussentje
Een stukje broderiekant uit m’n verzameling kantjes en randjes. Een paar lapjes oud bedlinnen uit de oud-bedlinnendoos. Daarvan naaide ik een klein sloopje. Er zit een binnenkussentje in met gedroogde lavendel.
Voor het strooisel van Franse knoopjes vond ik m’n inspiratie bij l’heure bleue.
Kophieps’ nichtje Marijke raadt aan om een paar van zulke kussentjes in je bed te leggen, naast je hoofdkussen. Dat geeft een heerlijk ontspannen slaap. Ik ga er nog een paar maken.
Vervolg ‘t Is zo heerlijk en zo fijn…
 Zijsluiting in denim - buitenkant
Mijn oude Pfaff-naaimachine uit de jaren vijftig van de vorige eeuw is niet voor één gat te vangen, maar voor knoopsgaten in stevige denimstof schrikt ze een beetje terug.
 Binnenkant
En ik had deze keer geen zin om het met de hand te doen. Ik wilde namelijk dat het Netjes werd. Dan maar een truc toegepast. Het resultaat:
Bovenste foto: de buitenkant; daaronder de binnenkant.
Net Netjes genoeg.
Vervolg Knoopsgat
Ook de jongste is nu het huis uit.
En ook voor dit kind
heeft moeders gordijnen genaaid.
Niet het witte vouwgordijntje met het mooie strikje erom (dat komt van Xenos).
Wel het lange, gestreepte gordijn,
met lussen bovenaan;
de stof hebben we samen uitgezocht op de markt.
Aan de rechterkant van het raam zit er natuurlijk nog een,
al zie je dat niet op de foto.
Een fijn raam met een mooi uitzicht.
Vervolg Gordijnen
“Even subtiel als de keuze van het juiste woord is de keuze van de juiste knoop. Wie zorg aan het ene besteedt, zal dat ook aan het andere doen.”
Uit Gemengde gevoelens, een boekje met aantekeningen van Ethel Portnoy (1992).
Begin januari van dit jaar heb ik een jasje genaaid. Een nieuwe favoriet; ik heb bijna het gevoel dat ik het sindsdien niet meer heb uitgetrokken.
Vervolg Keuze
Nog een paar fragmenten - tot besluit – over het naaien van een jurk uit de roman De springbron van Kerstin Ekman:
—
De schaar kletterde tegen de tafel en sneed door de mooie grijsblauwe wol. De voorpanden knipte ze pas nadat ze de plooien had genaaid. Ze had besloten ze twintig millimeter diep te maken en ze mat ze af met een liniaal en gaf een knipje in de rand van de stof. Daarna legde ze de lap met de goede kant naar boven op de strijkplank, die altijd klaarstond in de kamer. Ze vouwde de eerste plooi en zette hem met spelden vast op de onderlaag van de plank. Nu hoefde ze alleen maar nauwkeurig verder te meten, te vouwen en stevig vast te spelden. Ze maakte de perslap vochtig en controleerde eerst het ijzer, dat op de kookringen van het fornuis stond. Het siste toen haar natte vinger even de zoolplaat raakte. Ze perste voorzichtig, de doek ertussen, en hield er vervolgens de perslat op zodat de stoom in de stof trok. Toen ze klaar was, nam ze nog een kop koffie. De stof moest toch op de plank afkoelen, anders hielden de plooien niet. (blz. 303)
—
Toen ze de voorpanden had uitgeknipt, pakte ze alle rechterdelen van de jurk en reeg ze aan elkaar, waarna ze alles met het patroon eromheen zolang weglegde, voor het geval ze nog iets aan de snit zou moeten veranderen. Frida kwam na haar werk in de wasserij langs om te passen en toen pas schoot het Dagmar te binnen dat ze niet twee gelijke helften kon maken en niet dezelfde veranderingen op beide helften kon aanbrengen. Frida had immers een scheve schouder. Terwijl haar moeder wachtte, reeg ze ook de linkerhelft in elkaar en even later pasten ze de jurk. (blz. 304)
—
Dagmar had tot ver na middernacht met het tornmesje opgezeten en ze had alle veranderingen aangebracht. Het was een heel andere jurk die ze te voorschijn haalde en voorzichtig, om Frida geen pijn te doen als er nog een speld in de stof zou zitten, over haar hoofd trok. De pofrimpeltjes aan de mouwkop waren weg. Eigenlijk zag Frida er niet eens zo knokig uit. Zo zat de jurk beter en leuker. De manchet was weg en de mouw was vermaakt en sloot nu tamelijk strak aan. Dagmar liet haar zien hoe hij nu in een splitje met stofknoopjes zou eindigen, net zulke knoopjes als aan de voorkant natuurlijk, die door getrensde lusjes zouden worden gehaald. Ze had al knoopjes weggebracht om ze te laten klinken. Maar het beste van alles was dat ze de plooien overgedaan had en deze keer koordjes in de naden had meegestikt. (blz. 306)
Uit Kerstin Ekman: De springbron. Mijn vertaling. 1e druk 1985, diverse herdrukken. Het boek wordt vaak tweedehands aangeboden en is ook te leen in openbare bibliotheken.
Een foto van Lewis Wickes Hine. Bron: het weblog van Shorpy, dat een schat aan gedigitaliseerde archieffoto’s biedt.

—New York City, Januari 1913—
Een gezin thuis aan het werk. De vader werkt buitenshuis. De drie oudste kinderen helpen de moeder met het afwerken van kleding: Joseph, 14, Andrew, 10, Rosie, 7. Met z’n allen verdienen ze ongeveer 2 dollar per week, als er genoeg werk is. Er zijn ook nog twee jongere kinderen.
Vervolg Thuiswerk anno 1913
In het volgende fragment uit De springbron begint Dagmar, een jonge naaister, aan een jurk voor haar moeder Frida. (Vervolg van 11 okt. 08.)
—
Het inzetsel was het eerste dat Dagmar aan de jurk deed. Ze nam een stukje piqué en voerde het met vrij stevig tule. Daarna werkte ze er ‘s avonds af en toe een poosje aan om het kant erop vast te naaien. Het was een precies, leuk werkje, goed voor de zenuwen als ze doodop was na lange palavers met de klanten. Er was ook geen haast bij. De steekjes moesten onzichtbaar langs de rand van het kant worden genaaid en de strookjes moesten recht onder elkaar komen. Het was geschulpt kant met een waaiervormig patroontje. Soms wilde ze wel dat ze zich aan zo’n vanzelfsprekend en ongecompliceerd werkje als bijvoorbeeld linnengoed borduren had kunnen wijden. Geen hoofdbrekens en geen aanpassingen aan lichamen die zelden met patronen overeenstemden. Enkel nauwkeurige steekjes, geduld en zin voor gelijkvormigheid.
Gaandeweg haalde ze grote, ritselende papieren patronen te voorschijn en begon deze aan Frida’s maten aan te passen. In haar grote kast lagen patronen in vele soorten maten. Bij wijze van geheugensteuntje waren ze omwonden met een strookje van de stof waarvan ze een japon had genaaid. Door het vele gebruik zaten er kreukels en vouwen in, zodat ze ze zorgvuldig moest gladstrijken om zich niet in de maten te vergissen. Frida was er niet bij toen ze het patroon op de stof legde en dat was maar goed ook, want ze zou zich toch maar kwaad hebben gemaakt over de benodigde hoeveelheid stof.
Voordat ze de patroondelen opspelde, monsterde ze de lap en vond ondanks alles toch nog een weeffoutje, dat ze merkte met een speld om ervoor te kunnen zorgen dat het in een plooi of een naad viel. Als ze had opgelet toen ze het kocht, had ze een stukje extra kunnen laten afmeten. Ze perste een scherpe vouw uit de stof en legde de lap toen op haar grote tafel, zette het vloeipapier met de spelden vast en verlegde het een paar keer om het rechtdraads te krijgen. Toen deed ze wat ze altijd deed voor ze ging knippen, al was er nog zoveel haast bij. Ze nam een kop koffie. Dat was een veiligheidsmaatregel. Je moest nadenken voor je de schaar in de stof zette. Geknipt was geknipt.
Uit blz 302-303 van Kerstin Ekman: De springbron. Mijn vertaling. 1e druk 1985, diverse herdrukken. Het boek wordt vaak tweedehands aangeboden en is ook te leen in openbare bibliotheken.
Ik vind het wel leuk en passend om hier een jeugdfoto van mijn oma Cor bij te plaatsen. Geboren in 1893. Van beroep naaister. Ze was al over de vijftig toen ze in 1944 met mijn opa trouwde, die weduwnaar was en vader van negen kinderen, van wie er nog een paar thuis woonden. Oma Cor overleed in 1981.
-
-
-
-
-
Vervolg Dagmar begint
Een van de mooiste hoofdstukken die ik ooit heb vertaald, staat in De springbron, een roman van de Zweedse schrijfster Kerstin Ekman. Het verhaal speelt in een provinciestad in de jaren ’20-’30 van de vorige eeuw. Frida, een wasvrouw, is uitgenodigd op een bruiloft, en haar dochter Dagmar, die naaister is, wil een jurk voor haar naaien. Alleen al de beschrijving van de winkel waar ze samen stof gaan kopen – vier bladzijden lang – is heerlijk om te lezen. Daarna komt ook alles wat er komt kijken bij het naaien van de jurk uitgebreid aan de orde. De komende tijd zal ik hier wat stukken uit dit hoofdstuk plaatsen. Om te beginnen een paar fragmenten over de stoffenwinkel.
…
(uit blz. 295-299)
De stoffenzaak was een lang, smal vertrek met een lange toonbank vol krassen van de scharen en de met messing bezette maatstokken. Achter de toonbank lagen rollen stof tot aan het plafond opgestapeld. Uiterst links lagen om te beginnen de katoenwaren, de eenvoudigste onderop: keper en lakenkatoen en behangdoek, ja, zelfs zeefdoek hadden ze in voorraad. Dan kwamen de glanzende chintzstoffen met hun grote bloemenruikers, het denim en het manchester, waardoor broeken van kleine jongetjes een zoevend geluid maakten bij het lopen. Er waren mousseline en batist voor nachtponnen, maar de roze en lichtblauwe, gebloemde flanelletjes die de meesten kochten, lagen onderop. Piqué voor kraagjes en garneersels was er in verschillende diktes en verder lag er het voile dat alle jonge meisjes tegenwoordig wilden hebben. Dat was heel doorschijnend en dun als ze ‘s avonds gingen dansen, en als ze in de ochtenddauw thuiskwamen, slierde het erg onelegant rond hun benen.
[...]
De mooiste rollen lagen vlak bij de etalage en dat waren tevens de dunste, want stoffen op zijdebasis nemen niet veel plaats in. Dagmar wist van alle hoe ze heetten, het stijve brokaat, dat een stevige dame op een wandelende sofa kon laten lijken als het niet de juiste snit kreeg, chiffon, dat rimpelige armen verborg, crêpes, failles en foulards. Organdie werd tegenwoordig alleen verkocht voor kleine meisjes.
[...]
Niets stijfs, niets stevigs mocht het op het ogenblik wezen, het moest het zachtste, glanzendste velvet zijn. Denk je eens in hoe leuk dat staat, een bosje veren of franjes bij dat zijdefluweel! Het was eigenlijk zo gek nog niet om je rok met franjes te verlengen, als je hem wat langer wilde laten lijken. De roklengte kroop steeds verder omhoog.
[...]
De soepele georgettes met hun paillettenborduursels, die zich zo goed lieten draperen, waren heel mooi nu dat hele losse met ruime, opgenomen plooien zo in de mode was. Tegenwoordig droeg geen enkele jonge vrouw meer een korset, alles hing maar te flabberen. Nu ja, daar mocht je van denken wat je wilde.
[...]
Toen iedereen uiteindelijk scheen te hebben besloten dat het een cyclaamkleurige wollen georgette moest worden, zei Frida dat ze nooit van haar leven iets roods zou willen dragen. Het was warm in de winkel en ze moest gaan zitten. Van de planken kwam een doordringende appretuurlucht en er zweefden stofjes in de lucht, wat de ademhaling bemoeilijkte. Toen merkte Dagmar dat Frida een hoekje vasthield van een blauwgrijze wollen crêpe, waarnaar haar handen vaak waren teruggekeerd. Ze had erin geknepen en eraan geplukt en een stukje ervan verscheidene keren in haar hand verfrommeld zonder dat er ook maar één kreukeltje in was gekomen.
‘Is dit wat je hebben wil?’ vroeg Dagmar.
Ze kon alleen nog maar knikken en ze herinnerde zich niet meer wat er op het prijskaartje had gestaan.
…
Kerstin Ekman: De springbron. 1e druk 1985, diverse herdrukken. Het boek wordt vaak tweedehands aangeboden en is ook te leen in openbare bibliotheken.
Vervolg Literair naaiwerk
|
|
Alledaags heldendom  ...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Bookgrrls Galerie: Klik op het plaatje 
Uit het Rijksmuseum: (Elke dag een ander kunstwerk. Klik rechtsonder op het plaatje voor info.)
Kophieps’ weblog bevat ook overgenomen berichten van mijn vroegere blogs Kophieps 1-2-3 (t/m 20 dec. 2009) en Bert Ajour (t/m 8 juli 2007).
En voorts ben ik van mening… dat er een eind moet komen aan de bio-industrie.
|
Recente reacties