Het is zondag, een geschikte dag om de C-test te doen van het dagblad Trouw: “Hoe calvinistisch bent u?” (Al eens gezien bij Nanos.) De test wees uit dat mijn C-factor 39 % is. Hieronder de toelichting op de uitslag:
| Categorie |
Score |
Commentaar |
| 34 |
Arbeid |
57% |
Jij hebt het calvinistische arbeidsethos . Je werkt nooit hard genoeg ; het is voor jou een dure plicht. Je bent gewild op de arbeidsmarkt, maar het evenwicht tussen werk en privé kan zoekraken. |
| 33 |
Geloof |
40% |
Je bent een onbezorgde gelovige, die zich niet al te druk maakt. |
| 36 |
Rechtlijnigheid |
20% |
Jij weet hoe je moet genieten. Je tijd besteed je niet altijd even nuttig. Hou de balans in de gaten! |
| 37 |
Relaties |
33% |
In je relaties ben je weinig gereserveerd. Zeg maar: oncalvinistisch. Daarvoor laat je je te gemakkelijk gaan. |
| 38 |
Soberheid |
33% |
Voor een leven als calvinist ben je niet in de wieg gelegd. Katholicisme past je beter – een tikje hedonistisch, los en emotioneel. |
Mijn eigen commentaar: Volgens de test ben ik minder calvinistisch dan ikzelf denk (en probeer te zijn, jazeker!). De test houdt weinig rekening met niet-gelovigen. En de laatste vraag vond ik het leukst — die heb ik met “ja” beantwoord). Wil je de test ook doen? Je moet je wel even registreren.
O, wat is het stil op dit blog. Heb ik het zo druk? Eigenlijk niet. Maar ik ben aan het kettinglezen. Je weet wel: je steekt het ene boek met het andere aan. Maar nu toch even een berichtje tussendoor.
Op dit moment heb ik twee kettingen onderhanden.
De ene begon met Nothing to be frightened of van Julian Barnes, over de dood en over het (niet-)bestaan van God. In aansluiting daarop las ik De grote zaal van Jacoba van Velde. Als kraaltjes in een bijpassende kleur moet je hier de dagelijkse afleveringen van Darwin’s Origin of Species bij denken, die ik via DailyLit in mijn mailbox ontvang.
Geen zorgen – het besef dat stof tot stof weerkeert, dat de goden mensenbedenksels zijn, en dat het leven een strijd is om wie de sterkste is, vind ik niet perse deprimerend. Er is veel Schoonheid en Troost. En ik voel vaak Vreugde en Verwondering over wat ik gemakshalve even “het leven, het universum, enzovoort” zal noemen. De vraag is waar die gevoelens dan vandaan komen. Iets van een antwoord vind ik in het volgende boek van deze leesketting, dat ik nu aan het lezen ben. Het is geschreven door Mark Rowlands en het heet The Philosopher and the Wolf: Lessons from the Wild on Love, Death, and Happiness. (Even tussen haakjes: die komma na Death en voor and Happiness wordt een Oxford-komma genoemd; ik ben er dol op. Net als op de puntkomma. Laten we die alsjeblieft in ere houden.) Mark Rowland is een filosofiedocent die op een gegeven moment een wolvenwelp in huis nam. Hij noemde hem Brenin. In het wild wordt een wolf doorgaans niet ouder dan zeven jaar, maar Brenin en Rowland leefden elf jaar samen. Rowland schreef er een fantastisch boek over, een boek dat ook over de verwondering en vreugde over het leven, het universum, enzovoort gaat.
Hier is een citaat uit de inleiding van dat boek (in het Engels, want ik heb de Nederlandse uitgave niet in huis):
By ‘soul’ I don’t necessarily mean some immortal and incorruptible part of us that survives the death of our bodies. The soul may be like this, but I doubt it. Or it may be that the soul is simply the mind, and the mind is simply the brain. But, again, I doubt it. As I am using the word, the soul of human beings is revealed in the stories they tell about themselves: stories about why they are unique; stories we humans can actually get ourselves to believe, in spite of all the evidence against them. These, I am going to argue, are stories told by apes [...].
I am, here, using the ape as a metaphor for a tendency that exists, to a greater or lesser extent, in all of us. It is the tendency to see the world as a collection of resources; things to be used for its purposes. The ape applies this principle to other apes as much as, or even more than, to the rest of the world. The ape is the tendency to have not friends, but allies. The ape does not see its fellow apes; it watches them. And all the while it waits for the opportunity to take advantage.
[...]
This, I should reiterate, is a metaphor that I use to describe a human tendency. We all know people like this. We meet them at work and at play; we have sat across conference tables and restaurant tables from them. But these people are just exaggerations of the basic human type. Most of us, I suspect, are more like it than we realize or would care to admit. But why do I describe this tendency as simian? Humans are not the only sorts of apes that can suffer and enjoy the gamut of human emotions. As we shall see, other apes can feel love; they can feel grief so intense that they die from it. They can have friends, and not just allies. Nevertheless, this tendency is simian in the sense that it is made possible by apes; more precisely, by a certain sort of cognitive development that took place in the apes and, as far as we know, no other animal. The tendency to see the world and those in it in cost-benefit terms; to think of one’s life, and the important things that happen in it, as things that can be quantified and calculated: this tendency is possible only because there are apes. And of all the apes, this tendency receives its most complete expression in us. But there is also a part of our soul that existed long before we became apes – before this tendency could catch us in its grip – and this is hidden in the stories we tell about ourselves. It is hidden, but it can be uncovered.
[...]
It took a long time, but at last I think I understand why I loved Brenin so much, and miss him so painfully now he has gone. He taught me something that my extended formal education could not: that in some ancient part of my soul there still lived a wolf.
Sometimes it is necessary to let the wolf in us speak; to silence the incessant chattering of the ape. This book is an attempt to speak for wolf in the only way that I can.
Mark Rowlands: The philosopher and the wolf. Lessons from the wild on love, death, and happiness. Pegasus Books, 2009. 246 pp.
Ik zal het vast niet kunnen laten om vaker uit dit boek te citeren.
En de andere ketting? Daarover een andere keer.
Ik dacht dat Nothing to be frightened of een boek over doodgaan was. Dat is het óók wel, het gaat in elk geval deels ook over de laatste levensfase van de mens met de aftakeling die daar veelal bij hoort. Barnes bespreekt bijvoorbeeld ouderdom en sterven van zijn ouders, en hoe hij daar tegenaankeek en hoe zij zich eronder hielden. Maar sterven is niet het hoofdthema van het boek. Barnes’ belangrijkste onderwerp is niet doodgaan, maar dood zijn. De dood, dood zijn, is voor Barnes het grote Niets. De titel Nothing to be frightened of moeten we dan ook dubbelzinnig opvatten: de dood is niets om bang voor te zijn, maar ook het Niets, waar wij bang voor zijn.
Barnes zelf is inderdaad heel bang voor het Niets. In dit autobiografische boek gaat hij te rade bij allerlei mensen in heden en verleden, op zoek naar manieren om van die vrees af te komen of die te leren hanteren. Een voor de hand liggende manier is het geloof in God en in een hiernamaals. Een van de mensen die Barnes bevraagt, is zijn eigen broer. Die broer is filosoof en atheist, en hij maakt zich geen enkele illusie over een leven na de dood. Zijn leven zal eindigen met de dood en hij heeft daar op stoicijnse manier vrede mee.
Anders dan zijn broer weet Julian Barnes niet zeker of hij zichzelf atheist of agnost of nog iets anders wil noemen. Hij zegt: ’Ik geloof niet in God. Maar ik mis hem wel.’ Barnes wijdt een groot deel van zijn boek aan dit gevoel van gemis. Blijkbaar heeft het veel te maken met zijn angst voor het grote Niets. Hij zou zo graag willen dat er toch Iets was. Want waar moet de mens anders de zin van het leven vinden, als het waar is dat er na de dood Niets is? Barnes gaat op zoek naar iets om de lege plek te vullen, op zoek in de filosofie, in de literatuur, in de wetenschap en in de kunst. Zonder resultaat, uiteindelijk. Hij blijft een onrustige zoeker, troosteloos bij het vooruitzicht van het grote niets.
Barnes schrijft het allemaal mooi op, soms aangrijpend maar ook met voldoende humor. Wat hij over zijn ouders en over zijn opvoeding schrijft, is leuk en interessant om te lezen. Uit de gesprekken met zijn broer blijkt dat ze beiden heel verschillende herinneringen hebben. Wat wel en niet waar is, daar is niet meer achter te komen. De stukken van Barnes over hoe allerlei schrijvers, musici en andere kunstenaars zich verhielden tot de dood zijn fascinerend. Hij verdiept zich zelfs in de motieven van mensen die zich laten invriezen op hoop van leven na ontdooiing in de toekomst. Nothing to be frightened of geeft heel wat te denken en is daarbij ontzettend goed geschreven. Toch werd ik zo nu en dan een tikje ongeduldig van dit boek. Ik kan me wat betreft dood en religie namelijk goed identificeren met Julian Barnes’ broer; beter dan met Julian zelf. Er is geen God en ik mis hem ook niet. De dood is onvermijdelijk. En er is niets na de dood. De mens is stof en tot stof zal hij wederkeren. Een lijk raakt in ontbinding en wordt weer aarde. Ik vind het geen prettige gedachte dat die ontbinding langer duurt dan natuurlijk is, daarom zou ik persoonlijk liever in een kartonnen doos dan in een kist begraven willen worden. Maar dat is in feite een kwestie waarover mijn nabestaanden beter kunnen beslissen – eenmaal dood heb ikzelf nergens meer last of gemak van. Nee, het dood zijn jaagt me geen angst aan en het grote Niets van Barnes houdt me dan ook niet zo bezig. Doodgaan is iets heel anders. Sterven is afscheid nemen voor alle betrokkenen, voor de stervende zelf maar ook voor degenen die blijven leven. Dat is moeilijk. Ook daar heb ik net een boek over gelezen: De grote zaal, van Jacoba van Velde. Daarover, en wie weet ook over de zin van het leven, een volgende keer.
Do we create art in order to defeat, or at least defy, death? To transcend it, to put it in its place? You may take my body, you may take all the squidgy stuff inside my skull where lurks whatever lucidity and imagination I possess, but you cannot take away what I have done with them. Is that our subtext and our motivation? Most probably — though sub specie aeternitatis (or even the view of a millennium or two) it’s pretty daft. Those proud lines of Gautier’s I was once so attracted to — everything passes, except art in its robustness; kings die, but sovereign poetry lasts longer than bronze — now read as adolescent consolation. Tastes change; truths become clichés; whole art forms disappear. Even the greatest art’s triumph over death is risibly temporary. A novelist might hope for another generation of readers — two or three if lucky — which may feel like a scorning of death; but it’s really just scratching on the wall of the condemned cell. We do it to say: I was here too.
(blz. 200-201)
Julian Barnes: Nothing to be frightened of. 2008. 243 pp.
De Nederlandse vertaling heet Niets te vrezen en is verschenen bij uitg. Atlas, ook in 2008.
Toen ik een jongen was, leek het onmogelijk ooit het stadium van volwassenheid te betreden — volwassen-zijn was een mengsel van onbereikbare competenties en niet bepaald benijdenswaardige angsten (pensioenen, kunstgebitten, pedicures); en toch brak dat stadium aan, al gaf het van binnen een ander gevoel dan het van buitenaf leek. Een prestatie was het blijkbaar ook al niet om volwassen te zijn. Het voelde eerder aan als een samenzwering: ik doe net alsof jij volwassen bent, maar dan moet jij net doen alsof ik het ben.
When I was a boy, adulthood seemed an inaccessible condition – a mixture of unattainable competences and unenviable anxieties (pensions, dentures, chiropodists); and yet it arrived, though it did not feel from within how it looked from without. Nor did it seem like an achievement. Rather, it felt like a conspiracy: I’ll pretend that you’re grown up if you pretend that I am.
(Julian Barnes: Nothing to Be Frightened Of. 2008. Blz. 186. Het eerste hoofdstuk van dit boek is online te lezen op de New York Times website.)
Dit is een foto van een plek waar ik iets belangrijks heb geleerd.
Het zal in 1961 of 1962 zijn geweest. Het stoepje bij het verkeersbord hoorde bij de winkel op de hoek van de steeg; een dorpswinkel voor fournituren, stoffen, huishoudtextiel en ondergoed. Die winkel bestaat allang niet meer, de hele straathoek en een groot deel van de huizen in de steeg zijn lang geleden gesloopt. Tegenwoordig is er een pleintje met een kleine supermarkt.
Ik droeg een jasje dat mijn moeder had genaaid van een gele deken. Het jasje had zakken die te klein waren — te ondiep namelijk. Ik had mijn portemonnee bij me, een geel-rood plastic mapje met een afbeelding van Roodkapje erop. Er zat een tientje in, dat ik in opdracht van mijn moeder naar mijn oma moest brengen. Had ze dat van haar geleend? Het portemonneetje stak een heel stuk boven de rand van mijn zak uit. Ik hield mijn hand er beschermend overheen.
De winkel lag halverwege de route tussen ons huis en dat van mijn oma. Ik was bang, want ik wist dat Relus K. vaak in die buurt rondhing. Als hij mij zag, zou hij mijn portemonneetje afpakken. Dat wist ik zeker. Relus K. was een grote jongen die altijd dreigde, vocht, en schold. Een andere route nemen, mijn moeder vertellen dat ik bang was, hulp vragen aan mijn grote broer of zus — dat was allemaal niet aan de orde. Ik zou Relus K. tegenkomen, ik zou alleen tegenover hem staan en hij zou mijn portemonneetje afpakken. Ik moest er iets op vinden. Eenmaal onderweg nam ik alles wat er te gebeuren stond door, dacht na over de mogelijkheden die ik had en bepaalde zorgvuldig wat ik zou doen.
Ik naderde het hoekje van de steeg. Ja hoor, daar kwam Relus K. aanslenteren. Hij zag mij, spuugde op straat, koerste op me af. Toen hij vlak bij me was, stak hij zijn knuist met grijpvingers uit naar mijn jaszak. Mijn vuist raakte hem midden op zijn maag, keihard, precies daar waar ikzelf ook eens een stomp had gekregen. Hij klapte dubbel, hapte naar adem en was volslagen overrompeld. En ik – ik holde weg, vrij en sterk.
Doe iedere dag iets wat je niet wilt doen. Met deze gulden regel kun je jezelf de gewoonte aanleren zonder moeite te doen wat je moet doen.
—Mark Twain
Wie één keer doet wat zijn plicht is, wordt beloond met de kracht om dat ook een volgende keer te kunnen.
—George Eliot
Vervolg Op het prikbord deze week
Zelden heeft een film zoveel indruk op me gemaakt als Mar a dentro (Zee vanbinnen) uit 2004 van regisseur Alejandro Amenàbar. Het verhaal achter deze film is waar gebeurd. Ramón Sampedro, een levenslustige en sportieve jongeman, raakt na een duikongeluk geheel verlamd. Alleen zijn hoofd functioneert nog goed. Dertig jaar lang ligt hij op bed in een kamer in het huis van zijn broer, een boer in een dorp in Galicië. Al die tijd wordt hij verzorgd door zijn schoonzus. De film laat de laatste jaren van Ramóns leven zien, nadat hij heeft besloten dat het genoeg is geweest en dat hij op een waardige manier wil sterven, iets waarbij hij hoe dan ook hulp van anderen nodig zal hebben. Ramón voert een langdurige rechtszaak om toestemming te krijgen voor de dood die hij wenst, zonder dat degenen die hem eventueel bij zijn sterven zullen helpen (arts, advocaat, familie, vriendin) daardoor in moeilijkheden zullen komen. De dilemma’s rond zijn doodswens zijn indrukwekkend in beeld en onder woorden gebracht.
Ik denk dat iedereen met een beetje inlevingsvermogen Ramóns doodswens zal kunnen begrijpen. Maar aan euthanasie zitten nu eenmaal vele haken en ogen. (Oók in Nederland, al schijnen sommigen te vinden dat het hier allemaal veel te makkelijk gaat.)
In Mar a dentro zie je hoe moeilijk de mensen in Ramóns omgeving het hebben met zijn verzoek om hulp. Voor het gezin waar Ramón al die jaren deel van uitmaakt, is zijn doodswens iets verschrikkelijks. Niet omdat zij die wens niet kunnen begrijpen of accepteren, maar omdat zij zoveel van Ramón houden en hem niet willen missen. Iets dergelijks geldt ook voor Ramóns advocate en voor een vriendin die hem in zijn laatste periode bijstaat. Het is werkelijk geen gemakkelijke weg die zij afleggen. Mar a dentro laat de innerlijke strijd zien die zij voeren.
Hoe kortzichtig zijn toch de mensen die euthanasie “moord” noemen en die nog steeds spreken van “euthanasiasme” (een term die in een pamflet uit 1986 is gemunt door C.I. Dessaur/Andreas Burnier en C.J.C. Rutenfrans, tegenstanders van een wettelijke regeling voor euthanasie in Nederland).
“Wanneer ik moet kiezen tussen twee kwaden, kies ik altijd datgene wat ik nog nooit eerder heb geprobeerd.” (Mae West)
‘Zlaap zacht, baaz, dat doe ik ook’ is de graftekst die de schrijver W.F. Hermans ooit voor zichzelf had bedacht. In een interview uit begin jaren negentig antwoordde Hermans op de vraag welk graf hij voor zichzelf zou wensen: ‘Een eenvoudig graf, op een schilderachtige plek, het kerkhof van Passy, achter het Palais de Chaillot. Het zou moeten bestaan uit een gepolijste rechthoekige plaat van donker stollingsgesteente, niets erop, behalve linksboven een bronzen beeldje op natuurlijke grootte van een opgerolde, slapende kat, met als onderschrift: Zlaap zacht, baaz, dat doe ik ook. De bijzondere schrijfwijze van ‘zlaap’ en ‘baaz’ verklaarde Hermans aldus: ‘Zoals je weet kunnen katten de s niet zeggen, wel de z.’
(Uit een artikel van 11 dec. 2001, verschenen op de website van Doodgewoon, een online magazine dat informeert en amuseert over zaken rond de dood.)
Vervolg Zlaap zacht
A.J. Jacobs is een New Yorkse journalist die een jaar lang heeft geprobeerd naar de voorschriften van de bijbel te leven. Op zijn website (klik) brengt hij verslag uit over zijn ervaringen. Informatief, grappig, en zeker inspirerend. Voor gelovigen, maar ook voor mensen zonder een gen voor godsgeloof, zoals ik.
Jacobs heeft een boek gepubliceerd over dit bijzondere jaar in zijn leven. The year of living biblically, en hij wil dat boek natuurlijk ook graag verkopen. Gelukkig is zelfspot hem niet vreemd: ““Within a half an hour of waking, I check the Amazon.com sales ranking for my last book,” Jacobs writes in The Year of Living Biblically, out this October from Simon & Schuster. “How many sins does that comprise? Pride? Envy? Greed? I can’t even count.”
Vervolg Bijbels leven
|
|
Alledaags heldendom  ...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Bookgrrls Galerie: Klik op het plaatje 
Uit het Rijksmuseum: (Elke dag een ander kunstwerk. Klik rechtsonder op het plaatje voor info.)
Kophieps’ weblog bevat ook overgenomen berichten van mijn vroegere blogs Kophieps 1-2-3 (t/m 20 dec. 2009) en Bert Ajour (t/m 8 juli 2007).
En voorts ben ik van mening… dat er een eind moet komen aan de bio-industrie.
|
Recente reacties