Andalusië (Marcellus Emants in Spanje, 2)

(Vervolg van blogpost van 13 mei)

Emants is uitgenodigd bij een huisconcert met canto flamenco. De gastvrouw is de sterzangeres van de avond en wekt veel geestdrift bij de heren. Emants beschrijft het geheel met de droge humor van de buitenstaander.

Vooral drie der jongere heren waren vermakelijk in hun enthousiasme. De blonde – die de gitaar tokkelde – staarde de zangeres met zulk een zielsverrukking in de ogen, dat een schilder van heiligen en musicerende engelen hem ongetwijfeld in zijn schetsboek had opgenomen. Een kleine donkere, wiens gelaat minder uitdrukkingsvol was, trachtte door het uitrekken van zijn hals te vergoeden wat aan de bewegelijkheid van zijn trekken ontbrak en stootte, midden onder het gezang, een paar olé’s uit die zijn gehele lichaam deden schokken. De derde eindelijk, een lange, bijzonder magere en bijzonder zwarte, die de novia [aanstaande bruid] met welke hij elke avond de kalkoen plukte, ontrouw was geworden ter wille van Carmens gezang en wiens grote uitpuilende ogen reeds in gewone toestand sterke opgewondenheid uitdrukten, kreeg onder het zingen het voorkomen van een lachende waanzinnige en bracht de herhaalde olé’s zó onverwacht te voorschijn, dat zijn buurman (de ondergetekende) nu en dan van schrik bijna omhoog sprong.

Hieronder een paar van de gezongen coupletten in Emants vertaling. Ik vind het merkwaardig aansprekende poëzie:

Uw liefde is als een stier,
Die gaat, waarheen men hem lokt.
De mijne is als een steen,
Die bluft, alwaar men hem legt.

Ik, die wenende ben geboren,
Wil al zingende grafwaarts gaan;
Zo zal al het leed der wereld
Niet mijn enig aandeel zijn.

De straten werden voor mij gesloten,
De hemel werd voor mij bewolkt,
De dag, toen gij mij durfde zeggen:
Alreeds is onze liefde dood.

Ge hebt mij begeerd en ge hebt mij vergeten;
Nu keert ge terug en begeert mij weer;
Een schoen die ik eens heb weggeworpen,
Die trek ik naderhand niet meer aan.

Wanneer ik in de doodsstrijd lig,
Kom dan, en plaats u bij mijn kussen;
Richt in mijn ogen vast uw blik,
Wie weet of ‘k dan nog wel kan sterven.

Marcellus Emants: Schetsen uit Spanje. Herdruk. Menken Kasander en Wigman Uitgevers, 2004. 249 blz.

Andalusië (Emants in Spanje, 1)

Ik lees Schetsen uit Spanje van Marcellus Emants. Oorspronkelijk verschenen in 1886, herdrukt in 2004. Ik ga graag op vakantie naar Scandinavië, maar van dit boek krijg ik bepaald zin om ook eens een bezoek aan het gloedvolle zuiden te brengen. Al zal er sinds 1886 behoorlijk veel veranderd zijn. Zou er nog iets kloppen van het volgende stukje tekst, over de liefde voor muziek van de Andalusiërs?

Hier komt bij dat in Andalusië elk op zijn beurt artiest is, zingt, op de gitaar speelt en dikwijls nog andere instrumenten beoefent.
De kunst bestaat er dan ook nog in haar oorspronkelijke vorm, d.i. zij leeft er op de lippen van het volk.
Iedere dag worden hier in de straten honderden coupletten gedicht op de liefde en op de gebeurtenissen van de dag. Het ene sterft onmiddellijk na de geboorte, het andere gaat van mond tot mond, het derde komt ten slotte onder een drukpers te land. In de deftige wereld doet het laatste dan zijn intrede met de naam van een verzamelaar, daar niemand meer weet in wiens fantasie het werd verwekt.

Spanish Dancer, 1881, door John Singer Sargent

Emants doelde hier op de canto flamenco en nadat ik dit had gelezen, ben ik op internet naar flamencozang gaan zoeken om op mijn blog te zetten (is het jullie al opgevallen dat ik sinds een paar weken een stukje muziek in de rechterkolom heb staan?). Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik nog geen opname heb gevonden die me aansprak. Vooralsnog geen canto flamenco op dit blog dus. Dan maar de bekende Spaanse dans no. 5 (Andaluza), van Enrique Granados gekozen, oorspronkelijk een compositie voor piano. Het stuk wordt ook vaak gespeeld op gitaar, maar deze keer is het een uitvoering met viool en piano.
;”>-
-
-
-

Marcellus Emants: Schetsen uit Spanje. Herdruk. Menken Kasander en Wigman Uitgevers, 2004. 249 blz.

In betrekking (Kettinglezen 4)

Wat heeft een mens in zijn lange leven toch veel herinneringen waar je met niemand over kunt en wilt spreken, maar die toch om een onnaspeurlijke reden onvergetelijk zijn!

Bovenstaand citaat komt uit In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd, door Maria van der Ent (1900-1991). Maria van der Ent was de oudste in een gezin met dertien kinderen. Ze kwam met goede cijfers van school, maar doorleren zat er voor haar niet in. Maria werkte vanaf haar twaalfde jaar dertien jaar lang als dienstmeisje in verschillende Rotterdamse families. In 1925 trouwde ze en begon ze haar eigen huishouden. Tegen haar eigen kinderen sprak ze nooit over haar vroegere nederige bestaan als dienstmeisje. Toen een van haar zonen er haar in 1970 naar vroeg, besloot ze haar herinneringen op schrift te stellen. In 1972 overhandigde ze haar zoon een multomap met 400 volgeschreven bladzijden. Die zijn in 2007 in boekvorm gepubliceerd, en het is een boeiend boek geworden. Ik vond de eerste hoofdstukken, “Vader en moeder” en “Het straatleven in Rotterdam” al meteen hartveroverend.

Door mijn huidige leesthema (zie Kettinglezen 2 en 3) was ik benieuwd of ik in de aantekeningen van Van der Ent, die de jaren 1912-1925 bestrijken, iets over de vrouwenbeweging zou vinden – de schrijfster zal toch zeker iets hebben gemerkt van bijvoorbeeld de kiesrechthervormingen in die tijd. Van der Ent schrijft daar echter niet direct iets over. Maar ze leerde wel om strijdbaar te zijn. Dat was dan ook hard nodig. In haar eerste dienstje verdiende ze 75 ct per week voor hele dagen en zondags een halve dag werken. Toen ze een keer een kopje brak, hield haar “mevrouw” negenenhalve cent in van haar weekloon. Voor Maria was dat aanleiding om nooit meer terug te gaan naar deze mevrouw. In haar tweede dienstje was ze meisje voor halve dagen. Dat baantje verliet ze om een paar weken seizoenarbeid te gaan doen.

Op een keer hoorde ik dat je met aardbeien plukken f 1,- per dag kon verdienen. Ik wist dat ze het thuis goed konden gebruiken, en ik zegde mijn betrekking op. ‘Maar kind,’ zei mevrouw geschrokken, ‘daar ben je toch niet geschikt voor, dat is niets voor jou!’ Nou, dacht ik, aardbeien plukken is vast niet zo zwaar als de grote was doen. En ik ging weg, maar ik kreeg een mooi getuigschrift mee. …

… we kregen inderdaad f 1,- per dag. Maar ik zag dat de anderen f 1,25 kregen en ik plukte net zo veel als zij. Ik vroeg aan de jonge boer die altijd op het land zat, ook om f 1,25 per dag. ‘Dat krijg je pas als je ook vijfentwintig tips per dag plukt zoals die anderen,’ zei hij. ‘Nou, dat doe ik,’ antwoordde ik. ‘Laat dan maar eens zien, stapel ze maar eens op vandaag,’ zei hij. En jawel, toen kreeg ik ook f 1,25 per dag.

Als dienstmeisje had Maria soms te maken met seksuele intimidatie of zelfs erger, maar ze wist zich overal goed door te slaan en één keer zelfs een paar flinke trappen uit te delen en de betreffende jongeman een dag lang op te sluiten.
Bij sommige families voelde ze zich goed thuis. Ze deed veel ervaring op, niet alleen met schoonmaakwerk maar ook met etiquette, tafelmanieren, tafel dekken, logistiek van grote diners, en koken. Nog vóór haar twintigste kreeg ze zelfs de leiding over het grote huishouden van een van de deftigste families van Rotterdam. Daar ging ze overigens niet meer door verdienen. Toen ze uiteindelijk besefte dat ze werd uitgebuit, besloot ze weer ontslag te nemen.

Al met al was het geen kleinigheid om mijn baan op te zeggen, ik was er meer dan zeven jaar geweest. Ik overdacht alles nog eens goed, ik had het er heerlijk gehad, en had ook veel aan mevrouw te danken. Ze heeft me ook veel geleerd. Maar mevrouw had ook jaren een perfecte hulp aan mij gehad. En de laatste jaren had ze massa’s vrije tijd gehad. Alles had ze aan mij overgelaten., de hele gang van zaken in huis. Ik behoefde in het geheel geen schuldgevoel te hebben. Mijn ogen waren wagenwijd opengegaan. Ik kon me niet herinneren ooit opslag te hebben gekregen.

Van der Ent heeft het verhaal van haar dienstbodetijd goed en levendig en gedetailleerd opgeschreven. Het is ontzettend leuk om te lezen en je komt veel te weten over de familiecultuur en over de omstandigheden van het huispersoneel van die tijd. Maria van der Ent schreef het boek voor haar kinderen en had beslist niet de pretentie een soort cultuurhistorisch overzicht te geven (dat is het ook inderdaad niet); het was ook niet haar bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Maar doordat haar zoon jaren na haar dood met het manuscript naar een uitgever is gestapt, zijn we nu een prachtig boek rijker.

Maria van der Ent: In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd. Artemis & co, 2007. 195 blz.
Klik hier voor een recensie in Trouw.

Tacitus vertalen

De Romeinse historicus Tacitus (ca. 55-120) schreef in een ultrabondige stijl en is ontzettend moeilijk te vertalen, begrijp ik. Er is net een vertaling verschenen van zijn Historiën, gemaakt door classicus Vincent Hunink. In de NRC-boekenbijlage van gisteren stond een interview van Pieter Steinz met de vertaler. Ik ben zelf geen classicus, maar ik vind het leuk om te lezen wat deze collega-vertaler over zijn werk vertelt. Hieronder enkele citaten uit Huninks antwoorden.

“Er wordt wel gezegd dat Tacitus moeilijker is dan Caesar. Om in het Latijn te lezen misschien, maar bij het omzetten in goed Nederlands maakt dat niet uit. Er bestaan geen makkelijke teksten om te vertalen. Iedere schrijver heeft zijn eigen stijl, die je zo goed mogelijk moet zien over te brengen.”

“Teksten uit de Oudheid moet je lezen in hun oorspronkelijke vorm, maar presenteren in de taal van nu, inclusief de hulpmiddelen die er in de handschriften niet bijstaan: interpunctie, alineascheidingen, tussenkopjes, een inleiding en een index. Het is een misverstand dat het omzetten van de ene taal in de andere altijd gepaard gaat met verlies; dat idee werpt een drempel voor de lezer op. Bij een vertaling maak je ook winst. Je kunt inspelen op het associatievermogen van de hedendaagse lezer; zo gebruik ik het beladen woord ‘bonussen’ voor de geldsommen waarmee keizers in spe de steun van de Romeinse soldaten kopen, en het in de Haagse politiek misbruikte woord ‘temporiseren’ in de context van laffe, besluiteloze politici. En je kunt misschien niet alle klankeffecten en alliteraties op dezelfde plaatsen handhaven, maar je kunt ze wel elders compenseren. Het gaat om het netto-effect.”

“Zoals Tacitus schreef, zo schreven Romeinen niet. Het is een kunsttaal, die heel ver aflag van het gesproken woord; hard als een laserstraal, zonder ruis. /…/ Je moet de vertaling dus zó in elkaar drukken dat het Tacitus wordt – wat in het Nederlands moeilijk is omdat je daarin zoveel kleine woordjes nodig hebt om een tekst leesbaar te houden.”

“Tacitus schreef een bijna experimenteel proza. Redacties van uitgeverijen houden daar niet van; ze hebben de neiging het Nederlands te normaliseren. Ik heb dus wel compromissen moeten sluiten. Als het aan mij lag, was er nog heel wat uitgegaan – lidwoorden, voegwoorden, bijwoorden. Neem een zinnetje als ‘De senaat, het volk, je kende ze niet meer terug’, waarmee het hoofdstuk over de chaos na de moord op Galba begint. Eigenlijk had dat ‘Senaat, volk, niet meer terug te kennen’ moeten zijn; maar tegen dat soort bondigheid maakte de uitgeverij bezwaar.”

Tacitus: Historiën (Historiae). Vertaling Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010. 308 blz.

Kettinglezen (2)

Van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932).

Hjalmar Söderberg (1869-1941)

Maria von Platen (1871-1959)

Mijn tweede leesketting heeft als thema: de positie van de vrouw rond 1900. (Lees hier over mijn eerste leesketting.) Dat komt zo. Al vele jaren is de Zweed Hjalmar Söderberg (1869-1941) een favoriete schrijver van me. Hij schrijft zo mooi, en met zoveel verstand en subtiele mensenkennis en betrokkenheid bij de wereld. Daarbij spelen zijn romans en verhalen zich vrijwel allemaal af in mijn lievelingsstad Stockholm. Ik ben er heel trots op dat ik twee romans van Söderberg heb vertaald: Het ernstige spel, verschenen in 2003 en Dokter Glas, verschenen in 2004, allebei bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. (Van Dokter Glas was in de jaren zeventig al eens een vertaling verschenen – maar de mijne is beter ;-) ). Söderberg heeft zich bij het schrijven laten inspireren door een vrouw die een aantal jaren zijn grote liefde was. Zij heette Maria von Platen. Ze kwam uit een adellijke Zuid-Zweedse familie en was nog voor haar twintigste uitgehuwelijkt aan een veel oudere man. Maria von Platen was ongelukkig in haar huwelijk en verliet na enkele jaren haar echtgenoot en haar zoontje om zelfstandig in Stockholm te gaan wonen. Ze scheidde niet, ze ging niet werken – voor een jonge vrouw uit haar kringen was het destijds (rond 1900) onfatsoenlijk om een baan te hebben – en voor haar levensonderhoud was ze afhankelijk van haar ouders en andere familie. Breed had ze het in elk geval niet. In Stockholm kreeg Maria een verhouding met de schrijver Söderberg, en later ook nog met anderen uit literair-culturele kringen.

De affaire tussen Hjalmar Söderberg en Maria von Platen was een knipperlichtrelatie. Söderberg was ook getrouwd en had een gezin; zijn vrouw was psychisch labiel en hij vond niet dat hij zich van haar kon losmaken. Soms zagen Hjalmar en Maria elkaar maanden niet. Na herhaaldelijke conflicten, veroorzaakt doordat Maria affaires met andere mannen had, kwam er een einde aan hun verhouding.

Söderberg heeft deze vrouw, die hij diep en bitter had liefgehad, literair gestalte gegeven in verschillende personages van zijn romans en toneelstukken, ook nog toen de relatie met Maria al jaren uit was. Zowel in Dokter Glas als in Het ernstige spel is de vrouwelijke hoofdpersoon getrouwd met een veel oudere man, van wie zij zich wil losmaken. In Dokter Glas wordt de jonge vrouw nogal geïdealiseerd beschreven; in Het ernstige spel krijgt zij veel meer het negatieve stempel van een een mannenverleidster. Ook in de hoofdpersoon van Söderbergs toneelstuk Gertrud uit 1906, dat ook in Nederland nog altijd met enige regelmaat wordt opgevoerd, zijn duidelijke trekken te herkennen van de vrouw die van ongeveer 1900 tot 1906 Söderbergs geliefde en muze is geweest.

Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de manier waarop Söderberg morele kwesties aankaartte, de moraal van de samenleving bekritiseerde, en liet zien dat naar zijn mening mannen en vrouwen een heel verschillende kijk op de liefde/het huwelijk hebben. Neem nou Het ernstige spel. Opvallend in de literatuurkritiek over dat boek (de Zweedse uitgave verscheen in 1912) is dat veel (heren) recensenten de vrouwelijke hoofdpersoon zonder meer als fatale vrouw afserveerden, terwijl ze nauwelijks kritiek hadden op de mannelijke hoofdpersoon. Toch leeft die – hij heet Arvid -  wat liefde en huwelijk betreft minstens even immoreel als Lydia; je kunt hem nauwelijks een sympathieke romanheld noemen. Ik ben altijd benieuwd geweest naar het personage Lydia en naar háár kijk op de zaak. Het lastige maar ook interessante is dat door het vertelperspectief van Het ernstige spel Lydia zelf nauwelijks aan bod komt – de lezer wordt meegenomen in de gedachtenwereld van Arvid; het boek is vrijwel geheel geschreven vanuit het perspectief van Arvid. Wie zorgvuldig leest, moet echter tot de conclusie komen dat Arvid een personage is met sterke vooroordelen jegens vrouwen. Ik geloof dat Söderberg door vanuit Arvids perspectief te schrijven de man (indirect) bekritiseert, wat een mildere interpretatie van Lydia mogelijk maakt.

We mogen natuurlijk geen “is-gelijk-teken” zetten tussen de fictieve wereld van de romans en de werkelijkheid van Hjalmar Söderberg en Maria von Platen. De échte Maria, de vrouw achter de romanpersonages, heeft me wel altijd geïntrigeerd; zij leek mij een bijzonder, boeiend mens. Nu kreeg ik een paar maanden geleden een biografie van Maria von Platen in handen, geschreven door Kurt Mälarstedt en uitgegeven in 2006. Die biografie is uitgangspunt geworden van mijn tweede leesketting. Al het bovenstaande is dus eigenlijk alleen maar een inleiding.

Het grappige is nu dat fictie en werkelijkheid voor mij toch een beetje met elkaar vermengd bleken te zijn geraakt. Want de vrouw wier leven in de biografie werd beschreven, stelde me eigenlijk een beetje teleur, terwijl de fictieve dames zo boeiend waren! Nu is/was er maar weinig bekend over Maria von Platen. Zij heeft er haar leven lang voor gezorgd niet in de publiciteit te komen.  Vrijwel al haar correspondentie vernietigde ze meteen. Hjalmar Söderberg is trouwens ook altijd discreet over haar geweest. (Niettemin herkende ze natuurlijk trekken van zichzelf in zijn fictieve personages en daar is ze destijds heel boos over geweest.) Kurt Mälarstedt lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om gegevens over Maria von Platen te verzamelen en hij vertelt ook het een en ander over haar familie, haar zoon, over haar verhoudingen met andere mannen (o.a. de literator en filosoof John Landquist), over haar vegetarisme en haar feminisme. Hij laat zien hoe ze probeerde zich diverse artistieke vaardigheden eigen te maken, in de hoop daarmee wat geld te kunnen verdienen. Dat lukte haar niet. Mälarstedt voert daar diverse excuses voor aan, maar ik krijg de indruk dat ze eigenlijk gewoon niet genoeg artistiek talent had. Ze verhuisde op een gegeven moment naar een provinciestad en leefde daar teruggetrokken tot aan haar dood. Dat was het dan. Een interessante vrouw, dat wel, maar niet zo interessant als ik – gevoed door Söderbergs fictie – had gedacht.

Na lezing van de biografie bleef ik over enkele vragen nadenken. Bijvoorbeeld: waarom scheidde Maria von Platen niet van haar eerste man? En waarom liet zij haar zoontje bij die man achter, toen ze naar Stockholm vertrok? Was het liefdeloosheid, of wilde haar man het zo? Had het iets te maken hebben met haar positie als vrouw? Daar wilde ik graag nog het een en ander over lezen. Daarover in een volgend logje.

Hjalmar Söderberg: Dokter Glas. Vertaald door Bertie van der Meij.  Uitg. Wereldbibliotheek, 1e druk 2004, 2e druk 2009. 175 blz.

Hjalmar Söderberg: Het ernstige spel. Vertaald door Bertie van der Meij.  Uitg. Wereldbibliotheek, 2003. 220 blz.

Kurt Mälarstedt: Ett liv på egna villkor – om Maria von Platen. Stockholm, Wahlström & Widstrand, 2006. 231 blz.

Kettinglezen

O, wat is het stil op dit blog. Heb ik het zo druk? Eigenlijk niet. Maar ik ben aan het kettinglezen. Je weet wel: je steekt het ene boek met het andere aan. Maar nu toch even een berichtje tussendoor.

Op dit moment heb ik twee kettingen onderhanden.

De ene begon met Nothing to be frightened of van Julian Barnes, over de dood en over het (niet-)bestaan van God. In aansluiting daarop las ik De grote zaal van Jacoba van Velde. Als kraaltjes in een bijpassende kleur moet je hier de dagelijkse afleveringen van Darwin’s Origin of Species bij denken, die ik via DailyLit in mijn mailbox ontvang.
Geen zorgen – het besef dat stof tot stof weerkeert, dat de goden mensenbedenksels zijn, en dat het leven een strijd is om wie de sterkste is, vind ik niet perse deprimerend. Er is veel Schoonheid en Troost. En ik voel vaak Vreugde en Verwondering over wat ik gemakshalve even “het leven, het universum, enzovoort” zal noemen. De vraag is waar die gevoelens dan vandaan komen. Iets van een antwoord vind ik in het volgende boek van deze leesketting, dat ik nu aan het lezen ben. Het is geschreven door Mark Rowlands en het heet The Philosopher and the Wolf: Lessons from the Wild on Love, Death, and Happiness. (Even tussen haakjes: die komma na Death en voor and Happiness wordt een Oxford-komma genoemd; ik ben er dol op. Net als op de puntkomma. Laten we die alsjeblieft in ere houden.) Mark Rowland is een filosofiedocent die op een gegeven moment een wolvenwelp in huis nam. Hij noemde hem Brenin. In het wild wordt een wolf doorgaans niet ouder dan zeven jaar, maar Brenin en Rowland leefden elf jaar samen. Rowland schreef er een fantastisch boek over, een boek dat ook over de verwondering en vreugde over het leven, het universum, enzovoort gaat.

Hier is een citaat uit de inleiding van dat boek (in het Engels, want ik heb de Nederlandse uitgave niet in huis):

By ‘soul’ I don’t necessarily mean some immortal and incorruptible part of us that survives the death of our bodies. The soul may be like this, but I doubt it. Or it may be that the soul is simply the mind, and the mind is simply the brain. But, again, I doubt it. As I am using the word, the soul of human beings is revealed in the stories they tell about themselves: stories about why they are unique; stories we humans can actually get ourselves to believe, in spite of all the evidence against them. These, I am going to argue, are stories told by apes [...].
I am, here, using the ape as a metaphor for a tendency that exists, to a greater or lesser extent, in all of us. It is the tendency to see the world as a collection of resources; things to be used for its purposes. The ape applies this principle to other apes as much as, or even more than, to the rest of the world. The ape is the tendency to have not friends, but allies. The ape does not see its fellow apes; it watches them. And all the while it waits for the opportunity to take advantage.
[...]
This, I should reiterate, is a metaphor that I use to describe a human tendency. We all know people like this. We meet them at work and at play; we have sat across conference tables and restaurant tables from them. But these people are just exaggerations of the basic human type. Most of us, I suspect, are more like it than we realize or would care to admit. But why do I describe this tendency as simian? Humans are not the only sorts of apes that can suffer and enjoy the gamut of human emotions. As we shall see, other apes can feel love; they can feel grief so intense that they die from it. They can have friends, and not just allies. Nevertheless, this tendency is simian in the sense that it is made possible by apes; more precisely, by a certain sort of cognitive development that took place in the apes and, as far as we know, no other animal. The tendency to see the world and those in it in cost-benefit terms; to think of one’s life, and the important things that happen in it, as things that can be quantified and calculated: this tendency is possible only because there are apes. And of all the apes, this tendency receives its most complete expression in us. But there is also a part of our soul that existed long before we became apes – before this tendency could catch us in its grip – and this is hidden in the stories we tell about ourselves. It is hidden, but it can be uncovered.
[...]
It took a long time, but at last I think I understand why I loved Brenin so much, and miss him so painfully now he has gone. He taught me something that my extended formal education could not: that in some ancient part of my soul there still lived a wolf.
Sometimes it is necessary to let the wolf in us speak; to silence the incessant chattering of the ape. This book is an attempt to speak for wolf in the only way that I can.

Mark Rowlands: The philosopher and the wolf. Lessons from the wild on love, death, and happiness. Pegasus Books, 2009. 246 pp.

Ik zal het vast niet kunnen laten om vaker uit dit boek te citeren.
En de andere ketting? Daarover een andere keer.

Julian Barnes: Nothing to be frightened of

Ik dacht dat Nothing to be frightened of een boek over doodgaan was. Dat is het óók wel, het gaat in elk geval deels ook over de laatste levensfase van de mens met de aftakeling die daar veelal bij hoort. Barnes bespreekt bijvoorbeeld ouderdom en sterven van zijn ouders, en hoe hij daar tegenaankeek en hoe zij zich eronder hielden. Maar sterven is niet het hoofdthema van het boek. Barnes’ belangrijkste onderwerp is niet doodgaan, maar dood zijn. De dood, dood zijn, is voor Barnes het grote Niets. De titel Nothing to be frightened of moeten we dan ook dubbelzinnig opvatten: de dood is niets om bang voor te zijn, maar ook het Niets, waar wij bang voor zijn.

Barnes zelf is inderdaad heel bang voor het Niets. In dit autobiografische boek gaat hij te rade bij allerlei mensen in heden en verleden, op zoek naar manieren om van die vrees af te komen of die te leren hanteren. Een voor de hand liggende manier is het geloof in God en in een hiernamaals. Een van de mensen die Barnes bevraagt, is zijn eigen broer. Die broer is filosoof en atheist,  en hij maakt zich geen enkele illusie over een leven na de dood. Zijn leven zal eindigen met de dood en hij heeft daar op stoicijnse manier vrede mee.

Anders dan zijn broer weet Julian Barnes niet zeker of hij zichzelf atheist of agnost of nog iets anders wil noemen. Hij zegt:  ’Ik geloof niet in God. Maar ik mis hem wel.’ Barnes wijdt een groot deel van zijn boek aan dit gevoel van gemis. Blijkbaar heeft het veel te maken met zijn angst voor het grote Niets. Hij zou zo graag willen dat er toch Iets was. Want waar moet de mens anders de zin van het leven vinden, als het waar is dat er na de dood Niets is? Barnes gaat op zoek naar iets om de lege plek te vullen, op zoek in de filosofie, in de literatuur, in de wetenschap en in de kunst. Zonder resultaat, uiteindelijk. Hij blijft een onrustige zoeker, troosteloos bij het vooruitzicht van het grote niets.

Barnes schrijft het allemaal mooi op, soms aangrijpend maar ook met voldoende humor. Wat hij over zijn ouders en over zijn opvoeding schrijft, is leuk en interessant om te lezen. Uit de gesprekken met zijn broer blijkt dat ze beiden heel verschillende herinneringen hebben. Wat wel en niet waar is, daar is niet meer achter te komen. De stukken van Barnes over hoe allerlei schrijvers, musici en andere kunstenaars zich verhielden tot de dood zijn fascinerend. Hij verdiept zich zelfs in de motieven van mensen die zich laten invriezen op hoop van leven na ontdooiing in de toekomst. Nothing to be frightened of geeft heel wat te denken en is daarbij ontzettend goed geschreven. Toch werd ik zo nu en dan een tikje ongeduldig van dit boek. Ik kan me wat betreft dood en religie namelijk goed identificeren met Julian Barnes’ broer; beter dan met Julian zelf. Er is geen God en ik mis hem ook niet. De dood is onvermijdelijk. En er is niets na de dood. De mens is stof en tot stof zal hij wederkeren. Een lijk raakt in ontbinding en wordt weer aarde. Ik vind het geen prettige gedachte dat die ontbinding langer duurt dan natuurlijk is, daarom zou ik persoonlijk liever in een kartonnen doos dan in een kist begraven willen worden. Maar dat is in feite een kwestie waarover mijn nabestaanden beter kunnen beslissen – eenmaal dood heb ikzelf nergens meer last of gemak van. Nee, het dood zijn jaagt me geen angst aan en het grote Niets van Barnes houdt me dan ook niet zo bezig. Doodgaan is iets heel anders. Sterven is afscheid nemen voor alle betrokkenen, voor de stervende zelf maar ook voor degenen die blijven leven. Dat is moeilijk. Ook daar heb ik net een boek over gelezen: De grote zaal, van Jacoba van Velde. Daarover, en wie weet ook over de zin van het leven, een volgende keer.

Do we create art in order to defeat, or at least defy, death? To transcend it, to put it in its place? You may take my body, you may take all the squidgy stuff inside my skull where lurks whatever lucidity and imagination I possess, but you cannot take away what I have done with them. Is that our subtext and our motivation? Most probably — though sub specie aeternitatis (or even the view of a millennium or two) it’s pretty daft. Those proud lines of Gautier’s I was once so attracted to — everything passes, except art in its robustness; kings die, but sovereign poetry lasts longer than bronze — now read as adolescent consolation. Tastes change; truths become clichés; whole art forms disappear. Even the greatest art’s triumph over death is risibly temporary. A novelist might hope for another generation of readers — two or three if lucky — which may feel like a scorning of death; but it’s really just scratching on the wall of the condemned cell. We do it to say: I was here too.
(blz. 200-201)

Julian Barnes: Nothing to be frightened of. 2008. 243 pp.
De Nederlandse vertaling heet Niets te vrezen en is verschenen bij uitg. Atlas, ook in 2008.

Volwassen worden volgens Julian Barnes

Toen ik een jongen was, leek het onmogelijk ooit het stadium van volwassenheid te betreden — volwassen-zijn was een mengsel van onbereikbare competenties en niet bepaald benijdenswaardige angsten (pensioenen, kunstgebitten, pedicures); en toch brak dat stadium aan, al gaf het van binnen een ander gevoel dan het van buitenaf leek. Een prestatie was het blijkbaar ook al niet om volwassen te zijn. Het voelde eerder aan als een samenzwering: ik doe net alsof jij volwassen bent, maar dan moet jij net doen alsof ik het ben.

When I was a boy, adulthood seemed an inaccessible condition – a mixture of unattainable competences and unenviable anxieties (pensions, dentures, chiropodists); and yet it arrived, though it did not feel from within how it looked from without. Nor did it seem like an achievement. Rather, it felt like a conspiracy: I’ll pretend that you’re grown up if you pretend that I am.

(Julian Barnes: Nothing to Be Frightened Of. 2008. Blz. 186. Het eerste hoofdstuk van dit boek is online te lezen op de New York Times website.)

Domme kat

W.F. Hermans (1921-1995) hield veel van katten. In heel wat teksten van zijn hand probeerde hij het gedrag en de aard van deze dieren te beschrijven en te begrijpen. Dat laatste lukte hem niet. Katten blijven onbegrijpelijke dieren die altijd iets anders doen dan je verwacht of probeert uit te lokken. Radeloos van onbegrip schrijft Hermans:

Waarom ben jij bij mij, raadsel? Waarom houd ik van jou? Waarom wil ik je in mijn armen nemen als een pasgeboren zuigeling — maar die zuigeling blijft niet lang zo dom als jij je hele leven blijven zal…
Want katten zijn, het hoge woord moet er nu maar uit, waarschijnlijk oliedom, wat onze liefde niet verklaren kan.

Om in de volgende alinea die bewering alweer terug te nemen:

Als katten echt dom waren, dan zouden zij er toch niet in slagen levenslang de illusie te wekken dat zij bij ons een geheime maar welbepaalde zending hebben te vervullen?

HermansIn De geur van een pasgestoomde deken (De Bezige Bij 2009) zijn allerhande poezenstukken van Hermans bijeengebracht, met een inleiding door Willem Otterspeer. Verhaaltjes, een interview, teksten op ansichtkaarten die Hermans naar De Poezenkrant stuurde, foto’s van de schrijver en zijn poezen, en ten slotte het lange essay over de liefde tussen mens en kat dat in 1985 al eens werd gepubliceerd door De Bijenkorf.
De geur van een pasgestoomde deken is leuk om te lezen en mooi uitgegeven. Vanaf het stofomslag kijkt Hermans ons aan met een blik, even ondoorgrondelijk als die van de poes die hij op zijn arm heeft.

Van een van onze katten hebben wij wel eens gekscherend beweerd dat hij een negatief IQ had. Dit dier is onlangs ernstig ziek geweest (hij is gelukkig weer aan de beterende hand). Toen hij ziek was kreeg ik toch een andere kijk op hem. Hij droeg zijn ziekte bepaald met waardigheid. Hij schikte zich zonder morren in zijn beperkingen, klaagde niet, probeerde geen medelijden te wekken terwijl hij dat toch heus verdiende. Je kunt iemand, ook een dier, niet tegelijkertijd oliedom en waardig vinden, merkte ik.

Wat zien dieren, wat denken ze? Wat vinden ze van ons? We weten het niet. Ons onvermogen om dieren te doorgronden is mooi verwoord in het volgende citaat van natuurkenner en schrijver Henry Beston (1888-1968):

The animal shall not be measured by man. In a world older and more complete than ours, they move finished and complete, gifted with extension of the senses we have lost or never attained, living by voices we shall never hear. They are not brethren; they are not underlings; they are other nations, caught with ourselves in the net of life and time, fellow prisoners of the splendor and travail of the earth.

Kalksteen

De dichter W.H. Auden had een groot zwak voor kalksteen.
“Hij raakte vooral ontroerd door de manier waarop het erodeerde. Dat kalksteen oplost in water heeft als consequentie dat een breuklijn in het oorspronkelijke gesteente langzaam uitslijt als gevolg van een proces van zachte, vloeibare verwering. Zo wordt de vorm waarin kalksteen zich in de loop der tijd ontwikkelt bepaald door de oudste breuken die erin voorkomen. Auden vond dat zowel een menselijke als een geologische eigenschap: wat hem zo in kalksteen aansprak was een bepaalde eerlijkheid, een erkenning dat we evenzeer worden gevormd door onze tekortkomingen als door onze gedegenheid.”

Uit: Robert Macfarlane, De laatste wildernis [The wild places]. 2008. Vert. Nico Groen.

Archief

Subscribe to posts

  by     or  

Boeken — Bezig in:



Pas uitgelezen:





‘n Paar tientjes over?