Mijn nichtje P., twee dagen ouder dan ik, is in Canada geboren en getogen. Haar moeder Marie was een oudere zus van mijn moeder. Marie emigreerde in 1946 naar Canada en trouwde daar. P. en ik hebben in onze tienerjaren met elkaar gecorrespondeerd en we hebben elkaar driemaal in levenden lijve ontmoet, de laatste keer alweer meer dan vijftien jaar geleden. P. woont nu al jaren in de VS.
Via internet hebben P. en ik weer contact gekregen. We “spreken” elkaar op Facebook en we mailen. Naar aanleiding van mijn logjes over de schoollapjes van mijn moeder (hier en hier) stuurde P. me een paar foto’s. Haar moeder, mijn tante, was in haar vrije tijd altijd aan het handwerken, schreef ze. Haar handen rustten nooit. P. heeft veel van haar moeders handwerken bewaard, waaronder ook de onderstaande letterlapjes, het linker uit 1925 en het rechter van enkele jaren daarvoor:
Zijn ze niet mooi? Ik vind het een roerende gedachte dat P. en ik allebei aan onze kant van de oceaan deze jeugdwerkjes van onze moeders bewaren en ingelijst aan de wand hebben hangen. Heel waarschijnlijk hadden de zusjes, onze moeders, dezelfde handwerkonderwijzeres.
Hierbij nog twee foto’s die P. me stuurde, van borduursels die mijn tante later in Canada heeft gemaakt.
My cousin P., two days older than I am, was born and raised in Canada. Her mother Marie was an elder sister of my mother’s. In 1946 Marie emigrated to Canada.
In our teenage years P. and I were penfriends. Three times we have met in person, the last time more than fifteen years ago. P. lives in the U.S. since many years.
Via internet P. and I recently reconnected. We “talk” to each other on Facebook and we change e-mails. Occasionally she visits my blog, and in reply to the posts on the school samplers of my mother’s (here and here) she sent me a few photos. Her mother, my aunt, used to be a fervent needleworker, she wrote. Her hands were always busy. P. saved a lot of her mother’s crafted pieces, including two samplers that her mother made as a child (see pics). The one on the left is from 1925, the other one from some years earlier.
Aren’t they beautiful? It’s a moving thought, I think, that both P. and I, on either side of the ocean, are cherishing these samplers that our mothers made when they were young girls – presumably they had the same teacher.
P. also sent me photos of two other lovely embroideries that my aunt made later, in Canada.
We vieren – morgen – sinterklaas op dezelfde manier als vorig jaar. Dat wil zeggen met onze kinderen (twintigers) en hun partners grut en aanhang, en zonder surprises en gedichten. Niet omdat surprises en gedichten bij ons uit de gratie zijn; we hebben vele jaren creatief geknutseld en elkaar in rijmvorm op de hak genomen. Maar soms kan het leven zo druk zijn dat “men” aan het maken van surprises en gedichten gewoon niet toekomt (past dit schoentje iemand?) en voor die situatie is er een superleuk alternatief: het Sinterklaas-Dobbelspel! Spelregels en spelkaartjes om uit te printen staan op http://sinterklaas.101tips.nl/sinterklaasdobbelsteenspel.pdf.
We hebben afgesproken dat we allemaal zes á zeven cadeautjes meebrengen waaraan we per stuk niet meer dan twee euro hebben uitgegeven. Dat is me goed gelukt: in totaal heb ik € 10,35 besteed aan drie tweedehands en vier nieuwe cadeautjes – en daar heb ik echt niet lang naar hoeven zoeken. De grap van het spel is dat alle cadeautjes (soms wel, soms niet uitgepakt) voortdurend moeten worden doorgegeven voordat ze uiteindelijk bij een medespeler belanden. Toch krijgt iedereen uiteindelijk ongeveer evenveel cadeaus; tenminste, vorig jaar was dat zo.
Voorafgaand aan het spel eten we soep met zelfgebakken brood. Heb ik er zin in? Ja!
Bovenstaande merklappen heeft mijn moeder gemaakt, de linker toen ze tien was, de andere een of twee jaar later. Ik heb ze onlangs gekregen van m’n oudste broer, die nog wat dozen met spullen uit de inboedel van mijn ouders in bewaring heeft. Op allebei de lapjes staat een reeks letters in een ongewone volgorde: I H N M J L T F E P B R K D A V W X Y Z U C G O Q S
Over die volgorde heb ik een tijdje moeten peinzen. Maar ik denk dat ik het weet: eerst de gemakkelijkste letters, die allemaal op het patroontje van de I zijn gebaseerd. Daarna de letters met als basiskenmerk een schuine streep. En tot slot de letters met een ronding als uitgangspunt.
Wat zeggen de deskundigen hiervan? Marcella, Marianne M., of anderen die dit logje misschien lezen? Jullie weten het vast. En anders staat het misschien in een van jullie boeken over merklappen.
Mijn moeder heette Adriana, maar werd als kind Jaantje genoemd. Vandaar de verschillende initiaal van de voornaam.
Ik ben blij met deze tastbare herinneringen aan haar. Zij vond de lapjes zelf blijkbaar ook zo leuk dat ze ze altijd heeft bewaard. Ze heeft mij ook op zo’n lapje leren borduren. Ik heb haar letterlapjes voorzichtig gewassen, maar ze zijn wat bruinig en vlekkerig gebleven. Dat geeft niet. En nu? Wat is de beste manier om ze te bewaren? Inlijsten en ophangen? Of tussen vloeipapier in een la?
De Week van de Geschiedenis is aangebroken. Tijd voor een paar bijzondere links.
Juffrouw Jo heeft een fantastische verzameling foto’s van en over het dagelijks leven in Nederland in (vooral) de jaren ’20-’50 van de twintigste eeuw.
Bij Shorpy staat een collectie foto’s gemaakt naar oude (glas-)negatieven, de meeste uit Amerika. Veel oude straatbeelden, auto’s, fabrieken, winkels en dergelijke, en indrukwekkend werk van bijvoorbeeld Lewis Wickes Hines (1874-1940), die veel kinderarbeiders heeft geportretteerd.
***Hieronder voor de gelegenheid een bijzonder plaatje uit het foto-archief van mijn familie. Mijn grootmoeder van moeders kant staat erop (staand, vierde van rechts). En twee van mijn oudooms en een oudtante. Genomen in het bollenpelseizoen, ca. 1900, waarschijnlijk door een rondreizend fotograaf.
Dit is mijn opa, Saam heette hij (Samuel). Geboren in 1886 als zevende kind van Bert en Antje, over wie ik (klik) ook al eens heb geschreven. Saam was landarbeider, hij werkte ongeveer vanaf zijn veertiende bij een groot tuindersbedrijf. In zijn vrije tijd teelde hij voor zichzelf tulpen op een klein stukje land. Vlak voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, moest hij in dienst. Hij was toen al een paar jaar getrouwd; zijn oudste zoon Bert was in 1913 geboren.
Op de foto draagt Saam het ceremonieel tenue van de Groene Jagers. Daarbij hoorde nog een ouderwets model sjako, met pompoen, kwasten, ketting enzovoort. Het is voorzover ik weet de enige foto uit de jonge jaren van mijn opa die er bestaat.
In totaal is hij vier jaar in militaire dienst geweest. Daarbij had hij geen gelegenheid om iets aan zijn tulpenlandje te doen. Na de oorlog kon hij terugkomen bij zijn werkgever. Soms stond hij al om drie uur op, om op het bedrijf de paarden te verzorgen en de wagens te laden met handel voor o.a. de Haagse markt. Daarmee verdiende hij een rijksdaalder per week extra. Bij de firma waar hij werkte, werd het zgn. ‘tulpen broeien’ of ‘forceren’ experimenteel en met steeds meer succes toegepast. Saam hield in een schoolschrift de gegevens bij, soorten, data van het begin van de forceerperiode en de resultaten. Die resultaten en notities over het forceren van bolgewassen zijn uitgeleend aan een Westlandse of mogelijk een Engelse kweker die op bezoek kwam bij de firma, en nooit teruggegeven. Saam heeft het altijd heel jammer gevonden dat dat schrift verloren is gegaan.
Zijn werkgever was niet de slechtste. Saam kreeg ischias en maagklachten en de dokter schreef rust voor. Gelukkig kreeg hij zijn weekloon wel een half jaar lang doorbetaald. In de jaren dertig ging de tuinderij failliet en raakte Saam zonder werk. Hij had meer dan vijfentwintig jaar bij de firma gewerkt en zou als jubileumgeschenk een herenkostuum krijgen. Door het faillissement ging dat helaas niet door.
In 1939 overleed Saams vrouw Mijntje. Ze hadden samen negen kinderen gekregen. In de meidagen 1940 waren twee van Saams zoons (onder wie mijn vader) en een schoonzoon gemobiliseerd. In 1940 kreeg Saam weer werk, opnieuw bij een tuinderij. De landarbeiders werkten achter een vliegveld waar Duitsers zaten. De kwekerij lag achter de keuken en soms kregen ze eten dat de Duitsers over hielden en dat ze met gemengde gevoelens opaten, hongerig als ze waren.
In 1944 is Saam hertrouwd. Met zijn tweede vrouw heeft hij nog een fijne oude dag gehad. In 1951 kreeg hij ‘van Drees’ (de noodwet van Drees) – daar was hij heel blij mee. Uit liefhebberij bleef hij nog tuinplanten telen in geïmproviseerde kasjes en bakjes. Daarmee verdiende hij nog wat bij. Hij is in 1960 overleden.
Saam hield van orgelspelen en zingen. Hij had een kaartenbak, waarin hij min of meer alfabetisch de liederen, waarvan hij overigens zowel de tekst als de melodie uit het hoofd kende, op stukjes karton bewaarde. —Veel dank aan mijn tante Maartje (inmiddels overleden) en aan mijn oom Henk, uit wier opgetekende herinneringen ik heb geput om dit stukje te schrijven.—
Zelf heb ik ook nog een paar herinneringen aan opa Saam. Ik mocht altijd bij hem op schoot aan het orgel zitten en dan zongen en speelden we samen. Ook heb ik nog veel rijmpjes en liedjes onthouden die hij zong.
Een week of wat geleden zagen H. en ik de film Paul dans sa vie (Paul in zijn leven) in ons plaatselijke filmhuis. Een ontroerende en fraai gefilmde documentaire van de oude dag van Paul Bedel, een boer van 76 jaar, die ooit als jonge man zijn vader heeft opgevolgd op de familieboerderij, vlak bij de kust van Normandië. Daar woont hij anno 2007 nog steeds met twee ongetrouwde zusters, daar bewerkt hij nog steeds zijn akkers met vooroorlogse machines en trekt er af en toe op uit om tussen de rotsen aan zee kreeften te vangen. De paar koeien die hij houdt worden nog met de hand gemolken. De cider wordt nog volgens de traditie op de boerderij gemaakt. Al jaren lang houdt Paul een klein dagboekje bij waarin hij bijvoorbeeld noteert wat hij heeft gezaaid, hoeveel het land opbrengt, wat het voor weer is. Het is een uiterst boeiend portret, deze film, vol schitterende beelden en gesprekken die je raken.
Toen we terug naar huis liepen, zei H.: “Wat ik alleen niet snap, is waarom de film Paul dans sa vie heet. De titel had beter Paul en zijn zusters kunnen zijn.” Ik kon niet anders dan hem gelijk geven. Die zusters, zwijgzame, vriendelijke vrouwen, werken net als Paul al hun hele leven op de boerderij, ze melken, dorsen, hooien, maken cider, koken het eten. Een paar korte zinnetjes die Paul in de film uitspreekt, tonen aan dat deze documentaire eigenlijk evengoed over hen gaat. “Als ik niet had besloten om de boerderij over te nemen,” zegt hij, “dan was het leven van mijn zusters vast ook anders gegaan. Dan waren ze misschien getrouwd en hadden ze een gezin gehad.”
Het is heel jammer dat zij in deze documentaire zo op de achtergrond blijven.
Paul dans sa vie, Frankrijk 2007, regie Rémi Mauger.
Brigitte Ars is freelance journaliste en heeft antropologie en sociologie gestudeerd. Dit autobiografische boek – over haar huwelijk met een Indiase jongeman en over haar verblijf in India – wordt gekenmerkt door een antropologische en een sociologische manier van kijken en dat maakt het heel boeiend. De schrijfster had als jonge rugzaktoeriste niet uitsluitend plezierige ervaringen in India. Wanneer ze, allang weer thuis, een relatie krijgt met een leuke jonge Indiër, reist ze met hem naar zijn vaderland om kennis te maken met zijn familie en later nog eens om daar met hem in het huwelijk te treden (buiten de grenzen van India woonde ze allang met hem samen). Samen met haar man verblijft ze lange tijd in Bangalore. Weliswaar is dat een grote wereldstad, maar de oude tradities zijn er nog sterk. Ars ondervindt aan den lijve dat wie met een Indiase man trouwt, ook met zijn familie, religie en cultuur trouwt. En dat is niet gemakkelijk. De vraag is steeds: (in hoeverre) moet ze zich aanpassen? Ze bouwt haar verhaal goed op, in thematische hoofdstukken, waardoor je geleidelijk aan vertrouwd raakt met de problemen die zo’n interculturele relatie kan geven, en tegelijkertijd op een evenwichtige manier kennismaakt met de Indiase samenleving en cultuur. Ze vertelt daarbij leuke details, bv. hoe haar Europese haardos dagenlang vettig en slierterig blijft van een oliemassage, terwijl het haar van Indiase vrouwen er juist zo mooi van wordt. Door het hele boek heen blijkt duidelijk dat Ars veel genegenheid voelt voor haar schoonfamilie en dat dat wederkerig is – gelukkig maar, want anders zouden de conflicten waarschijnlijk snel hoog oplopen. Hoe wikkel je een sari om laat zien dat alle partijen flexibel moeten zijn om een droevige afloop te voorkomen. Misschien nog belangrijker is dat het boek je niet alleen informeert over een samenleving die behoorlijk anders in elkaar steekt dan de onze – Ars laat je ook kennismaken met individuele Indiërs, voor wie je je gaat interesseren en die je gaat waarderen.
Brigitte Ars: Hoe wikkel je een sari om. Een Nederlandse vrouw in India. Uitg. Atlas, 2007. 237 blz.
Op deze foto staat mijn moeder arm in arm met twee dorpsjongens, het zal hoogstwaarschijnlijk tijdens de jaarlijkse paardenmarkt in hun dorp zijn geweest, want dan werd er een hoop plezier gemaakt op straat, én er was altijd een straatfotograaf. Het is een van de weinige foto’s uit de meisjesjaren van mijn moeder die ik bezit, er bestaan maar weinig foto’s uit haar jeugd.
Ze ziet er vrolijk uit. Ik denk dat ze in net zo’n vrolijke stemming was toen ze in 1936 of 1937, ze was een jaar of zestien, met haar beste vriendin naar de 3 oktober-optocht in Leiden ging kijken. En na afloop van de optocht hadden ze zo’n zin om naar de kermis te gaan! Maar… dat was streng verboden.
Toch gingen ze erheen. Toen ik dit verhaal voor het eerst van haar hoorde, vond ik het helemaal geweldig dat mijn brave moedertje vroeger ook weleens dingen deed die niet mochten!
Ze gingen naar de kermis, en bij de eerste de beste kraam kochten ze voor 25 cent een lootje. En raad eens wat er gebeurde: ze wonnen samen een fiets! Toen hadden ze natuurlijk een probleem. Er zat weinig anders op dan thuis op te biechten wat ze hadden gedaan. Tot hun opluchting kregen ze geen straf. De vriendin mocht de fiets houden. Mijn moeder kreeg van de ouders van haar vriendin 10 gulden. Daar kocht ze een lap geruite wollen stof voor waar ze een wintermantel van naaide.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties