Klein Groot Berlijn

Schitterend filmpje over Berlijn. Met mooie muziek.

Little Big Berlin from pilpop on Vimeo.

Het kan geweldig opmonterend zijn om de mensen en hun gedoe eventjes van bovenaf te bekijken, zoals de maker van dit filmpje doet. En Berlijn, dat is gewoon een geweldige stad. Ehh… een geweldig stadje. (Via Ptak)

Carry van Bruggen (Kettinglezen, slot)

Ja ja, ik weet het, ik moet nog steeds een slot breien aan mijn serie “Kettinglezen” (voor eerdere afl. klik op: 1, 2, 3, en 4). Ik las literatuur (fictie) over de maatschappelijke situatie van de vrouw rond 1900, met het accent op de normen voor liefde & seks die in die tijd voor vrouwen golden. Daaronder twee romans van Carry van Bruggen: Een coquette vrouw uit 1915 en Eva uit 1927. Dat leek me een terechte keus, want die boeken gaan allebei over een vrouw die zich min of meer ingeperkt voelt door de seksuele normen van haar tijd. Volgens die normen waren seksuele gevoelens en ervaringen taboe voor vrouwen. Behalve binnen het huwelijk. Maar over seks binnen het huwelijk sprak men niet, behalve misschien met de dokter. Over seks voor of buiten het huwelijk praatte men al helemáál niet. En homoseksuele gevoelens waren absoluut onbespreekbaar. Is dat iets nieuws? Natuurlijk niet. De normen waar het hier om gaat golden voor veel Nederlanders (ook voor mij) tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw en vaak nog wel langer. Dat er in het eerste kwart van de twintigste eeuw in Nederlandse romans niet heel expliciet over seks kon worden geschreven, was te verwachten. Met de kwaliteit van literatuur heeft dat niets te maken.

Maar: ik kan er maar niet toe komen de twee romans van Van Bruggen positief te bespreken. Dat komt zo: ik vond ze bijna niet om door te komen! Vooral Eva viel me zwaar! Ik hou blijkbaar niet van Carry van Bruggen! Terwijl ze toch zo’n interessante visie had, en zo mooi was, en zo depressief, en terwijl ze zo tragisch gestorven is! (Voor info over CvB, klik hier.) Maar haar stijl ligt me niet.

Carry van Bruggen was een kampioen in het gebruik van … de drie stippeltjes. In een ander boek van haar, Het huisje aan de sloot, kon ik dat nog wel verdragen. Dat zijn jeugdherinneringen, en daar past een enigszins naïeve stijl wel bij. Door die drie stippeltjes verspreid over vrijwel alle pagina’s krijgt de tekst voor mij een onherstelbaar naïeve en meewarige toon, misschien doordat ik in mijn jeugd te veel kinderboeken van W.G. van de Hulst heb gelezen. In Eva kon ik ze op een gegeven moment niet meer zíén! Ze maakten van het boek bijna een louter emotioneel verslag. Geef mij wat meer ratio. Toch zie ik, langs die stippeltjes heen, soms ook het mooie van Carry van Bruggens manier van zien, voelen en schrijven. Maar een heel boek achter elkaar wordt me teveel.

Enfin, het zij zo. Misschien probeer ik ooit… ooit… nog eens een ander boek van CvB.

(Een fragment uit Eva):
Mag ik het nu zeggen… mag ik nu lieveling zeggen? Je moogt het niet zeggen: het is te zoet en te groot… je zou sidderen moeten, je siddert niet… je deed dat wel in sommige nachten, als je het fluisterde naar een man, die je niet kent. Het woord vloog uit… zó vloog uit Noachs ark de duif de wateren over… en vond geen rust voor zijn voet… en keerde niet weer… Najaar was het, je liep naar huis. Nu ga ik trouwen. Nu zullen er geen geheimen meer zijn. Ik ga trouwen en ik krijg een kind. Ik krijg het… van Ben… Ik wil het heel graag hebben. Daaraan alleen behoor je te denken… daaraan is het andere, zijn de geheimen, verbonden. Johannes Viator, Perks ‘Mathilde’. Hoe ik somtijds kan verlangen, naar wat mag en moet geschiên Om – laat mij u nogmaals kussen – in mijn kinderen u te zien. Neen. Niet mooi. Pijnlijk, om licht van te rillen… ‘U’. ‘Mag en moet geschieên.’ Niet mooi, niet lief… niet zoet…

Evenementisme

Gisteren las ik het woord “evenementisme” in NRC-Handelsblad, in een nieuwsanalyse van de verstoring van de dodenherdenking op de Dam. Het artikel begon zo: “Nederland krijgt allengs dubbelhartige trekjes. De natie wil steeds vaker en grootser herdenken of feesten. Maar de risico’s aanvaarden we niet graag.”
Ook op Frontaal Naakt is het woord evenementisme dit jaar al eens gebruikt, in een lezersreactie. Met een toelichting: “De omvang van allerlei feesten en tentoonstellingen is enorm toegenomen sinds 1970, niet alleen in fysieke zin, maar ook wat betreft bezoekersaantallen. Veel mensen krijgen het idee, dat ze iets niet gemist mogen hebben, en komen braaf.”
Een overmaat aan evenementen zie je ook in de literaire wereld; ik noemde dat onlangs nog in een bericht op dit blog. (Trouwens, op begrafenissen komen soms ook enorme aantallen mensen af, is me opgevallen.)

Anarchiste Emma Goldman spreekt menigte toe. New York, 1916.

Maar is het eigenlijk wel waar dat het om een nieuwe en groeiende trend gaat? Mensen hebben natuurlijk altijd van grote (rituele) bijeenkomsten en festiviteiten gehouden. (Ik moet opeens ook aan de spiralende massa’s bij de Kaaba in Mekka denken.) Wel worden we tegenwoordig opdringerig door allerlei media aangemoedigd en opgetrommeld om ergens naartoe te gaan. Vaak zit er een commercieel belang achter.

Het aantal mensen dat de Wereldtentoonstelling in Sjanghai bezoekt, schijnt echter zwaar tegen te vallen – de grote massa’s waarop gerekend en gehoopt was, blijven daar vooralsnog weg, lees ik o.a. hier. In het licht van veiligheid en bezoekersplezier vind ik dat nu juist een gunstig bericht.

Enfin. Het is wel een ontzettend lelijk woord, evenementisme. Wie weet een beter?

Mijn C-factor

Het is zondag,  een geschikte dag om de C-test te doen van het dagblad Trouw: “Hoe calvinistisch bent u?” (Al eens gezien bij Nanos.) De test wees uit dat mijn C-factor 39 % is. Hieronder de toelichting op de uitslag:

Categorie Score Commentaar
34 Arbeid 57% Jij hebt het calvinistische arbeidsethos . Je werkt nooit hard genoeg ; het is voor jou een dure plicht. Je bent gewild op de arbeidsmarkt, maar het evenwicht tussen werk en privé kan zoekraken.
33 Geloof 40% Je bent een onbezorgde gelovige, die zich niet al te druk maakt.
36 Rechtlijnigheid 20% Jij weet hoe je moet genieten. Je tijd besteed je niet altijd even nuttig. Hou de balans in de gaten!
37 Relaties 33% In je relaties ben je weinig gereserveerd. Zeg maar: oncalvinistisch. Daarvoor laat je je te gemakkelijk gaan.
38 Soberheid 33% Voor een leven als calvinist ben je niet in de wieg gelegd. Katholicisme past je beter – een tikje hedonistisch, los en emotioneel.

Mijn eigen commentaar: Volgens de test ben ik minder calvinistisch dan ikzelf denk (en probeer te zijn, jazeker!). De test houdt weinig rekening met niet-gelovigen. En de laatste vraag vond ik het leukst — die heb ik met “ja” beantwoord). Wil je de test ook doen? Je moet je wel even registreren.

De literatuurmarktplaats

Driedaags Literatuurfestijn. Boekennacht. Literair Festival. Literatuurprijs. Longlist. Shortlist! Top Tien Best verkochte boeken. Week van de Klassieken. Nacht van de Klassieken! Boekenweek. Jeugdboekenweek. Een Ander Literatuurfestival. Het LEUKSTE Poëziefestival! Start Nieuw Boekenseizoen. Week van de Misdaad! Lezing door Schrijver X. Lezing over Schrijver Y. Welkom bij de Boekpresentatie. Literaire Lente. Literair Café. Internationaal Literatuurfestival. Festival voor Nieuwe Literatuur. Amsterdam Wereldboekenstad! Boekenseizoen Feestelijk Geopend! Grandioos Literair Evenement. Uitmarkt Boeken. Wereldboekenmarkt. Dichter bij de Dichters. Schrijversfestival.

Uit: One was Johnny, door Maurice Sendak

Hou op! Loop naar de maan met je festivals! Ik wil gewoon lekker lezen.

In betrekking (Kettinglezen 4)

Wat heeft een mens in zijn lange leven toch veel herinneringen waar je met niemand over kunt en wilt spreken, maar die toch om een onnaspeurlijke reden onvergetelijk zijn!

Bovenstaand citaat komt uit In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd, door Maria van der Ent (1900-1991). Maria van der Ent was de oudste in een gezin met dertien kinderen. Ze kwam met goede cijfers van school, maar doorleren zat er voor haar niet in. Maria werkte vanaf haar twaalfde jaar dertien jaar lang als dienstmeisje in verschillende Rotterdamse families. In 1925 trouwde ze en begon ze haar eigen huishouden. Tegen haar eigen kinderen sprak ze nooit over haar vroegere nederige bestaan als dienstmeisje. Toen een van haar zonen er haar in 1970 naar vroeg, besloot ze haar herinneringen op schrift te stellen. In 1972 overhandigde ze haar zoon een multomap met 400 volgeschreven bladzijden. Die zijn in 2007 in boekvorm gepubliceerd, en het is een boeiend boek geworden. Ik vond de eerste hoofdstukken, “Vader en moeder” en “Het straatleven in Rotterdam” al meteen hartveroverend.

Door mijn huidige leesthema (zie Kettinglezen 2 en 3) was ik benieuwd of ik in de aantekeningen van Van der Ent, die de jaren 1912-1925 bestrijken, iets over de vrouwenbeweging zou vinden – de schrijfster zal toch zeker iets hebben gemerkt van bijvoorbeeld de kiesrechthervormingen in die tijd. Van der Ent schrijft daar echter niet direct iets over. Maar ze leerde wel om strijdbaar te zijn. Dat was dan ook hard nodig. In haar eerste dienstje verdiende ze 75 ct per week voor hele dagen en zondags een halve dag werken. Toen ze een keer een kopje brak, hield haar “mevrouw” negenenhalve cent in van haar weekloon. Voor Maria was dat aanleiding om nooit meer terug te gaan naar deze mevrouw. In haar tweede dienstje was ze meisje voor halve dagen. Dat baantje verliet ze om een paar weken seizoenarbeid te gaan doen.

Op een keer hoorde ik dat je met aardbeien plukken f 1,- per dag kon verdienen. Ik wist dat ze het thuis goed konden gebruiken, en ik zegde mijn betrekking op. ‘Maar kind,’ zei mevrouw geschrokken, ‘daar ben je toch niet geschikt voor, dat is niets voor jou!’ Nou, dacht ik, aardbeien plukken is vast niet zo zwaar als de grote was doen. En ik ging weg, maar ik kreeg een mooi getuigschrift mee. …

… we kregen inderdaad f 1,- per dag. Maar ik zag dat de anderen f 1,25 kregen en ik plukte net zo veel als zij. Ik vroeg aan de jonge boer die altijd op het land zat, ook om f 1,25 per dag. ‘Dat krijg je pas als je ook vijfentwintig tips per dag plukt zoals die anderen,’ zei hij. ‘Nou, dat doe ik,’ antwoordde ik. ‘Laat dan maar eens zien, stapel ze maar eens op vandaag,’ zei hij. En jawel, toen kreeg ik ook f 1,25 per dag.

Als dienstmeisje had Maria soms te maken met seksuele intimidatie of zelfs erger, maar ze wist zich overal goed door te slaan en één keer zelfs een paar flinke trappen uit te delen en de betreffende jongeman een dag lang op te sluiten.
Bij sommige families voelde ze zich goed thuis. Ze deed veel ervaring op, niet alleen met schoonmaakwerk maar ook met etiquette, tafelmanieren, tafel dekken, logistiek van grote diners, en koken. Nog vóór haar twintigste kreeg ze zelfs de leiding over het grote huishouden van een van de deftigste families van Rotterdam. Daar ging ze overigens niet meer door verdienen. Toen ze uiteindelijk besefte dat ze werd uitgebuit, besloot ze weer ontslag te nemen.

Al met al was het geen kleinigheid om mijn baan op te zeggen, ik was er meer dan zeven jaar geweest. Ik overdacht alles nog eens goed, ik had het er heerlijk gehad, en had ook veel aan mevrouw te danken. Ze heeft me ook veel geleerd. Maar mevrouw had ook jaren een perfecte hulp aan mij gehad. En de laatste jaren had ze massa’s vrije tijd gehad. Alles had ze aan mij overgelaten., de hele gang van zaken in huis. Ik behoefde in het geheel geen schuldgevoel te hebben. Mijn ogen waren wagenwijd opengegaan. Ik kon me niet herinneren ooit opslag te hebben gekregen.

Van der Ent heeft het verhaal van haar dienstbodetijd goed en levendig en gedetailleerd opgeschreven. Het is ontzettend leuk om te lezen en je komt veel te weten over de familiecultuur en over de omstandigheden van het huispersoneel van die tijd. Maria van der Ent schreef het boek voor haar kinderen en had beslist niet de pretentie een soort cultuurhistorisch overzicht te geven (dat is het ook inderdaad niet); het was ook niet haar bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Maar doordat haar zoon jaren na haar dood met het manuscript naar een uitgever is gestapt, zijn we nu een prachtig boek rijker.

Maria van der Ent: In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd. Artemis & co, 2007. 195 blz.
Klik hier voor een recensie in Trouw.

Kettinglezen (3)

Na lezing van de biografie van Maria von Platen (zie log van 2 april jl.) wilde ik meer lezen over de positie van de vrouw rond 1900. Ik pakte de Zweedse roman Pennskaftet door Elin Wägner, die al een hele poos ongelezen in mijn boekenkast stond.  Het bleek een bijzonder boek.

Elin Wägner (1882-1949)

Elin Wägner (1882-1949) was schrijfster, journaliste, feministe; in haar latere jaren werd ze ook nog pacifiste. Pennskaftet uit 1910 was Elin Wägners derde boek, en haar eerste echte roman.  Het is een verhaal over een groepje dames dat met veel idealisme strijdt voor kiesrecht, beter onderwijs, zelfstandigheid en betere werkomstandigheden voor vrouwen. “Pennskaftet” (=penhouder) is de geuzennaam van een van de activistes, een jonge journaliste die ook de jongeman die op een gegeven moment haar geliefde wordt tot feministische inzichten probeert te brengen. Tussen de vrouwen is het niet allemaal pais en vree en elk van hen heeft weleens twijfels en legt haar eigen accenten. Elin Wägner bepleit in het boek tevens een vrijere kijk op liefde en seks. Ik vond het boek goed geschreven, levendig en fris, en “Penhouder” vind ik een hartveroverend personage. Van Wägners werk is jammer genoeg maar heel weinig in het Nederlands vertaald.

In Nederland hadden we rond 1900 natuurlijk ook feministische publicaties. Van dr. Aletta Jacobs bijvoorbeeld. Die schreef trouwens goed! Lees bijvoorbeeld eens haar artikel “Het doel der vrouwenbeweging” in De Gids van 1899. Aletta Jacobs schreef echter geen fictie.

Het volgende boek in mijn leesketting werd Hilda van Suylenburg uit 1897, geschreven door Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk (1866-1944). Dit is zo ongeveer de spraakmakendste Nederlandse roman uit de zgn. eerste feministische golf geweest. De hoofdpersoon Hilda is een meisje van adellijke afkomst dat na de dood van haar ouders bij haar oom en tante in Den Haag gaat wonen. In Den Haag leert ze de feministische vrouwelijke arts Corona van Oven kennen (duidelijk geïnspireerd op Aletta Jacobs lijkt me), en via Corona komt ze in aanraking met meisjes en vrouwen uit allerlei verschillende milieus. Voor een meisje van Hilda’s afkomst ligt een leven van oppervlakkig vermaak en luxe voor de hand, maar Hilda kiest uiteindelijk voor een serieuze studie, rechten. Ze wil als advocate en juriste de positie van vrouwen helpen verbeteren. En passant vindt ze ook nog de man van haar hart. Allerhande casussen (iets te veel naar mijn smaak) van onrecht jegens vrouwen passeren de revue in de roman, en helemaal aan het eind sluipt er zelfs dierenleed in het verhaal, iets dat natuurlijk ook bestreden dient te worden. Dat alles haalt soms de vaart een beetje uit de vertelling. Niettemin heb ik het boek met veel plezier gelezen. Het taalgebruik heeft niets gekunstelds of stoffigs. Waarom zijn boek en schrijfster nooit aan de orde geweest in mijn literatuurlessen op school vroeger? Ik heb er mijn oude Literatuurgeschiedenis – Bloemlezing van Lodewick ook nog op nageslagen, maar titel noch schrijfster zijn daarin te vinden.

Wat kwam ik uit deze twee romans te weten over de situatie van de vrouw rond 1900?  Dat de vrouw geen goede rechtspositie had, wist ik natuurlijk wel. Maar in de romans worden allerlei details en gevolgen van de maatschappelijke druk die er werd uitgeoefend op een aansprekende manier aan de orde gesteld. Een baan hebben, zelfs al was het een kantoorbaan, was iets wat afdeed aan de eerbaarheid van de vrouw en wat ook nog eens de positie van de man bedreigde. Het werd dan ook ontmoedigd. Voor arbeidersvrouwen in de fabrieken lag het iets anders. Maar zij konden worden ontslagen, bijvoorbeeld omdat ze zwanger werden of omdat mannen hun werk overnamen of omdat liberalere wetten verboden dat zij werk deden dat gevaarlijk was voor de gezondheid. Dat deze vrouwen door gebrek aan inkomen vervolgens hun kinderen niet meer konden voeden en kleden, werd hun als een schande aangerekend. Dienstmeisjes die zwanger raakten (niet zelden door toedoen van de heer des huizes of diens zoon) werden zonder pardon op straat gezet. Vrouwen uit welgesteldere milieus werden door opvoeding voorbereid op niets anders dan het huwelijk, en als dat er niet van kwam moesten ze maar gaan borduren. Het leven van ongetrouwde vrouwen uit gegoede families kon gruwelijk onbevredigend zijn en leidde soms tot zenuwkwalen. Een huwelijk met een “goede partij” bracht ook niet altijd geluk. Wanneer een meisje trouwde kwam het vermogen dat ze eventueel van thuis meebracht, op naam van haar man te staan. Wanneer de man het geld erdoorheen joeg, kon zijn echtgenote daar niets tegen doen. Bij echtscheiding behield de man de zeggenschap over de kinderen, terwijl de moeder het nakijken had. Wat seks betreft golden voor vrouwen en mannen zowel binnen als buiten het huwelijk verschillende normen.

Zowel in het Zweedse als het Nederlandse boek wordt hartstochtelijk de noodzaak bepleit van een betere rechtspositie voor vrouwen o.a. door vrouwenkiesrecht; het zijn allebei echte tendensromans en daarbij allebei goed en levendig geschreven. Het was boeiend en leerzaam om me eens via romans in het feminisme te verdiepen.

Elin Wägner: Pennskaftet. Stockholm, 1910. 324 blz.

Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk: Hilda van Suylenburg. 1897, herdrukt in 1984. 567 blz. De herdruk is als pdf te downloaden vanaf de dbnl-website; jammer genoeg zijn er nogal wat scanfouten in de pdf-tekst blijven zitten.

Het kettinglezen — van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932) — was hiermee nog niet afgelopen. Wordt vervolgd, dus.

Kettinglezen (2)

Van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932).

Hjalmar Söderberg (1869-1941)

Maria von Platen (1871-1959)

Mijn tweede leesketting heeft als thema: de positie van de vrouw rond 1900. (Lees hier over mijn eerste leesketting.) Dat komt zo. Al vele jaren is de Zweed Hjalmar Söderberg (1869-1941) een favoriete schrijver van me. Hij schrijft zo mooi, en met zoveel verstand en subtiele mensenkennis en betrokkenheid bij de wereld. Daarbij spelen zijn romans en verhalen zich vrijwel allemaal af in mijn lievelingsstad Stockholm. Ik ben er heel trots op dat ik twee romans van Söderberg heb vertaald: Het ernstige spel, verschenen in 2003 en Dokter Glas, verschenen in 2004, allebei bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. (Van Dokter Glas was in de jaren zeventig al eens een vertaling verschenen – maar de mijne is beter ;-) ). Söderberg heeft zich bij het schrijven laten inspireren door een vrouw die een aantal jaren zijn grote liefde was. Zij heette Maria von Platen. Ze kwam uit een adellijke Zuid-Zweedse familie en was nog voor haar twintigste uitgehuwelijkt aan een veel oudere man. Maria von Platen was ongelukkig in haar huwelijk en verliet na enkele jaren haar echtgenoot en haar zoontje om zelfstandig in Stockholm te gaan wonen. Ze scheidde niet, ze ging niet werken – voor een jonge vrouw uit haar kringen was het destijds (rond 1900) onfatsoenlijk om een baan te hebben – en voor haar levensonderhoud was ze afhankelijk van haar ouders en andere familie. Breed had ze het in elk geval niet. In Stockholm kreeg Maria een verhouding met de schrijver Söderberg, en later ook nog met anderen uit literair-culturele kringen.

De affaire tussen Hjalmar Söderberg en Maria von Platen was een knipperlichtrelatie. Söderberg was ook getrouwd en had een gezin; zijn vrouw was psychisch labiel en hij vond niet dat hij zich van haar kon losmaken. Soms zagen Hjalmar en Maria elkaar maanden niet. Na herhaaldelijke conflicten, veroorzaakt doordat Maria affaires met andere mannen had, kwam er een einde aan hun verhouding.

Söderberg heeft deze vrouw, die hij diep en bitter had liefgehad, literair gestalte gegeven in verschillende personages van zijn romans en toneelstukken, ook nog toen de relatie met Maria al jaren uit was. Zowel in Dokter Glas als in Het ernstige spel is de vrouwelijke hoofdpersoon getrouwd met een veel oudere man, van wie zij zich wil losmaken. In Dokter Glas wordt de jonge vrouw nogal geïdealiseerd beschreven; in Het ernstige spel krijgt zij veel meer het negatieve stempel van een een mannenverleidster. Ook in de hoofdpersoon van Söderbergs toneelstuk Gertrud uit 1906, dat ook in Nederland nog altijd met enige regelmaat wordt opgevoerd, zijn duidelijke trekken te herkennen van de vrouw die van ongeveer 1900 tot 1906 Söderbergs geliefde en muze is geweest.

Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de manier waarop Söderberg morele kwesties aankaartte, de moraal van de samenleving bekritiseerde, en liet zien dat naar zijn mening mannen en vrouwen een heel verschillende kijk op de liefde/het huwelijk hebben. Neem nou Het ernstige spel. Opvallend in de literatuurkritiek over dat boek (de Zweedse uitgave verscheen in 1912) is dat veel (heren) recensenten de vrouwelijke hoofdpersoon zonder meer als fatale vrouw afserveerden, terwijl ze nauwelijks kritiek hadden op de mannelijke hoofdpersoon. Toch leeft die – hij heet Arvid -  wat liefde en huwelijk betreft minstens even immoreel als Lydia; je kunt hem nauwelijks een sympathieke romanheld noemen. Ik ben altijd benieuwd geweest naar het personage Lydia en naar háár kijk op de zaak. Het lastige maar ook interessante is dat door het vertelperspectief van Het ernstige spel Lydia zelf nauwelijks aan bod komt – de lezer wordt meegenomen in de gedachtenwereld van Arvid; het boek is vrijwel geheel geschreven vanuit het perspectief van Arvid. Wie zorgvuldig leest, moet echter tot de conclusie komen dat Arvid een personage is met sterke vooroordelen jegens vrouwen. Ik geloof dat Söderberg door vanuit Arvids perspectief te schrijven de man (indirect) bekritiseert, wat een mildere interpretatie van Lydia mogelijk maakt.

We mogen natuurlijk geen “is-gelijk-teken” zetten tussen de fictieve wereld van de romans en de werkelijkheid van Hjalmar Söderberg en Maria von Platen. De échte Maria, de vrouw achter de romanpersonages, heeft me wel altijd geïntrigeerd; zij leek mij een bijzonder, boeiend mens. Nu kreeg ik een paar maanden geleden een biografie van Maria von Platen in handen, geschreven door Kurt Mälarstedt en uitgegeven in 2006. Die biografie is uitgangspunt geworden van mijn tweede leesketting. Al het bovenstaande is dus eigenlijk alleen maar een inleiding.

Het grappige is nu dat fictie en werkelijkheid voor mij toch een beetje met elkaar vermengd bleken te zijn geraakt. Want de vrouw wier leven in de biografie werd beschreven, stelde me eigenlijk een beetje teleur, terwijl de fictieve dames zo boeiend waren! Nu is/was er maar weinig bekend over Maria von Platen. Zij heeft er haar leven lang voor gezorgd niet in de publiciteit te komen.  Vrijwel al haar correspondentie vernietigde ze meteen. Hjalmar Söderberg is trouwens ook altijd discreet over haar geweest. (Niettemin herkende ze natuurlijk trekken van zichzelf in zijn fictieve personages en daar is ze destijds heel boos over geweest.) Kurt Mälarstedt lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om gegevens over Maria von Platen te verzamelen en hij vertelt ook het een en ander over haar familie, haar zoon, over haar verhoudingen met andere mannen (o.a. de literator en filosoof John Landquist), over haar vegetarisme en haar feminisme. Hij laat zien hoe ze probeerde zich diverse artistieke vaardigheden eigen te maken, in de hoop daarmee wat geld te kunnen verdienen. Dat lukte haar niet. Mälarstedt voert daar diverse excuses voor aan, maar ik krijg de indruk dat ze eigenlijk gewoon niet genoeg artistiek talent had. Ze verhuisde op een gegeven moment naar een provinciestad en leefde daar teruggetrokken tot aan haar dood. Dat was het dan. Een interessante vrouw, dat wel, maar niet zo interessant als ik – gevoed door Söderbergs fictie – had gedacht.

Na lezing van de biografie bleef ik over enkele vragen nadenken. Bijvoorbeeld: waarom scheidde Maria von Platen niet van haar eerste man? En waarom liet zij haar zoontje bij die man achter, toen ze naar Stockholm vertrok? Was het liefdeloosheid, of wilde haar man het zo? Had het iets te maken hebben met haar positie als vrouw? Daar wilde ik graag nog het een en ander over lezen. Daarover in een volgend logje.

Hjalmar Söderberg: Dokter Glas. Vertaald door Bertie van der Meij.  Uitg. Wereldbibliotheek, 1e druk 2004, 2e druk 2009. 175 blz.

Hjalmar Söderberg: Het ernstige spel. Vertaald door Bertie van der Meij.  Uitg. Wereldbibliotheek, 2003. 220 blz.

Kurt Mälarstedt: Ett liv på egna villkor – om Maria von Platen. Stockholm, Wahlström & Widstrand, 2006. 231 blz.

Eerwaarde vader

Een copla (Spaans vierregelig vers) in vertaling van Hendrik de Vries:

Ik hoorde van een priester:
‘Jij bent rank als een anjelier.’
Ik zei: ‘Eerwaarde vader.
Dat staat zeker niet in ‘t brevier’…

Dit vers over een kennelijk immer actuele kwestie is te vinden in hoofdstuk V van: J.D.P. Warners, Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1947. (Nieuw in de DBNL.)

Hendrik de Vries vertelde over de copla (een zeer oude vorm van volkspoëzie) dat men zowel in Aragon als in Andalusië gewoon is eerst de tweede regel te zingen, daarna de gehele copla en tot slot òf de slotregel, òf een andere te herhalen.

Hoofddoek

HairyWoodpeckerDe hoofddoek is voor sommigen een beladen onderwerp. Niet voor Kophieps. Die is weleens een beetje jaloers op de moslimdames die hun haar lekker kunnen verstoppen wanneer ze een bad hair day hebben, zoals dat in modern Nederlands heet. Een doek elegant om je hoofd knopen is een kunst. Eén manier van knopen kun je hier (klik) afkijken. Het meisje dat het kunstje demonstreert heeft overigens bepaald geen bad hair day :-) . En dat truitje! Dat wil ik ook wel.

Archief

Subscribe to posts

  by     or  

Boeken — Bezig in:



Pas uitgelezen:





‘n Paar tientjes over?