Kettinglezen (2)

Van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932).

Hjalmar Söderberg (1869-1941)

Maria von Platen (1871-1959)

Mijn tweede leesketting heeft als thema: de positie van de vrouw rond 1900. (Lees hier over mijn eerste leesketting.) Dat komt zo. Al vele jaren is de Zweed Hjalmar Söderberg (1869-1941) een favoriete schrijver van me. Hij schrijft zo mooi, en met zoveel verstand en subtiele mensenkennis en betrokkenheid bij de wereld. Daarbij spelen zijn romans en verhalen zich vrijwel allemaal af in mijn lievelingsstad Stockholm. Ik ben er heel trots op dat ik twee romans van Söderberg heb vertaald: Het ernstige spel, verschenen in 2003 en Dokter Glas, verschenen in 2004, allebei bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. (Van Dokter Glas was in de jaren zeventig al eens een vertaling verschenen – maar de mijne is beter ;-) ). Söderberg heeft zich bij het schrijven laten inspireren door een vrouw die een aantal jaren zijn grote liefde was. Zij heette Maria von Platen. Ze kwam uit een adellijke Zuid-Zweedse familie en was nog voor haar twintigste uitgehuwelijkt aan een veel oudere man. Maria von Platen was ongelukkig in haar huwelijk en verliet na enkele jaren haar echtgenoot en haar zoontje om zelfstandig in Stockholm te gaan wonen. Ze scheidde niet, ze ging niet werken – voor een jonge vrouw uit haar kringen was het destijds (rond 1900) onfatsoenlijk om een baan te hebben – en voor haar levensonderhoud was ze afhankelijk van haar ouders en andere familie. Breed had ze het in elk geval niet. In Stockholm kreeg Maria een verhouding met de schrijver Söderberg, en later ook nog met anderen uit literair-culturele kringen.

De affaire tussen Hjalmar Söderberg en Maria von Platen was een knipperlichtrelatie. Söderberg was ook getrouwd en had een gezin; zijn vrouw was psychisch labiel en hij vond niet dat hij zich van haar kon losmaken. Soms zagen Hjalmar en Maria elkaar maanden niet. Na herhaaldelijke conflicten, veroorzaakt doordat Maria affaires met andere mannen had, kwam er een einde aan hun verhouding.

Söderberg heeft deze vrouw, die hij diep en bitter had liefgehad, literair gestalte gegeven in verschillende personages van zijn romans en toneelstukken, ook nog toen de relatie met Maria al jaren uit was. Zowel in Dokter Glas als in Het ernstige spel is de vrouwelijke hoofdpersoon getrouwd met een veel oudere man, van wie zij zich wil losmaken. In Dokter Glas wordt de jonge vrouw nogal geïdealiseerd beschreven; in Het ernstige spel krijgt zij veel meer het negatieve stempel van een een mannenverleidster. Ook in de hoofdpersoon van Söderbergs toneelstuk Gertrud uit 1906, dat ook in Nederland nog altijd met enige regelmaat wordt opgevoerd, zijn duidelijke trekken te herkennen van de vrouw die van ongeveer 1900 tot 1906 Söderbergs geliefde en muze is geweest.

Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de manier waarop Söderberg morele kwesties aankaartte, de moraal van de samenleving bekritiseerde, en liet zien dat naar zijn mening mannen en vrouwen een heel verschillende kijk op de liefde/het huwelijk hebben. Neem nou Het ernstige spel. Opvallend in de literatuurkritiek over dat boek (de Zweedse uitgave verscheen in 1912) is dat veel (heren) recensenten de vrouwelijke hoofdpersoon zonder meer als fatale vrouw afserveerden, terwijl ze nauwelijks kritiek hadden op de mannelijke hoofdpersoon. Toch leeft die – hij heet Arvid -  wat liefde en huwelijk betreft minstens even immoreel als Lydia; je kunt hem nauwelijks een sympathieke romanheld noemen. Ik ben altijd benieuwd geweest naar het personage Lydia en naar háár kijk op de zaak. Het lastige maar ook interessante is dat door het vertelperspectief van Het ernstige spel Lydia zelf nauwelijks aan bod komt – de lezer wordt meegenomen in de gedachtenwereld van Arvid; het boek is vrijwel geheel geschreven vanuit het perspectief van Arvid. Wie zorgvuldig leest, moet echter tot de conclusie komen dat Arvid een personage is met sterke vooroordelen jegens vrouwen. Ik geloof dat Söderberg door vanuit Arvids perspectief te schrijven de man (indirect) bekritiseert, wat een mildere interpretatie van Lydia mogelijk maakt.

We mogen natuurlijk geen “is-gelijk-teken” zetten tussen de fictieve wereld van de romans en de werkelijkheid van Hjalmar Söderberg en Maria von Platen. De échte Maria, de vrouw achter de romanpersonages, heeft me wel altijd geïntrigeerd; zij leek mij een bijzonder, boeiend mens. Nu kreeg ik een paar maanden geleden een biografie van Maria von Platen in handen, geschreven door Kurt Mälarstedt en uitgegeven in 2006. Die biografie is uitgangspunt geworden van mijn tweede leesketting. Al het bovenstaande is dus eigenlijk alleen maar een inleiding.

Het grappige is nu dat fictie en werkelijkheid voor mij toch een beetje met elkaar vermengd bleken te zijn geraakt. Want de vrouw wier leven in de biografie werd beschreven, stelde me eigenlijk een beetje teleur, terwijl de fictieve dames zo boeiend waren! Nu is/was er maar weinig bekend over Maria von Platen. Zij heeft er haar leven lang voor gezorgd niet in de publiciteit te komen.  Vrijwel al haar correspondentie vernietigde ze meteen. Hjalmar Söderberg is trouwens ook altijd discreet over haar geweest. (Niettemin herkende ze natuurlijk trekken van zichzelf in zijn fictieve personages en daar is ze destijds heel boos over geweest.) Kurt Mälarstedt lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om gegevens over Maria von Platen te verzamelen en hij vertelt ook het een en ander over haar familie, haar zoon, over haar verhoudingen met andere mannen (o.a. de literator en filosoof John Landquist), over haar vegetarisme en haar feminisme. Hij laat zien hoe ze probeerde zich diverse artistieke vaardigheden eigen te maken, in de hoop daarmee wat geld te kunnen verdienen. Dat lukte haar niet. Mälarstedt voert daar diverse excuses voor aan, maar ik krijg de indruk dat ze eigenlijk gewoon niet genoeg artistiek talent had. Ze verhuisde op een gegeven moment naar een provinciestad en leefde daar teruggetrokken tot aan haar dood. Dat was het dan. Een interessante vrouw, dat wel, maar niet zo interessant als ik – gevoed door Söderbergs fictie – had gedacht.

Na lezing van de biografie bleef ik over enkele vragen nadenken. Bijvoorbeeld: waarom scheidde Maria von Platen niet van haar eerste man? En waarom liet zij haar zoontje bij die man achter, toen ze naar Stockholm vertrok? Was het liefdeloosheid, of wilde haar man het zo? Had het iets te maken hebben met haar positie als vrouw? Daar wilde ik graag nog het een en ander over lezen. Daarover in een volgend logje.

Hjalmar Söderberg: Dokter Glas. Vertaald door Bertie van der Meij.  Uitg. Wereldbibliotheek, 1e druk 2004, 2e druk 2009. 175 blz.

Hjalmar Söderberg: Het ernstige spel. Vertaald door Bertie van der Meij.  Uitg. Wereldbibliotheek, 2003. 220 blz.

Kurt Mälarstedt: Ett liv på egna villkor – om Maria von Platen. Stockholm, Wahlström & Widstrand, 2006. 231 blz.

Julian Barnes: Nothing to be frightened of

Ik dacht dat Nothing to be frightened of een boek over doodgaan was. Dat is het óók wel, het gaat in elk geval deels ook over de laatste levensfase van de mens met de aftakeling die daar veelal bij hoort. Barnes bespreekt bijvoorbeeld ouderdom en sterven van zijn ouders, en hoe hij daar tegenaankeek en hoe zij zich eronder hielden. Maar sterven is niet het hoofdthema van het boek. Barnes’ belangrijkste onderwerp is niet doodgaan, maar dood zijn. De dood, dood zijn, is voor Barnes het grote Niets. De titel Nothing to be frightened of moeten we dan ook dubbelzinnig opvatten: de dood is niets om bang voor te zijn, maar ook het Niets, waar wij bang voor zijn.

Barnes zelf is inderdaad heel bang voor het Niets. In dit autobiografische boek gaat hij te rade bij allerlei mensen in heden en verleden, op zoek naar manieren om van die vrees af te komen of die te leren hanteren. Een voor de hand liggende manier is het geloof in God en in een hiernamaals. Een van de mensen die Barnes bevraagt, is zijn eigen broer. Die broer is filosoof en atheist,  en hij maakt zich geen enkele illusie over een leven na de dood. Zijn leven zal eindigen met de dood en hij heeft daar op stoicijnse manier vrede mee.

Anders dan zijn broer weet Julian Barnes niet zeker of hij zichzelf atheist of agnost of nog iets anders wil noemen. Hij zegt:  ’Ik geloof niet in God. Maar ik mis hem wel.’ Barnes wijdt een groot deel van zijn boek aan dit gevoel van gemis. Blijkbaar heeft het veel te maken met zijn angst voor het grote Niets. Hij zou zo graag willen dat er toch Iets was. Want waar moet de mens anders de zin van het leven vinden, als het waar is dat er na de dood Niets is? Barnes gaat op zoek naar iets om de lege plek te vullen, op zoek in de filosofie, in de literatuur, in de wetenschap en in de kunst. Zonder resultaat, uiteindelijk. Hij blijft een onrustige zoeker, troosteloos bij het vooruitzicht van het grote niets.

Barnes schrijft het allemaal mooi op, soms aangrijpend maar ook met voldoende humor. Wat hij over zijn ouders en over zijn opvoeding schrijft, is leuk en interessant om te lezen. Uit de gesprekken met zijn broer blijkt dat ze beiden heel verschillende herinneringen hebben. Wat wel en niet waar is, daar is niet meer achter te komen. De stukken van Barnes over hoe allerlei schrijvers, musici en andere kunstenaars zich verhielden tot de dood zijn fascinerend. Hij verdiept zich zelfs in de motieven van mensen die zich laten invriezen op hoop van leven na ontdooiing in de toekomst. Nothing to be frightened of geeft heel wat te denken en is daarbij ontzettend goed geschreven. Toch werd ik zo nu en dan een tikje ongeduldig van dit boek. Ik kan me wat betreft dood en religie namelijk goed identificeren met Julian Barnes’ broer; beter dan met Julian zelf. Er is geen God en ik mis hem ook niet. De dood is onvermijdelijk. En er is niets na de dood. De mens is stof en tot stof zal hij wederkeren. Een lijk raakt in ontbinding en wordt weer aarde. Ik vind het geen prettige gedachte dat die ontbinding langer duurt dan natuurlijk is, daarom zou ik persoonlijk liever in een kartonnen doos dan in een kist begraven willen worden. Maar dat is in feite een kwestie waarover mijn nabestaanden beter kunnen beslissen – eenmaal dood heb ikzelf nergens meer last of gemak van. Nee, het dood zijn jaagt me geen angst aan en het grote Niets van Barnes houdt me dan ook niet zo bezig. Doodgaan is iets heel anders. Sterven is afscheid nemen voor alle betrokkenen, voor de stervende zelf maar ook voor degenen die blijven leven. Dat is moeilijk. Ook daar heb ik net een boek over gelezen: De grote zaal, van Jacoba van Velde. Daarover, en wie weet ook over de zin van het leven, een volgende keer.

Do we create art in order to defeat, or at least defy, death? To transcend it, to put it in its place? You may take my body, you may take all the squidgy stuff inside my skull where lurks whatever lucidity and imagination I possess, but you cannot take away what I have done with them. Is that our subtext and our motivation? Most probably — though sub specie aeternitatis (or even the view of a millennium or two) it’s pretty daft. Those proud lines of Gautier’s I was once so attracted to — everything passes, except art in its robustness; kings die, but sovereign poetry lasts longer than bronze — now read as adolescent consolation. Tastes change; truths become clichés; whole art forms disappear. Even the greatest art’s triumph over death is risibly temporary. A novelist might hope for another generation of readers — two or three if lucky — which may feel like a scorning of death; but it’s really just scratching on the wall of the condemned cell. We do it to say: I was here too.
(blz. 200-201)

Julian Barnes: Nothing to be frightened of. 2008. 243 pp.
De Nederlandse vertaling heet Niets te vrezen en is verschenen bij uitg. Atlas, ook in 2008.

Volwassen worden volgens Julian Barnes

Toen ik een jongen was, leek het onmogelijk ooit het stadium van volwassenheid te betreden — volwassen-zijn was een mengsel van onbereikbare competenties en niet bepaald benijdenswaardige angsten (pensioenen, kunstgebitten, pedicures); en toch brak dat stadium aan, al gaf het van binnen een ander gevoel dan het van buitenaf leek. Een prestatie was het blijkbaar ook al niet om volwassen te zijn. Het voelde eerder aan als een samenzwering: ik doe net alsof jij volwassen bent, maar dan moet jij net doen alsof ik het ben.

When I was a boy, adulthood seemed an inaccessible condition – a mixture of unattainable competences and unenviable anxieties (pensions, dentures, chiropodists); and yet it arrived, though it did not feel from within how it looked from without. Nor did it seem like an achievement. Rather, it felt like a conspiracy: I’ll pretend that you’re grown up if you pretend that I am.

(Julian Barnes: Nothing to Be Frightened Of. 2008. Blz. 186. Het eerste hoofdstuk van dit boek is online te lezen op de New York Times website.)

Twee lijstjes. En nog een.

letterlapjes-ingelijst1
Laat ik het nieuwe blogjaar beginnen met een foto van de letterlapjes uit een vorig logje, nu ingelijst. Ze hangen mooi aan een muur in een bovengang van ons huis.

Dan de foto hieronder. Die laat zien welke boeken ik in januari wil (uit-)lezen. Eens kijken of dat lukt! Het zijn:

Div.jan2009

Alexander McCall Smith: The world according to Bertie. Mooie titel, niet :-D ? Een kerstcadeautje van een oud-collega.

F.B. Hotz: Eb en vloed. Een verhalenbundel, gekregen van een vriend.

Marghanita Laski: George Eliot and her world. Een cadeautje van mijn lief, gevonden in een antiquariaat. Veel illustraties.

Agneta Pleijel: Syster och bror. Zweedse historische roman.

Belcampo: De ideale dahlia. Verhalen, gekregen van een vriend.

Simon Vestdijk, Keerpunten. Bloemlezing novellen. Een bookcrossing-boek dat na lezing op reis gaat.

Eén ei

Orwell in Marokko

Orwell in Marokko

4 nov. ’38: “Eén ei.”
5 nov. ’38: “Eén ei.”

De dagboekaantekeningen die George Orwell maakte in Marokko, waar hij in 1938 woonde met een paar geiten en kippen, zijn vaak heel minimaal. Ik heb zelf ooit een paar kippen gehad en misschien vind ik daarom zo’n notitie juist grappig. Hoeveel zijn het er vandaag? – die spanning herken ik.
Wie Orwells dagboek te saai vindt, kan zich in elk geval amuseren met de lezersreacties op het weblog van de Orwell Diaries.

Vervolg Eén ei

Brigitte Ars: Hoe wikkel je een sari om

saribrigittearsBrigitte Ars is freelance journaliste en heeft antropologie en sociologie gestudeerd. Dit autobiografische boek – over haar huwelijk met een Indiase jongeman en over haar verblijf in India – wordt gekenmerkt door een antropologische en een sociologische manier van kijken en dat maakt het heel boeiend. De schrijfster had als jonge rugzaktoeriste niet uitsluitend plezierige ervaringen in India. Wanneer ze, allang weer thuis, een relatie krijgt met een leuke jonge Indiër, reist ze met hem naar zijn vaderland om kennis te maken met zijn familie en later nog eens om daar met hem in het huwelijk te treden (buiten de grenzen van India woonde ze allang met hem samen). Samen met haar man verblijft ze lange tijd in Bangalore. Weliswaar is dat een grote wereldstad, maar de oude tradities zijn er nog sterk. Ars ondervindt aan den lijve dat wie met een Indiase man trouwt, ook met zijn familie, religie en cultuur trouwt. En dat is niet gemakkelijk. De vraag is steeds: (in hoeverre) moet ze zich aanpassen? Ze bouwt haar verhaal goed op, in thematische hoofdstukken, waardoor je geleidelijk aan vertrouwd raakt met de problemen die zo’n interculturele relatie kan geven, en tegelijkertijd op een evenwichtige manier kennismaakt met de Indiase samenleving en cultuur. Ze vertelt daarbij leuke details, bv. hoe haar Europese haardos dagenlang vettig en slierterig blijft van een oliemassage, terwijl het haar van Indiase vrouwen er juist zo mooi van wordt. Door het hele boek heen blijkt duidelijk dat Ars veel genegenheid voelt voor haar schoonfamilie en dat dat wederkerig is – gelukkig maar, want anders zouden de conflicten waarschijnlijk snel hoog oplopen. Hoe wikkel je een sari om laat zien dat alle partijen flexibel moeten zijn om een droevige afloop te voorkomen. Misschien nog belangrijker is dat het boek je niet alleen informeert over een samenleving die behoorlijk anders in elkaar steekt dan de onze – Ars laat je ook kennismaken met individuele Indiërs, voor wie je je gaat interesseren en die je gaat waarderen.

Brigitte Ars: Hoe wikkel je een sari om. Een Nederlandse vrouw in India. Uitg. Atlas, 2007. 237 blz.

Helden en heldinnen

overeema_1Ineens besef ik dat het een verzameling aan het worden is, de fotoboeken en losse foto’s die ik bezit van wat ik maar mijn alledaagse helden en heldinnen zal noemen. Een paar jaar geleden kocht ik Beschouw ons maar als een uitzondering, een boek met foto’s van Brand Overeem en tekst van Arjeh Kalmann. Ik kan helemaal van mijn stuk raken als ik sommige foto’s zie. Ongeveer zoals ik van mijn stuk kan raken van beschrijvingen van personages in bijvoorbeeld de boeken van Maarten ‘t Hart. Ze zijn vaak al oud, hebben een eigenaardig geloof en eigenaardige karaktertrekken. Ze zijn niet onvriendelijk maar wel halsstarrig. Ik voel me heel anders dan zij en toch zijn ze me vertrouwd. Ze geven me het sterke gevoel dat zij ondanks alles ‘mijn soort mensen’ zijn.

Vorige week kwam ik een nieuw boek met foto’s van Brand Overeem tegen: Mariahoeve: Drie gezusters en de strijd om het bestaan, over Geertje, Steventje en Maria die na de dood van hun ouders en broer jarenlang, tot het eind van hun leven, hun kleine boerenbedrijfje in de buurt van Putten gaande hielden. Brand Overeem bezocht hen de afgelopen vijfentwintig jaar geregeld en heeft in dit boek hun sobere maar werkzame leven indrukwekkend en integer gedocumenteerd. De drie zusters runden hun boerderij op ouderwetse wijze, ze leefden zonder enige luxe. Op grond van hun geloof in Gods voorzienigheid weigerden ze zelfs AOW. De laatste van de drie zusters stierf begin 2003 op 90-jarige leeftijd.

overeembDeze fotoboeken passen goed bij enkele van de oude familiefoto’s die mijn jongste broer op een cd heeft gezet. En bij sommige foto’s die ik uit kranten en tijdschriften heb geknipt. Bij de foto die ik van fotografe Marianne Ahrne kreeg, van een oude vrouw in Mongolië die een yakkalf de fles geeft. Bij het fotoboek van Sune Jonsson dat H. gisteren voor me meebracht uit Zweden. Enzovoort. Zoals ik al zei is het een verzameling aan het worden. Wat ik zo vertrouwd vind aan de foto’s dat zijn de houdingen, de lichamen in hun werkkleding, de werkzaamheden. Het is heel gemakkelijk om daar de bewegingen, de geuren en de geluiden bij te denken en me daarbij thuis te voelen. Zulke foto’s van zulke mensen maken bij mij kennelijk diepe herinneringen en gevoelens wakker.
Zo af en toe zal ik hier een foto uit de verzameling plaatsen.

Brand Overeem, Arjeh Kalmann: Beschouw ons maar als een uitzondering. Uitg. De Fontein, 1999. 240 blz.
Brand Overeem, Bert Paasman: Mariahoeve. Drie gezusters en de strijd om het bestaan.  Uitg. De Fontein, 2007. 240 blz.

Terug

beautyofbathEen paar weken hard gewerkt en vervolgens een paar weken lui geweest. En nu is het zaak het juiste midden te hervinden. Eerst een paar leuke tips: Sedert afgelopen zaterdag worden op de weblog The Orwell Diaries de aantekeningen gepubliceerd die George Orwell precies zeventig jaar geleden in zijn dagboek maakte. Met nu en dan een boeiende toelichting of een link. Zo leerde ik vandaag iets over de appelsoort Beauty of Bath.

Tip twee: sinds enige tijd ben ik geabonneerd op de dagelijkse mails van A Word A Day. Ben je een liefhebber van (bijzondere) woorden, woordspelletjes, taal en literatuur, dan is dit misschien ook iets voor jou. Je krijgt iedere dag een korte uitleg over betekenis, uitspraak, etymologie en gebruik van een bijzonder Engels woord. Plus een mooi citaat, als extraatje.

Vervolg Terug

Braziliaanse brieven

willemsenbrbrievenAugust Willemsen (Martinus Nijhoffprijs 1983) kende en waardeerde ik tot voor kort alleen vanwege zijn prachtige vertalingen, o.a. van de Portugese dichter Pessoa. Ik had Willemsens Braziliaanse brieven te leen gekregen, maar dat Privé-Domeinbandje was lang ongelezen in de kast blijven staan. Mijn belangstelling voor Brazilië is altijd kinderlijk beperkt geweest tot het leven van de indianenvolken daar. Mijn favoriete jeugdboek (Taowaki door E. Wustmann) gaat over indianen in het Braziliaanse oerwoud. Vanwege Taowaki heb ik ook de antropologische studie Yanomamö door Napoleon Chagnon geboeid gelezen. Als ik had gedacht dat Willemsen in Braziliaanse brieven over indianen had geschreven, zou ik zijn boek waarschijnlijk veel eerder hebben ingezien. Nu sloeg ik het pas voor het eerst open na het bericht van Willemsens overlijden, eind november vorig jaar. En pas nu weet ik dat hij niet alleen een getalenteerd vertaler was, maar ook een zeer goed schrijver.

Heb ik door deze brieven meer belangstelling gekregen voor Brazilië, draag ik het land een warmer hart toe dan tevoren? Nee, dat niet, al ben ik natuurlijk wel meer over het land te weten gekomen dan het weinige dat ik wist. Willemsens correspondentiepartner Paul (wiens brieven niet zijn opgenomen) vond kennelijk eens dat Willemsen te weinig relevante informatie over Brazilië gaf in de brieven. Voor dergelijke informatie verwijst Willemsen hem echter naar de stukjes die hij voor tijdschriften schrijft: “Die stukjes bevatten typische krante-onderwerpen. [Ze] handelen dus over het ‘Brazilië’ dat je opnieuw zegt in mijn brieven te missen. Of ze overal geschreven hadden kunnen worden, zoals je beweert, weet ik niet. Daarvoor zou ik eerst overal geweest moeten zijn, terwijl ik juist weinig buiten de deur kom.” Ook schrijft hij: “Wat er echt toe doet komt in brieven.”

Toch zijn er af en toe brieven die zowaar een beschrijving van Brazilië blijken te zijn, zoals die van 10 maart 1968. Daarin doet Willemsen verslag van een tocht per trein van São Paulo, via Anápolis, Brasilia en Patos naar Pirapora, vandaar per boot over de rivier de São Francisco – een vaartocht van een week -, vervolgens liftend naar Bahia en opnieuw per trein naar Rio de Janeiro, alwaar de boot terug naar Nederland klaarligt voor vertrek. Willemsen is het eerste verslag van deze reis kwijtgeraakt, vijftig velletjes tekst, “het enige interessante van dit hele jaar Brazilië”, en daarom maakt hij in een brief van negentien bladzijden (“schrijven dus, voor ik alles vergeet”) nog eens een snelle samenvatting van die reis. Wat beleeft hij dan zoal? Dit, bijvoorbeeld: “Het verwarrende was dat we langzaamaan begrepen dat we in een vreemde wereld waren, die helemaal niet vreemd léék. Geen indianen of folkloristisch opgetuigde zonderlingen, nee, gewoon mensen in spijkerbroeken en hemden, op sandalen of blote voeten, die verstaanbaar Portugees spraken en met wie het goed lachen was – en dat ging zo maar door, kilometers en kilometers en kilometers.”

augustwillemsen_1Willemsen verbleef vrij vaak op één plek – in 1967-1968 in São Paulo met vriendin Mieke, in 1973 voornamelijk in Bahia met partner Noortje, en in 1984 in Bahia en Rio, zonder metgezel. En vermoedelijk omdat hij inderdaad “weinig buiten de deur” kwam, waren zijn brieven vanzelf tamelijk introspectief. De lezer raakt zo sterker betrokken bij de manier waarop Willemsen de wereld waarin hij woont beschouwt, dan bij die wereld zelf. Voor mij maakte dat de brieven alleen maar interessanter. Al lezend kwam ik erachter dat Willemsen een zeer sympathieke, boeiende man was, die ook nog eens verschrikkelijk mooi kon schrijven. Ik heb het boek dan ook achter elkaar uitgelezen. Het bookcrossing-boek dat ik te leen had, ga ik doorgeven aan anderen. Gelukkig heb ik onlangs een eigen exemplaar – de eerste druk nog wel, uit 1985 – voor een paar euro antiquarisch kunnen kopen.

August Willemsen: Braziliaanse brieven. De Arbeiderspers, 6e druk, 1988. Privé-Domein, nr. 109. 275 blz.

De gelukkige klas

theothijssen“Het is dwaas, het is dom, het is ondoelmatig, het is zonderling, maar ik heb weer behoefte om zo af en toe met mezelf geheel alléén te zijn, en me een ogenblik of wat te konsentreren op beschouwing van dat wonderlijke dagelijkse werk van me: en eigenlijk geloof ik, dat het opleven van deze behoefte voortkomt uit een zeker wraakgevoel.”

“M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar een ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens, hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen.”

Uit: De gelukkige klas (1926), door Theo Thijssen (1879-1943)

Leden van de Openbare Bibliotheek kunnen tussen vrijdag 19 oktober en vrijdag 16 november 2007 gratis een nieuwe pocketeditie van dit boek  bij de bibliotheek ophalen – zolang de voorraad strekt. Dit in het kader van de campagne Nederland Leest van de Stichting CPNB. In de boekhandel zal een luxe gebonden uitgave te koop zijn.

Archief

Subscribe to posts

  by     or  

Boeken — Bezig in:



Pas uitgelezen:





‘n Paar tientjes over?