Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom
ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom
toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom
en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.
Op YouTube staan leuke poëzieanimaties. Dat is een uitkomst voor Kophieps, die geen tijd heeft om te bloggen, hard werkt om een deadline te halen (1 juli) en alle twijfels voor zich uit schuift tot ze zich vanzelf oplossen .
Voor een zomerse stemming: een ondeugend Zweeds liedje uit de 18e eeuw door Carl Michael Bellman (1740-1795). De vertaling hieronder is van mij en is ook in dit boek te vinden. Ik heb er een YouTube-clipje bij geplaatst met een sfeervolle Zweedstalige uitvoering door drie mannenstemmen.
Emants is uitgenodigd bij een huisconcert met canto flamenco. De gastvrouw is de sterzangeres van de avond en wekt veel geestdrift bij de heren. Emants beschrijft het geheel met de droge humor van de buitenstaander.
Vooral drie der jongere heren waren vermakelijk in hun enthousiasme. De blonde – die de gitaar tokkelde – staarde de zangeres met zulk een zielsverrukking in de ogen, dat een schilder van heiligen en musicerende engelen hem ongetwijfeld in zijn schetsboek had opgenomen. Een kleine donkere, wiens gelaat minder uitdrukkingsvol was, trachtte door het uitrekken van zijn hals te vergoeden wat aan de bewegelijkheid van zijn trekken ontbrak en stootte, midden onder het gezang, een paar olé’s uit die zijn gehele lichaam deden schokken. De derde eindelijk, een lange, bijzonder magere en bijzonder zwarte, die de novia [aanstaande bruid] met welke hij elke avond de kalkoen plukte, ontrouw was geworden ter wille van Carmens gezang en wiens grote uitpuilende ogen reeds in gewone toestand sterke opgewondenheid uitdrukten, kreeg onder het zingen het voorkomen van een lachende waanzinnige en bracht de herhaalde olé’s zó onverwacht te voorschijn, dat zijn buurman (de ondergetekende) nu en dan van schrik bijna omhoog sprong.
Hieronder een paar van de gezongen coupletten in Emants vertaling. Ik vind het merkwaardig aansprekende poëzie:
Uw liefde is als een stier,
Die gaat, waarheen men hem lokt.
De mijne is als een steen,
Die bluft, alwaar men hem legt.
Ik, die wenende ben geboren,
Wil al zingende grafwaarts gaan;
Zo zal al het leed der wereld
Niet mijn enig aandeel zijn.
De straten werden voor mij gesloten,
De hemel werd voor mij bewolkt,
De dag, toen gij mij durfde zeggen:
Alreeds is onze liefde dood.
Ge hebt mij begeerd en ge hebt mij vergeten;
Nu keert ge terug en begeert mij weer;
Een schoen die ik eens heb weggeworpen,
Die trek ik naderhand niet meer aan.
Wanneer ik in de doodsstrijd lig,
Kom dan, en plaats u bij mijn kussen;
Richt in mijn ogen vast uw blik,
Wie weet of ‘k dan nog wel kan sterven.
Marcellus Emants: Schetsen uit Spanje. Herdruk. Menken Kasander en Wigman Uitgevers, 2004. 249 blz.
Verzen van Hélène Swarth (1859-1941) vind ik doorgaans te aanbidderig en woordkunstig. Maar vandaag stuurde Laurens Jz. Coster me onderstaand gedicht, en alleen al de aanhef maakte me vrolijk. Wie zal ik vandaag eens zo begroeten…
O godeknaap
O godeknaap! o zonneblonde April!
Ik hoor uw kloppen aan mijn vensterruit
En ‘t fladdren van uw blauwen mantel! Fluit
Uw merelzang en wek mijn levenswil,
Die grijzen winter weerloos viel ten buit.
Aromige jacinth, violen pril,
Jonquillegoud en vlam van amaryl,
Strooi al uw bloemen vroolijk voor mij uit.
Raak met uw loover-tooverstaf mij, laat
Me u lang in ‘t blauw van de oogen zien, vertel
Me een oud verhaal, waarbij ik weenen moet.
O laat me uw lokken streelen, uw gelaat
Bedonzen met mijn liefde als vroeger wel
En zoen mij weer en geef mij levensmoed.
Een copla (Spaans vierregelig vers) in vertaling van Hendrik de Vries:
Ik hoorde van een priester:
‘Jij bent rank als een anjelier.’
Ik zei: ‘Eerwaarde vader.
Dat staat zeker niet in ‘t brevier’…
Dit vers over een kennelijk immer actuele kwestie is te vinden in hoofdstuk V van: J.D.P. Warners, Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1947. (Nieuw in de DBNL.)
Hendrik de Vries vertelde over de copla (een zeer oude vorm van volkspoëzie) dat men zowel in Aragon als in Andalusië gewoon is eerst de tweede regel te zingen, daarna de gehele copla en tot slot òf de slotregel, òf een andere te herhalen.
Trouwe lezers van dit blog weten dat ik een tijd geleden belangstelling heb opgevat voor kousen met klinken. Wie nog niet weet wat dat zijn, verwijs ik naar o.a. dit blogbericht.
De afgelopen dagen ben ik twee keer kousen met klinken tegengekomen. Eén keer via het Rijksmuseumwidget (zie de linker zijkolom van dit blog). Twee dagen geleden was daar een 18e-eeuwse tekening te zien van een groepje mensen dat zwierig gekleed was naar de mode van die tijd. Toen ik doorklikte, kreeg ik de tekening niet alleen mooi in detail te zien – er werd ook doorverwezen naar een schilderij van Cornelis Troost (1697-1750) uit de museumcollectie. Dat was eveneens een groepsportret: tien regenten van het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam zitten bepoederd en bepruikt in hun beste pak op een soort podium. Ze dragen zo te zien fluweel, brokaat, laken en zijde, met kant en veren, frivole sjaaltjes, glanzende kousen en glimmende schoenen met gespen. (Waarom is de mannenmode van tegenwoordig toch zo saai?) Rechts onder aan het podium staat een arme weesjongen afgebeeld, als illustratie van de functie die de fraai uitgedoste, hanige mannen bekleden. Kijk zelf maar eens. Mooie mannenbenen zie je niet elke dag (misschien zou ik wat vaker naar de Olympische schaatsers moeten kijken ). Ik klikte dan ook gauw op het plaatje van het schilderij om het te vergroten. En wat zag ik? Een kous met een klink!
Hierboven ziet u de benen klink uitvergroot. Zo te zien is-ie geborduurd met goud- of zilverdraad.
Het tweede paar kousen met klinken van deze week kwam ik tegen in Bulletin 1 (2010) van de vereniging met de onpraktische naam NVKKMS. Op blz. 5 van het bulletin staat een een grappig liedje uit eind 18e eeuw afgedrukt, de Klagten van incroijable Mietje, aan haar Moeder, over het dragen, van haar oude Mode Kleeren.
Het “incroijable” meisje Mietje weet precies wat ze moet dragen om “erbij te horen” en zeurt haar moeder de oren van het hoofd:
…
Moeder dat ‘k een paar schoenen had,
Met van die lange scherpe bekken,
Al de Jonkmans in de Stad,
En zouden met my niet gekken,
En een paar kousen naar den tryn,
Groen of blouw zo men ziet draagen,
Als ‘er maar schoon klinken in zyn,
‘k Zou na ‘t couleur dan nog niet vragen.
…
In het liedje komen nog allerlei andere trendy kledingstukken en accessoires aan bod. De volledige tekst van het liedje staat ook online, hier in de DBNL.
Om de zingbaarheid van de gedichten van Ida Gerhardt zo groot mogelijk te maken, zijn deze in het Duits vertaald.
Bovenstaande zin staat in de informatietekst bij de muziekvoorstelling Kwam een vogel gevlogen…: verhalen over vogels in nieuwe composities van Bart Visman en David Dramm, in gedichten van Ida Gerhardt, en in prozateksten van Cherry Duyns. De voorstelling is bedoeld als “een lofrede maar vooral een lofzang op vogels die in alle tijden en in alle culturen zo bezield tot de verbeelding van mensen hebben gesproken”. In april a.s. is de voorstelling nog bij te wonen in Rotterdam, Enschede en Utrecht.
Een paar weken geleden las ik een interview met componist Bart Visman; een artikel dat ik helaas niet meer kan terugvinden. Stond het misschien in de VPRO-Gids? Enfin. Er stond in dat Visman bij Gerhardts vogelgedichten muziek wilde componeren volgens de Duitse liederentraditie (denk bijvoorbeeld aan Schubert), en dat de Nederlandse taal ongeschikt is om dergelijke liederen in te zingen. Daarom had hij de gedichten van Gerhardt in het Duits laten vertalen en was met die Duitse teksten vervolgens aan het componeren gegaan. Als gevolg daarvan zitten wij straks in Nederlandse muziektheaters te luisteren naar muziek van een Nederlandse componist bij poëzie van een Nederlandse dichteres – maar de teksten zijn Duits.
Visman noemde nog een tweede voorbeeld van Nederlandstalige poëzie die niet op muziek gezet zou kunnen worden: de sonnetten van Jacques Perk. U weet wel, die dichter van “Ik ben geboren uit zonnegloren / En een zucht van de ziedende zee”, regels uit een van de liefdessonnetten die Perk schreef voor zijn geliefde Joanna C. Blancke. Volgens Visman práchtige gedichten, dat wel. Maar de solist die uit volle borst “O Joanna!” door de concertzaal zou laten klinken, zou zich belachelijk maken, volgens Visman. Zoiets zou je volgens hem alleen maar in Italiaanse opera’s kunnen zingen.
Eén ding weet ik nu al. Als deze componist meent wat hij zegt, heeft hij, ten eerste, geen benul van de muzikaliteit in de gedichten van Ida Gerhardt (de oorspronkelijke gedichten, niet de vertalingen), iets waarmee hij haar werk zeer tekort doet. Ten tweede onderschat hij de muzikale mogelijkheden van de Nederlandse taal. Ten derde doet hij ook Jacques Perk ernstig tekort door te menen dat diens sonnetten niet in een opera-uitvoering zouden passen. Neem nu die ziedende zee, die zou het juist prachtig doen in een opera! O Joanna! Ik hoor de branding bruisen! Het god’lijk leven gloeit in mijn gemoed! Er is geen enkele reden waarom dat wel in het Italiaans zou kunnen en niet in het Nederlands.
Gerhardts gedichten en de Duitse vertalingen zijn hier (klik) te lezen. Daar staat ook dat Visman zijn liedcomposities werkelijk op de Duitse teksten heeft gebaseerd. Ik heb de teksten nog niet grondig bestudeerd, maar ik kan zo al zien dat de Duitse en de oorspronkelijke teksten niet zonder meer met dezelfde muziek te gebruiken zijn. Dit vind ik een stap achteruit voor de Nederlandse liedcultuur. Heel, heel jammer voor de poëzie van Gerhardt. Heel, heel jammer voor de ontwikkeling van de Nederlandse muziek.
Ida Gerhardt (1905-1997)
De aanstoot door Ida Gerhardt
Hamer, kleine bonte specht;
stoot uw snavel op de stammen.
In dit bos van molm en zwammen
klinkt uw hard geluid oprecht.
Hamer in het gistend woud –
In mijn hart en in mijn oren
dringt uw tikken en uw boren.
Hamer op het harde hout.
Hamer, kleine bonte specht;
straks — zij zullen God wel danken! –
timmert men voor mij zes planken.
Dan is alle twist beslecht.
Nog pas gisteren vond ik onderstaand fragment op de DBNL-site, in jrg. 43 van het tijdschrift Tirade. Het komt uit een artikel van Guus Middag, getiteld “Het Van Geel alfabet”, een alfabetische bespreking van elementen uit de poëzie van Chris J. van Geel. Bij de letter T schreef Guus Middag het volgende:
Tesselschade – Arbeid Adelt
In Van Geels bundel Het zinrijk staat dit titelloze gedicht
Tel de sterren op de koekbus, koekbus die mijn lief liet staan, Arbeid Adelt – Tesselschade, naast kapsules levertraan.
Jarenlang heb ik me afgevraagd wat die derde regel te beduiden had, en wat de geheime bedoeling mocht zijn achter deze combinatie van de spreuk ‘Arbeid Adelt’ en de naam van Maria Tesselschade: socialisme en poëzie, hard werken en glasgraveerkunst, jaren dertig en zeventiende eeuw. En dat ook nog weer eens op een keukentafel (of in een keukenkastje of op een keukenplank), tussen een koekbus en kapsules.
Totdat ik in de loop van 1996 in de krant geattendeerd werd op het 125-jarig bestaan van een vereniging met die idiote combinatienaam, maar dan in omgekeerde volgorde: Tesselschade – Arbeid Adelt, kortweg ook wel taa. ‘Arbeid Adelt’ werd opgericht in 1871, ‘Tesselschade’ splitste zich een jaar later boos af, maar in 1953 kwamen ze weer samen. De vereniging telt thans 12.000 leden, verdeeld over 37 plaatselijke afdelingen. Zij beschikt over 8 (of 9) winkels, waar de produkten van ongeveer vijfhonderd anonieme thuiswerksters worden verkocht, voornamelijk borduur-, brei- en ander fijn handwerk.
Of de naam van de vereniging op de achtergebleven koekbus van Van Geels lief stond is dus nog wel even de vraag. In het maken en/of verfraaien van koekbussen is de vereniging bij mijn weten niet gespecialiseerd, maar het is altijd mogelijk dat een enkel lid zich er wel eens op heeft toegelegd. De naam zou ook op een verpakking, in een advertentie of anderszins hebben kunnen opduiken tussen koekbus en levertraan.
Intussen moet de figuur van Tesselschade Van Geel wel sympathiek zijn geweest, en ook haar naam, die zich metrisch keurig voegt naar het patroon van Arbeid Adelt – en ook naar de rest van het gedicht (allemaal trocheeën). Dat het hier om liefdesverdriet en gevoelens vanvan eenzaamheid en verlatenheid gaat, lijkt mij wel duidelijk. Het gedicht eindigt vast niet toevallig met het woord ‘traan’. Zij liet mij staan: dat gevoel wordt hier vervangen door de koekbus die zij liet staan. En vergat zij ook haar levertraancapsules? Of waren die nu juist van de dichter? En zag die nu, aldus, in zijn keuken-(kastje) het embleem van zijn verloren liefde? Zij en mij, bus en capsule, koek en levertraan, lekker en wrang, zoet en zuur?
De poëzierecensies in de NRC van Guus Middag lees ik altijd met plezier. Hij verrast me bijna altijd door zijn opmerkingsvermogen en hij schrijft heel toegankelijk. Maar wat de koekbus en de vereniging Tesselschade – Arbeid Adelt met elkaar te maken hebben, snapt hij evenmin als ik. Ik bezat ooit een beschuitbus met afbeeldingen van Hollandse motieven in kruissteek erop, maar die was van een beschuitfabriek, niet van Tesselschade. Wie weet heeft TAA ooit een koekblik met handwerkmotieven erop laten maken, ter gelegenheid van een jubileum of zoiets?
Op de oude website van de DBNL kon ik gisteren niet zo gauw vinden in welk nummer van Tirade het artikel van Middag was gepubliceerd, en ook niet in welk jaar. Op de nieuwe website heb ik die gegevens vandaag meteen gevonden: het was in nummer 379 van jrg. 43, verschenen in 1999.
Aanvulling 31 jan. 2010: In 1964 verscheen het Kookboek Tesselschade – Arbeid Adelt. Van Geels gedichten bundel Het zinrijk dateert van 1971. Misschien stond dat kookboek tussen de koekbus en de levertraancapsules in de keuken van Van Geel…
De dood stel ik mij voor als lieve tante Lize,
Eens word ik ziek, heel ziek, en krijg een hooge koorts.
Dan ben ik nog wel sterk en spuug op de verpleegsters,
Maar in het einde word ik zwak, heel zwak.
Dan komt mijn groote, sterke tante Lize,
- Zij is reeds jaren dood en breit in eeuwigheid -,
Die neemt mij in haar breede, forsche armen,
(‘k Voel weer markant haar boezem drukken
Gezwollen van een vruchteloos leven),
En draagt mij naar een verre kamer
Waar koekoeksklok zeurt en een ketel raast.
Ik kan mij dan niet meer verweren,
Het werd uw tijd, mijn lieve tante Lize,
Gij overwon ten laatste die u schopte als kind…
Dus zit ik daar, kan mij niet meer bewegen,
Denk ook niet meer, in kussens; en mijn tante Lize
Zit langzaam tegenover mij te breien,
Zij zegt geen woord, ik hoor haar pennen tikken.
O, dood, o lieve tante Lize,
Soms als het tienen slaat krijg ik wat pap.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties