Papierkunst van Anastassia Elias aka Chadou Yama. Klik op het plaatje, dan kom je op Anastassia’s Flickrpagina’s. Daar kun je enkele afzonderlijke letters bekijken, zoals de V van Vigneron (wijnboer), de W van Webmaster en de Z van Zoologiste, en nog meer werk van haar zien. Ik heb nog niet bij alle letters de naam van het beroep gevonden; ben niet zo sterk in Frans namelijk.
De kans is groot dat u weleens een kunstwerk van Tom Claassen hebt gezien. Er staan veel beelden van hem in de publieke ruimte. Bijvoorbeeld die geweldige grijze betonnen olifanten langs de snelweg bij Almere. In Amersfoort is nu een overzichtsexpositie van Claassens werk te zien in Kunsthal KAdE, onderdeel van het mooie nieuwe gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Daar staan onder meer schaalmodellen die Claassen maakte voor de olifanten.
Ik vond niet alles op de tentoonstelling interessant; bijvoorbeeld de grote, gladde, glanzende witte konijnen niet. Wel heeft bijna alles iets grappigs, Claassen zelf heeft een keer gezegd dat zijn werk iets “olijks” heeft. Wat ik heel mooi vond: die olifantenmodellen, een bronzen nijlpaard (model van het rubberen reuzenijlpaard in Amsterdam-IJburg), een zandlandschap met leeuwen, en diverse honden en paarden. Vooral dieren dus; de mensfiguren of abstractere vormen spraken me minder aan. Niet al die dieren waren onmiddellijk herkenbaar. Misschien wel het mooiste werk van de expositie vond ik het zandlandschap. De leeuwen zijn helemaal opgenomen in het zand. Of misschien is het andersom en komen ze onmerkbaar langzaam omhoog uit het zand. Het duurt even voordat je ziet dat er leeuwen in/onder het zand liggen. Claassens dieren komen op me over als heel oude (overblijfselen van) oerdieren uit een ver verleden, maar ook als diervormen in een verre toekomst waarvan we misschien een vaag vermoeden hebben, maar die we nooit zullen zien. Die dubbelzinnigheid heeft indruk op me gemaakt.
Van het zandlandschap heb ik geen foto gemaakt. Maar op YouTube staat een filmpje van de opbouw van het werk. Jammer genoeg zie je niet hoe het er in voltooide staat uitziet. Het werk wordt elke nacht beneveld om het in vorm te houden. Na afloop van de tentoonstelling wordt het zand weer opgeveegd en weggekruid, heb ik gehoord.
Zeg: zee. Zeg: zilveren licht.
Het woord wordt zand,
de redders staan paraat.
Elke dag een kwartier of wat opruimen, ergens in huis. Daar heb ik sinds kort weer tijd energie voor (heb ontslag genomen van mijn baan als webmeesteres). En reken maar dat het nodig was. Dat opruimen.
Zo vind je ook nog eens wat. Vandaag, in een onaantrekkelijke berg rommel naast m’n toetsenbord, een stukje papier met een paar woorden erop. Met doorhalingen en correcties. Alles in mijn handschrift. Andermans werk? Eigen werk? Van jou, Siri? Of iets wat ik op de radio hoorde? Geen flauw idee, keine blasse Ahnung.
Ik zou de rest van het gedicht ook wel willen lezen. De drie regels maakten me blij vandaag, vooral ook omdat ze me aan Weissenbruch deden denken. Eigenlijk is Anton Mauve de meester van het zilveren licht, kijk maar. Ik wil wel naar die Mauve-tentoonstelling (ha, daar heb ik nu ook tijd voor). Maar Weissenbruch is de bovenmeester. Jan Hendrik Weissenbruch (1824-1903) - Strand bij Scheveningen.
Vorige week bezocht ik de tentoonstelling Caldic Collectie – Artists’ Books in het museum De Fundatie in Zwolle. Wat ik heel leuk vond waren de gedichten gemaakt met cataloguskaartjes van bibliotheken. Tijdens mijn vroege bibliotheekjaren zijn er ontzaglijk veel van die kaartjes door mijn handen gegaan. Wat waren er vaak titels bij die me nieuwsgierig maakten! Het allereerste kaartje dat ik in handen kreeg, kan ik me nog herinneren. Het was van The life and times of Lord Mountbatten. Met dat kaartje als voorbeeld moest ik (17 jaar oud) bij een sollicitatie laten zien dat ik – van een ander boek uiteraard – een goede titelbeschrijving kon maken. Titelbeschrijving! Dat woord had ik nog nooit gehoord. Maar ik werd wel aangenomen. De kunstenaar David Bunn (geb. in 1960) liet zich door cataloguskaartjes inspireren tot het maken van gedichten. Hij wist de beschikking te krijgen over de ca. 2 miljoen kaarten van de stadsbibliotheek van Los Angeles, toen die instelling overstapte op digitaal. Hierbij een van de gedichten van Bunn.
De kaartjes ingelijst (foto links). Het gedicht dat Dunn van de boektitels op de kaartjes maakte (foto onder) hing ernaast, ook ingelijst.
Dunn heeft gewoon de alfabetische volgorde van de kaartjes aangehouden.
–
–
——–Op het blog van LibraryLingo kwam ik, een tijd geleden alweer, ook al eens iemand tegen die creatief was geweest met cataloguskaartjes – klik hier om te kijken.
Wat kun je met oude telefoons doen? Kunstenaar Jean-Luc Cornec maakte er een schaapskudde van. Knap werk. Ik vind ze verbazingwekkend natuurgetrouw, maar ook wel een beetje griezelig.
Ze grazen in het Museum für Kommunikation in Frankfurt am Main. Ik vond ze op deze website.
Schaken. Ik ken aardig wat mannen die het graag doen, maar nauwelijks een vrouw die weleens een partij speelt. Is het een vooroordeel om te denken dat er maar weinig vrouwen zijn die er iets mee hebben?
Ik ben nooit deze anekdote over schaakgrootmeester Jan Hein Donner vergeten: Donner had in een krantenartikel geschreven dat vrouwen niet kunnen schaken. Prompt volgden er protesten. Eén schrijver van een ingezonden brief vond dat Donner discrimineerde; zeggen dat vrouwen niet kunnen schaken was net zoiets als zeggen dat negers niet kunnen schaken. Donners reactie hierop was dat hij zoiets nooit zou schrijven en dat deze lezer hem helemaal verkeerd begrepen had: wat hij o.a. bedoelde was dat negerinnen niet kunnen schaken. Ik hou wel van dit soort humor.
Als ex-bibliothecaresse browse ik graag op boekenplanken, ook op virtuele, en al browsend op het web kwam ik uit bij een leuk boek in pdf-vorm over vrouwen en schaken: Dame aan zet : vrouwen en schaken door de eeuwen heen, met bijdragen door arabiste Remke Kruk, schaakjournaliste Yvette Nagel Seirawan, schaaksocioloog Hans Scholten (schaaksocioloog? dat beroep kende ik nog niet) en Henriëtte Reering, beheerder van de schaak- en damcollectie van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het boek is een catalogus bij een tentoonstelling over het thema Vrouwen en Schaken in de KB in 2000, die destijds aan mijn aandacht moet zijn ontsnapt.
Het is leuke lectuur. In de boeiende bijdrage van Remke Kruk lees ik o.m. dat de mensen van Medina in vroeger tijden hun dochters niet wilden uithuwelijken aan iemand die schaakte, omdat het schaakspel ‘als een mede-echtgenote’ werd beschouwd. Ook bericht zij over een vrouw die echtscheiding aanvroeg omdat haar man voor niets anders aandacht had dan voor het schaakspel. Daar sluit mooi het verhaal van Yvette Nagel Seirawan bij aan over de Belgische kunstenaar Marcel Duchamp, die in 1927 de eerste week met zijn nieuwe bruid scheen door te brengen met het bestuderen van schaakproblemen. “Zijn vrouw, in een wanhopige poging om iets van de wittebroodsweken te redden, stond midden in de nacht op toen Duchamp vast in slaap was en lijmde de schaakstukken aan het bord vast.” Drie maanden later was het stel gescheiden.
De bijdrage van Nagel Seirawan leert me ook dat er psycho-analytische theorieën zijn volgens welke schaken een mannensport zou zijn die oedipale verlangens sublimeert. “Het uiteindelijke doel de koning mat te zetten, reflecteert het verlangen de vader te doden.” Duchamp kwam terecht op de sofa van psychiater Alexander Cockburn, die deze theorieën onderschreef. Volgens Cockburn zette de echtgenote van Duchamp door van hem te scheiden het oedipale drama dat zich dagelijks voltrok, stil.
Dit nu zijn verhalen over schakende echtgenoten en niet over schakende dames. Toch zijn die er wel degelijk (geweest) en ze komen natuurlijk ook aan bod in het boek. Neem Judit Polgár (zie foto) die in 1991 op haar 15e Hongaars schaakkampioen en grootmeesteres werd. Of neem de damesschaakverenigingen die eind negentiende eeuw werden opgericht in Zutphen, Utrecht, Groningen en Den Haag. Ook in de omgeving van Multatuli bevonden zich enkele schakende vrouwen, hij schrijft o.a. over het schaakspel van zijn tweede echtgenote Mimi Schepel en van twee van zijn nichtjes.
Dat er toch minder vrouwen schaken dan mannen, wordt op verschillende manieren verklaard. De prijzenfondsen voor vrouwenschaaktoernooien zijn bijvoorbeeld veel lager, wat het minder interessant maakt om eraan deel te nemen. Een andere verklaring noemt het ‘hormooneffect’: het testosterongehalte bij volwassen mannen schijnt tien keer zo hoog te zijn als bij vrouwen, wanneer ze een competitie voorbereiden. De agressiviteit en competitiedrang bij vrouwen is daardoor kleiner en dat zou kunnen verklaren waarom de schaaksport door mannen wordt gedomineerd.
Enfin, Dame aan zet is een onderhoudend boek, dat is duidelijk. En er staan mooie illustraties in – jammer genoeg niet in kleur. Onderstaande afbeelding is dat gelukkig wel, het is een schilderij uit 1555 van Sofonisba Anguissola, een schilderes uit de Renaissance.
Dame aan zet (Queen’s move).Tentoonstellingscatalogus Koninklijke Bibliotheek Den Haag, 2000. Tweetalige uitgave. 163 blz. Paperback. Wilt u on-line lezen, klik hier.
N. en ik hadden anderhalf uur in de rij gestaan voor het Vaticaans Museum. Eenmaal binnen werden we door chagrijnige uniformen in één looprichting gedwongen. Boven, opzij, en onder was zo overweldigend veel te zien dat ik het liefst meteen weer wilde omkeren, maar dat mocht dus niet. Het enige wat erop zat, was zo snel mogelijk de uitgang zoeken en je, als je vanwege de drukte even niet verder kwam, onderweg concentreren op enkele details. Van een paar van die details heb ik uit pure opstandigheid, tegen de voorschriften van de pauspolitie in, een paar foto’s gemaakt. Hier is er een. Niet zo scherp, want zonder flits.
Deze vogel is de hop, in het Latijn Upupa epops. Eén keer in mijn leven heb ik deze schitterende vogel in het wild gezien. Dat was in Griekenland.
De Zweedse encyclopedie Nordisk Familjebok, ca. 1904, vermeldt over de Upupa epops dat hij een zeer vies, wanordelijk nest heeft. Verder staat er: “Vanwege zijn eigenaardige roep, welke men heeft gepoogd uit te drukken als ‘hop, hop, hop’, hetgeen hij vlijtig herhaalt, meent men dat deze vogel een voorbode is van oorlog en dure tijden.”
Jakob van Maerlant schreef in de 13e eeuw al over de hop. Onlangs is zijn werk Over vogelsin een fraai boekje opnieuw uitgegeven, met mooie reproducties van de middeleeuwse illustraties. Over de hop schreef Van Maerlant: “De hupupa wordt in het Oude Testament bestempeld tot een onreine vogel. Daarom is het verboden hem te eten. Hij maakt zijn nesten op mestvaalten en houdt zich graag op in plaatsen waar het stinkt. Daarom noemt men hem drekvogel [of hop].” Van Maerlant gaat ook nog in op de bijzondere magische eigenschappen van de hop; leuk om te lezen.
De Zweed Axel Wallengren (1865-1896) schreef een groot aantal merkwaardige humoristische teksten onder het pseudoniem Falstaff, Fakir. In zijn korte leven publiceerde hij wel drie encyclopedische werken die heel vermakelijk zijn. Ook hij heeft over de hop geschreven, in een abecedarium. (Een abecedarium is een gedicht waarvan de opeenvolgende strofen met de letters van het alfabet beginnen. Een bekend Nederlands abecedarium is A is een aapje door Rie Cramer).
Falstaff, Fakirs strofe over de hop is in zijn abecedarium de strofe die met de U begint. (Tussen haakjes: deze strofe is bij toeval gemakkelijk door Nederlanders uit te spreken. Leer hem uit het hoofd en als u ooit in Zweden komt, zult u iedereen verbazen door uw vloeiende uitspraak van het Zweeds.) Hier is-ie: Upupa-epops-kalops
kan man propsa i en mops.
Maar wat staat er nu eigenlijk? Volgens Falstaff, Fakir mocht de hop best gegeten worden; je kon het toebereide vlees echter beter aan je hond voeren. Hier is mijn vertaling, die helaas niet zo mooi klinkt als het origineel: Gestoofde Upupa epops
kun je proppen in een mops.
Twee mopsen. Illustratie door Gerhard Mützel uit Brehms Thierleben, 1927.
Jakob van Maerlant: Over vogels. Vertaald & ingeleid door Ludo Jongen. Bekking & Blitz, 2005. Falstaff, Fakir: Enhvar sin egen professor. Oorspr. Zweedse uitgave 1894.
***Hoe het komt dat het nest van de hop zo stinkt, kunt u lezen in een leuk artikel op deze webpagina.***
Carl Spitzweg was een negentiende-eeuwse Duitse (Beierse) schilder, die lange tijd in München heeft gewoond en gewerkt. Heel bekend zijn vooral twee van zijn schilderijen, “De Boekenwurm” en “De Arme Poëet”, die je afgebeeld ziet op deze Wikipedia-pagina. Ik moest vandaag aan Spitzweg denken door de ansichten op dit logje van Berthi. Op die ansichtkaarten zien we Duitse vrouwen, meisjes en kinderen die sokken e.d. zitten te breien voor de Duitse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog vochten. Zo werd het Duitse “thuisfront” aangespoord iets te doen om de strijders aan de oorlogsfronten te steunen. Overigens werd er ook naarstig gebreid door de thuisfronten in de landen die juist tégen de Duitsers vochten, zoals je op deze Amerikaanse site kunt zien…
Door het hier gelegde verband tussen breien en oorlogsgeweld moest ik aan de onderstaande twee schilderijen van Spitzweg denken. Ze zijn van rond 1850. Voor de soldaten op deze schilderijen hoefden geen sokken of wanten gebreid te worden door de vrouwen thuis. Deze soldaten breiden ze gewoon zelf, terwijl ze op wacht stonden (of zaten).
Op het eerste schilderij zit een breiende wachtpost uit te kijken over het landschap. Ziet hij in de verte soms een rookwolkje? Hij maakt nog geen aanstalten om alarm te slaan. Zijn bajonet staat nog rustig achter hem.
detail
-
De wachtpost op het tweede schilderij blikt ons tussen weelderig begroeide vestingmuren recht aan. Hij kijkt alsof we zijn rust (en zijn breiwerk) hebben verstoord. De loop van het kanon wijst dreigend naar de toeschouwer, maar als we goed kijken zien we dat er in die loop een vogelnestje is gebouwd. Het vogeltje zit links van het kanon te wachten tot het naar binnen kan vliegen.
detail
Spitzweg staat bekend om zijn voorliefde voor kleinsteedse idylles en landelijke scènes, en om zijn humor en milde ironie. Zijn figuren zijn altijd een beetje karikaturaal getekend. Wat bedoelde hij met deze schilderijen? Rond 1850 was de toestand in Duitsland niet overal zo vredig. De revolutie van 1848 was net achter de rug en er rukte een krachtig militarisme op vanuit Pruisen. Spitzweg was niet het type schilder dat gewelddadigheden uitbeeldde. Deze twee schilderijen laten echter op subtiele wijze een bedreiging van de harmonie en de rust in de wereld zien.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties