 Photo Holger Ellgaard CC AT-SA
Ooit heb ik met een groepje vertalers Zweeds-Nederlands een hele middag gewerkt aan de beginregels van Spegeln (De spiegel), een kort verhaal van Gunilla Linn Persson. Dit begon met de woorden “Laat me een verhaal vertellen…” en het was speciaal geschreven om voor de radio te worden voorgelezen. Het verhaal speelt zich af in het jaar 1907 en het gaat over twee eenzame eilandbewoners, een man en een vrouw, in een ruig kustlandschap waar het flink kan spoken. De vertelling heeft wel iets weg van een mondeling overgeleverde, klassieke legende over de zee.
Wij vertalers hadden alleen al aan de eerste halve bladzijde een hele kluif (verder zijn we helaas niet gekomen). Een kleine greep uit onze discussie:
- Het verhaal gaat over ett sagans hav, “een sprookjeszee”. Maar zou “fabelzee” niet beter zijn? Of “een zee uit een sprookje”? Of… Het Zweedse woord saga heeft meer betekenissen dan “sprookje”, het betekent o.m. ook sage, verhaaltje (bv. voor het slapengaan), en schijn/fictie.
- De verteller spreekt de luisteraar aan met du, wat te vergelijken is met het Engelse you. Maken we daar “u” van of “jij”?
- Vertalen we de namen van de eilanden? De eilanden in het verhaal heten in het Zweeds Öglan (strik, lus) en Snaran (strik, strop).
Het pakkendste probleem echter vormden de Zweedse werkwoorden sama en skulla in de eerste zin: [..]det hav där det samar och skullar. In de eropvolgende alinea staat dat dit zonderlinge werkwoorden zijn, die allang niet meer in de dagelijkse omgangstaal worden gebruikt. Wij vertalers dachten eerst dat het fantasiewoorden waren. Maar nee. Via het grote online woordenboek van de Zweedse Academie kwamen we erachter dat sama een oud Zweeds dialectwoord is dat ongeveer de betekenis heeft van ‘ijs vormen’. Ook skulla is dialect; het betekent iets als ‘trillend aan de lucht verschijnen’, ‘opdoemen, oprijzen aan de horizon’, ‘zich als een luchtspiegeling vertonen’, bijvoorbeeld bij heiig weer.
Beide werkwoorden worden in de Zweedse tekst onpersoonlijk gebruikt, dus met ‘het’. Zoals je in het Nederlands ‘het regent’ kunt zeggen, kon men vroeger in sommige streken in Zweden det samar en det skullar zeggen, als de weersomstandigheden daar aanleiding toe gaven.
 Photo: Pöllö CC AT-SA
Heeft het Nederlands wel woorden voor die specifieke verschijnselen veroorzaakt door het weer? We hebben het nagevraagd bij het KNMI, maar daar wisten ze ons niet wijzer te maken. Gelukkig brachten Het juiste woord, het ouderwetse synoniemenwoordenboek van de Vlaming Dr. L. Brouwers, en de digitale versie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) uitkomst. Na een intensieve, associatieve speurtocht doemden daaruit twee werkwoorden op die aan bijna alle eisen voldeden: het waren allebei oude woorden die uit de omgangstaal verdwenen waren én ze hadden de juiste betekenis, nl:
- storkelen (varianten o.a. “sturkelen”, “stelken”, “stelkeren”) betekent volgens het WNT “stollen, stremmen van water, vet enz.”; bijvoorbeeld in: “Het water is gesturkeld door den vorst”.
- hevelen betekent “oprijzen” van dampen), of ook “opdoemen” (van iets wat uit een optrekkende damp tevoorschijn komt). Als voorbeelden geeft het WNT een dichtregel van Tollens “Daar hevelt Katwijks duin…” en een van Ter Haar: “Zo hevelt uit de stroomen… eens de kust”.
Okee, da’s opgelost, zou je denken. Alleen… deze woorden worden in de voorbeelden niet onpersoonlijk gebruikt. Mag de vertaler dat dan wel doen?
Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) zijn werkwoorden die een natuurgebeuren aanduiden altijd of vrijwel altijd onpersoonlijk. Sommige van deze werkwoorden kunnen ook persoonlijk worden gebruikt; neem bijvoorbeeld “waaien”. “Het waait” en “De bladeren waaien van de bomen” zijn allebei mogelijk. Over “hevelen” en “storkelen” rept de ANS niet. Maar als je “de zee waar het donkert en nevelt” kunt zeggen (van de werkwoorden “donkeren” en “nevelen”), kun je dan niet ook “de zee waar het storkelt en hevelt” zeggen? Wij vertalers vonden dat heel sprookjesachtig en poëtisch klinken. Dat de alliteratie van samar och skullar in de vertaling is weggevallen, wordt deels gecompenseerd door het ritme van de woorden.
Hieronder de uiteindelijke vertaling van ons fragment:
Laat me een verhaal vertellen van de zee, de zee waar het storkelt en hevelt. Een sprookjeszee, met andere woorden. U vraagt zich misschien af waar ik het over heb?
Het woord “storkelen” is allang uit de taal verdwenen. Het heeft de omgangstaal verlaten, is eruit weggeslopen, stil als het verschijnsel waarnaar het verwijst. Storkelen is wat het ijs doet als het een laag vormt. Het brengt het gestage ruisen van de zee tot zwijgen met een nagenoeg geluidloos geknister van miljarden ijskristallen. De kou zet de aanval in vanaf de arctische breedtegraden. Alles verstilt. Dan, opeens, begint het storkelen, dat golven en baren aan banden legt.
Wat gebeurt er als het “hevelt”? O, dat is wanneer eilanden op reis gaan. Ze trekken erop uit, gaan in zeestraten en vaarroutes liggen, spetteren een poosje rond alsof ze uitgelaten zeehonden zijn.
De wetenschap heeft natuurlijk een verstandige verklaring voor dit verschijnsel. Het is een kwestie van optisch bedrog. Eilanden kunnen niet reizen! Ze zitten vast aan het oergesteente! Maar wie ooit aan de grond is gelopen omdat er een heel nieuw eiland, een vreemd eiland, een bezoeker, midden in de kort tevoren nog bekende vaarroute is gaan liggen, die staat voor altijd sceptisch tegenover de optica.
Zo’n scepsis heerste er op Strik, een eiland in de scherenzee, de zee van het storkelen en hevelen, waar het volgende verhaal zich afspeelt.
Is dat niet spannend? Jammer dat we de rest van het verhaal niet hebben vertaald.
(Dit stuk is een bewerking van een artikel eerder verschenen in Nieuwsbrief Werkgroep Vertalers VvL, nr. 23, maart 2002)
Vandaag op de kalender van EnToen.Nu – De canon van Nederland:
3 maart 1945: De Britten bombarderen per ongeluk de Haagse woonwijk Bezuidenhout.
Over dat bombardement heb ik zojuist gelezen in het verhaal “Thomas en de cycloop” in de bundel Eb en vloed (1987), door F.B. Hotz:
[...] Op een ochtend in maart met vage voorjaarszon zaten de twee heren aan de ontbijttafel met surrogaatkoffie en een redelijk stukje brood van de zwarte markt. Ze kletsten over handelen en ruilen. Het was niet ongezellig en de oorlog leek gereduceerd tot een pikant gezelschapsspel waarmee voor intelligente lieden te rommelen viel. Maar Mars wierp die maskerade af. Dat de heren zo veel gruwelen geen plaats boden op netvlies of in hersencel was misschien ook té evenwichtig. Ze werden wakker geschud.
Een donderende slag, na wat geronk in de lucht, deed hun maag krimpen en de deur rammelen. Bij veeltonig gegier volgden nieuwe dreunen waarvan de zware meubels opsprongen. ‘Dat is niet veraf,’ riep Thomas en hij rende naar boven om op de logeerkamer uit het grote raam te kijken. Zijn vriend volgde spierwit.
Het was de ochtend van de derde maart en formaties Engelse vliegtuigen begonnen hun bommen boven het Bezuidenhout los te laten. Bij luchtstoten die het huis deden golven verdween een stadswijk in wat op een zonsverduistering leek. Thomas keek kalm van verbijstering toe door het raam dat een panorama op de ramp bood. Een vliegtuig leek recht op hem af te komen en hij dook snel weg van de trillende ruit. Toch zag hij nog juist de spits van het kerktorentje aan de Schenkkade tot een kleine wolk vervliegen, als was het een kerstartikel van geblazen glas. Bommen vielen nu als regen, en een grauwe menigte kwam met de snbelheid van een oliestroom de volle breedte van de Laan van Nieuw Oostindië vullen. Men rende blind het viaduct binnen. Een oude man stuwde een handkar met rukken vooruit. Voor de inhoud daarvan wendde Thomas de blik af.
Hij zag dat hij alleen was en liep de trap af. De Bree stond grauw in de gang. Thomas werd kwaad en schreeuwde boven het lawaai uit: ‘Ja ik blijf hier niet staan tot ik afgeslacht word. Neem me niet kwalijk, het komt mij te dicht bij.’ Hij verliet De Bree’s huis.
Hij was de enige buiten, hier achter de spoordijk, en hij koos een vreemde omweg naar huis. Het bombardement hield op en het werd doodstil. Thomas hoestte; gele rook kwam tussen huizen zonder ruiten te voorschijn. Zijn eigen straat was in takt en zijn huis stond er nog. De wijk achter zijn tuin brandde of was verdwenen. Thomas voelde zich vaag misselijk, als een kind dat een straatongeluk gezien heeft.
Maar twee dagen later zat hij alweer onderuitgezakt in een rookstoel bij zijn vriend. De heren klonken met een allerlaatste fles witte wijn op een Amerikaanse overwinning in Limburg. Venlo was bevrijd. Ze bekeken de commentaren in de krant op het Haagse bombardement. Er waren honderden doden.
[...]
Ook de andere verhalen in dit boek van Hotz vind ik erg goed.

Laat ik het nieuwe blogjaar beginnen met een foto van de letterlapjes uit een vorig logje, nu ingelijst. Ze hangen mooi aan een muur in een bovengang van ons huis.
Dan de foto hieronder. Die laat zien welke boeken ik in januari wil (uit-)lezen. Eens kijken of dat lukt! Het zijn:

Alexander McCall Smith: The world according to Bertie. Mooie titel, niet ? Een kerstcadeautje van een oud-collega.
F.B. Hotz: Eb en vloed. Een verhalenbundel, gekregen van een vriend.
Marghanita Laski: George Eliot and her world. Een cadeautje van mijn lief, gevonden in een antiquariaat. Veel illustraties.
Agneta Pleijel: Syster och bror. Zweedse historische roman.
Belcampo: De ideale dahlia. Verhalen, gekregen van een vriend.
Simon Vestdijk, Keerpunten. Bloemlezing novellen. Een bookcrossing-boek dat na lezing op reis gaat.
Twee boeken die ik de afgelopen tijd heb gelezen, hadden een onderwerp met elkaar gemeen: familierelaties. Wat is het toch dat verhoudingen tussen mensen uit één gezin zo speciaal maakt? Het gezin waarin je opgroeit, is je vertrouwd. Je groeit op, al dan niet met broers/zussen, bij je ouders. Met die mensen deel je je leven, vanaf de eerste dag van je bestaan. Het is zo vanzelfsprekend, en het lijkt alsof je ze van haver tot gort kent, en zij jou. Maar… Die vanzelfsprekende vertrouwdheid tussen gezinsleden kan veranderen. Ken je je ouders eigenlijk wel, of je broer of je zus? Wat houden ze voor jou verborgen? En wat weten zij van jou, van wat je denkt, van hoe je je vanbinnen voelt? Wat wil je dat zij van jou weten? De vertrouwdheid aan de ene kant, de vervreemding en beklemming aan de andere. De beklemming die het kan geven als gezinsleden zich met je bemoeien – of dat juist niet doen. De angst om achtergelaten te worden, de drang om weg te gaan en de anderen achter te laten. De vrees om te kwetsen, het schuldgevoel over gedane of ongedane zaken. Het is ingewikkeld.
Per Pettersson en Jhumpa Lahiri, de auteurs van de boeken die ik net heb gelezen, hebben er allebei fascinerend over geschreven.
In Paarden stelen van Per Pettersson gaat een oude man terug naar de omgeving waar hij als jongen met zijn vader een zomer heeft doorgebracht, ver van de stad, tussen bossen en rivieren in een dunbevolkte uithoek van Noorwegen. Die zomer was een fijne tijd van kameraadschap, maar in de terugblik van de man wordt duidelijk dat er ook verraad is gepleegd met verstrekkende gevolgen. Een prachtige roman.
—
Jhumpa Lahiri‘s Vreemd land bevat acht verhalen, waarvan de laatste drie bij elkaar horen. De verhalen gaan allemaal over Indiase migrantengezinnen in de VS. In zorgvuldig gekozen, bij vlagen ontroerende woorden onderzoekt Lahiri hoe de gezinsrelaties zich ontwikkelen en wat er zich in het innerlijk van de mensen afspeelt. Ik verwachtte verhalen met een duidelijk exotisch tintje, maar vond verrassend genoeg het tegendeel. De ervaringen en gedachten van Lahiri’s fictieve personen waren – dankzij Lahiri’s inzichten en de manier waarop ze die onder woorden brengt – juist heel begrijpelijk, invoelbaar en herkenbaar.Allebei zmb’s (zmb=zeer mooi boek).
Per Pettersson: Paarden stelen (Ut og stjaele hester). Vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar. De Geus, 2006.
Jhumpa Lahiri: Vreemd land (Unaccustomed Earth). Vertaald uit het Engels door Kees Kooman. Meulenhoff, 2008.
Vervolg Familie
“Neem vijf woorden:
-badhuis
-fanfare
-schaatsen
-ezelin
-woekerplant
Schrijf een goed verhaal waarin deze woorden voorkomen.”
Zou Paul Meeuws het zo hebben aangepakt? Dat was de gedachte die bij me opkwam na het lezen van Meeuws’ verhaal Badhuis in de sneeuw in de bloemlezing IJsvrij, samengesteld door Max Dohle. Hoe het ook zij, het is hem uitstekend gelukt; Meeuws krijgt van mij een goed cijfer voor zijn vreemde, maar sterke verhaal.
IJsvrij (een Ooievaarpocket uit 1997) bevat een mooie keuze aan schaatsverhalen uit de Nederlandse literatuur. Dankzij deze bloemlezing bezit ik nu een kleine parel uit de Nederlandse letterkunde: De schaatsentocht door Elizabeth Zernike. Na het lezen van een fragment uit deze korte roman in IJsvrij ben ik naar het boekje op zoek gegaan en heb een tweedehands exemplaar gevonden in een net bandje van Uitgeverij Querido uit 1942. Ik had zelfs nog nooit van Zernike gehoord, terwijl ze toch de eerste vrouw in Nederland was die een literaire prijs kreeg (de C.W. van der Hoogtprijs, in 1921, voor haar roman Een vrouw als zij).
De schaatsentocht gaat over de eenendertigjarige Corrie Tichelaar, die op een trieste huurkamer woont, werkloos is, alleenstaand, en depressief. Om wat afleiding te zoeken besluit ze op een koude winterdag een lange schaatstocht te maken en onderweg familie te bezoeken. De inspanning van het schaatsen doet haar goed, de ontmoeting met haar broers en hun gezinnen geeft haar veel om over na te denken.
Van zowel Meeuws als Zernike wil ik wel meer lezen.
Vervolg Schaatsverhalen
Begin mei van dit jaar is de Libris-Literatuurprijs toegekend aan D. Hooijer (1939) voor haar verhalenboek Sleur is een roofdier. Het dagblad Trouw publiceerde op 10 mei een interview met de schrijfster. Daarin stond onder meer:
De relaties die Hooijer beschrijft, tussen mannen en vrouwen, mannen en mannen, en vrouwen en vrouwen, zijn vaak minder definitief of voorbestemd dan de geliefden vermoeden. In haar verhalen is liefde een tijdverdrijf, een ruilobject, of een medicijn tegen eenzaamheid. [---] “Niemand is voor elkaar bestemd,” zegt ze, “en daarom kun je maar het beste heel lang getrouwd blijven. Sleur is een roofdier waaraan je niet ontsnapt door een relatie te verbreken. Hij achtervolgt je zolang je hem niet als een dompteur te lijf gaat.” [---] “De liefde der gewoonte is een hoge vorm van liefde. Daar moet je alleen even achter zien te komen.”
Het interview wekte mijn interesse, maar Hooijers verhalen zelf stelden me wat teleur. Hooijer heeft een aparte schrijftrant met haar zinnetjes die, kort en eenvoudig als ze zijn, toch nog onverwachte wendingen maken. De meeste personages hebben ook iets buitenissigs – ze heeft een lichte voorkeur voor circusfiguren, wat ook al in het citaat hierboven tot uiting komt. Toch had ik al snel het gevoel dat Hooijers stijl niet meer was dan een maniertje om een bijzondere indruk te maken. In het laatste verhaal, “Het gelaat van Ludmilla”, komen wel vijf personages afwisselend aan het woord, elk met zijn eigen perspectief zou je denken. Maar ook in dit verhaal kabbelde de tekst maar voort, ondiep water met korte golfjes op steeds dezelfde lichte deining. Sleur is een roofdier boeide me wel, maar niet lang genoeg.
D. Hooijer: Sleur is een roofdier. Uitg. G.A. van Oorschot 2007. 172 pp.

Uit een Deens tijdschrift (1894)
Geen idee van de context van dit plaatje, maar ik vind het leuk om naar te kijken. Waarover praten zij? En wat denkt het meisje?
Vervolg Een plaatje uit 1894
Meester in de hygiëne van Anton Valens bevat negen verhalen. De ik-verteller, Bonne, is student aan de kunstacademie en werkt als huishoudelijke hulp bij een Amsterdamse thuiszorg-organisatie. Hij voelt zich een mislukkeling, niet alleen wat zijn opleiding en talent betreft, maar ook in de liefde – de relatie met zijn vriendin Jeanet hapert nogal. In zijn werk als thuishulp heeft hij vaak wel plezier. Bonne interesseert zich voor de mensen bij wie hij werkt. En het schoonmaakwerk blijkt niet altijd vervelend.
Valens portretteert negen ouderen die dementerend, vervuild, praatziek of anderszins lastig in de omgang zijn. Hij beschrijft ze via de details die bij hun leven horen, met hun interieurs, hun kleding, de geuren van hun huizen, hun prullaria, hun kwaaltjes en hun gespreksonderwerpen. Het knappe is dat nergens aan de waardigheid van deze mensen wordt getornd - integendeel. Bonnes cliënten worden boeiende persoonlijkheden naargelang je hen leert kennen. Maar dat is maar een van de aspecten van dit boek die me aanspreken. Valens schrijft bijvoorbeeld ook zeer intrigerend over allerlei huishoudelijke karweitjes en daarbij beperkt hij zich niet tot praktische tips (waar ik ook blij mee ben, trouwens). Het verhaal over mevrouw Honcoop bijvoorbeeld begint zo:
Het mag bescheiden klinken, maar sommige van de gelukkigste en vreedzaamste momenten van mijn leven heb ik doorgebracht met ramen lappen. Ik heb het dan wel over de buitenboel. De binnenboel is minder spectaculair.
Ramen lappen is naar mijn mening een onderbelicht onderwerp in de lyriek. Sappho, Vergilius, Vondel, Kaváfis, Brodsky, je hoort ze er nooit over. Misschien hadden ze personeel. Ook in de grote romans komt ramen lappen er bekaaid af. Ik ken slechts één zin die ernaar verwijst: ‘Haar grinniken leek op het piepen dat een zeemleren lap teweegbrengt op een nat raam’, uit De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans.
Bij het lappen van mevrouw Honkoops ramen leeft Bonne zich helemaal uit. Op glas valt goed te schilderen met zeem en sop, Honkoops ramen spiegelen prachtige luchten en achter het glas doemen soms verrassende taferelen op.
Het was de vijfde dag van november, de kalender toonde een foto van een winderig Hollands landschap met een molen onder grijspurperen wolken. Buiten stormde het. Diagonale hagelbuien roffelden op het glas van de ramen. De ochtenden in de zachte zon tussen de stokrozen leken nu heel ver weg. ‘Wil je nú de ramen doen?’ ‘Nog éénmaal.’ En zie, mijn enthousiasme leek Honkoop zowaar te inspireren. Ze hees zich op, begon over de vitrages, dat het misschien de moeite zou lonen de vitrages voor de winter nog één keer te wassen. Het leek me onzin, maar om haar niet te ontmoedigen haalde ik de gordijntjes van de roe. Honkoop stelde voor dat ik een bak met water op een dweil in de voorkamer zou neerzetten, zodat ze zich ondanks haar handicaps nuttig kon maken door de vitrages zittend te spoelen.
Terwijl de regen weer aanzwol, leefde ik me uit op de drie glazen slaapkamerdeuren, in snelle staande vrouwenfiguren gebaseerd op mijn vriendin. De drie gratiën – Rubens was er niets bij. O, in de tuin van Honkoop had ik geen moeite met lijnen en proporties.
Ik leende dit boek uit de bibliotheek nadat ik deze (klik) recensie had gelezen. En inhoud en stijl van Meester in de hygiëne bevielen me zo goed dat ik het boek daarna zelf gekocht heb.
Anton Valens: Meester in de hygiëne. Uitg. Augustus, 2004. 285 pp.
Vervolg Meester in de hygiëne
 Willem Drost – Bathseba met de brief van koning David. 1654.
Ook een vertaler is in eerste instantie een argeloze lezer, die door een krachtig boek kan worden overvallen. Toen een uitgeverijredacteur mij jaren geleden vroeg of ik de roman Bat Seba van Torgny Lindgren zou willen vertalen, zei ik zonder aarzelen ja. Ik het het boek nog niet in handen gehad, maar ik kende Lindgrens eerdere roman De weg van de slang, een beklemmende vertelling, maar prachtig geschreven, en de verhalen in Lindgrens boek De schoonheid van Merab vond ik zo ongeveer het mooiste wat ik in jaren gelezen had. Lindgrens bijzondere stijl in combinatie met het bijbelse thema van David en Bathseba – ik verheugde me er bij voorbaat op daar mijn tanden in te kunnen zetten.
Ik kreeg Bat Seba mee naar huis, begon te lezen en kon het boek vervolgens niet meer wegleggen. Het viel met een enorme dreun in mijn bewustzijn, waar de vreugde over de vertaalopdracht plotseling onvindbaar was. De wreedheden, het huiveringwekkende godsgeloof, de beklemmende waarheid in het boek grepen me ontzettend aan. Ik nam het boek mee naar bed, las het uit en dacht: dit is te erg. Dit kan ik niet vertalen, hier kan ik niet maandenlang mee bezig zijn. Tot diep in de nacht lag ik te tobben of ik mezelf dit moest aandoen. Tegen de ochtend besloot ik dat dat niet hoefde. Ik schreef een briefje aan de redacteur met de mededeling dat Bat Seba een indrukwekkend boek was, maar dat ik tot mijn vreselijke spijt de vertaalopdracht moest teruggeven. Ik legde het briefje in het boek naast mijn bed. Gerustgesteld door mijn eigen besluitvaardigheid sliep ik onmiddellijk in.
Een paar uur later werd ik met een fris hoofd wakker. Mijn oog viel op het boek, op het briefje. Een gevoel van bevrijding. Helder zonlicht buiten; de brief lag klaar. Ik bladerde nog eens door het boek. Wat was het toch ongelooflijk goed geschreven. Hoe kwam ik er eigenlijk bij dat ik het niet aan zou kunnen dit schitterende verhaal te vertalen. Het vertaalmachientje in mijn hoofd stond al startklaar te zoemen; ik was vrij, ik hoefde alleen maar nog een keer een besluit te nemen en te beginnen. Ik gooide het briefje aan de redacteur in de prullenbak en begon.
Na de verschijning van Bathseba heb ik van Torgny Lindgren nog drie boeken vertaald:
In het water van Bonte Bladen (ook uitverkocht), Het licht (meermalen herdrukt) en Het ultieme recept (ook nog leverbaar). Momenteel werk ik aan de vertaling van een volgend boek van deze schrijver, mijn favoriet onder de moderne Zweedse auteurs.
Vervolg Besluitvaardigheid
Kijk, bosanemoontjes in Amersfoort. Ze bloeien onder grote bomen, nu de takken nog veel licht doorlaten. Op de plek waar ik de foto maakte, zijn er nog maar weinig plantjes vergeleken met een paar jaar geleden; ik hoop dat het er volgend jaar weer meer zijn.

Hieronder een landschap met bosanemonen door de Zweedse schilder Prins Eugen (1865-1947), vierde zoon van de oude Zweedse koning Oscar II en koningin Sophia.
Prins Eugen moest zijn kunstenaarsambities zien te combineren met zijn majesteitelijke plichten. De schrijver Torgny Lindgren heeft eens een zeer mooi verhaal geschreven waarin de prins incognito in een dorpspension logeerde en vriendschap sloot met een amateurschilder. Het staat in de door mij vertaalde verhalenbundel In het water van Bonte Bladen, verschenen in 2001 maar door de uitgever jammerlijk snel verramsjt. Je komt het boek zo af en toe nog wel eens tweedehands tegen.
Vervolg Bosanemoon in de stad
|
|
Alledaags heldendom  ...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Bookgrrls Galerie: Klik op het plaatje 
Uit het Rijksmuseum: (Elke dag een ander kunstwerk. Klik rechtsonder op het plaatje voor info.)
Kophieps’ weblog bevat ook overgenomen berichten van mijn vroegere blogs Kophieps 1-2-3 (t/m 20 dec. 2009) en Bert Ajour (t/m 8 juli 2007).
En voorts ben ik van mening… dat er een eind moet komen aan de bio-industrie.
|
Recente reacties