De tienduizend dingen

Maria Dermoût

Maria Dermoût

Aan het slot van de roman De Tienduizend Dingen van Maria Dermoût (1888-1962) gaat Felicia – Mevrouw van Kleyntjes – op de avond van Allerzielen op het bankje bij de baai zitten. Daar, in het licht van de maan, komen haar doden bij haar op bezoek alsof ze nog leven; ze praat en ze kibbelt met hen, ze deelt haar herinneringen met hen. Sommigen van hen zijn vermoord. Ze voelt woede en wrok, maar ten slotte ook medelijden met de moordenaars. Ze ziet allen en alles weer voor zich en voelt zich opgenomen in een geheel met allen, met alles.

Zij zat rustig in haar stoel, het waren ook geen honderd dingen, veel meer dan honderd dingen, en niet alleen van haar, honderd keer ‘honderd dingen’, naast elkaar, los van elkaar, elkaar rakende, hier en daar in elkaar vervloeiende, zonder ergens enige binding, en tegelijkertijd voor altijd met elkaar verbonden…
Een verbondenheid die zij niet goed begreep; dat hoefde niet, het viel niet te begrijpen, haar voor een ogenblik gegeven om te aanschouwen boven het maanverlichte water.
Zij had niet gemerkt dat Sjeba en haar man Hendrik, de koeherder, om het huis heen waren komen lopen en nu links en rechts van haar stoel stonden.
‘Waarom komt u niet slapen?’ vroeg Sjeba brommerig en tegelijk bezorgd en zij schudden beiden hun hoofden over haar. ‘Waarvóór zit u hier? De maan schijnt mooi, maar wat heeft een mens eraan, hij wordt er maar ziek van! Er is versgezette koffie in de keuken en komt u nu maar.’
Toen stond mevrouw van Kleyntjes die Felicia heette, gehoorzaam op uit haar stoel, en zonder meer om te kijken naar de binnenbaai in het maanlicht – die bleef daar wel, altijd – liep zij met hen onder de bomen door mee naar binnen om haar kopje koffie te drinken en om opnieuw te proberen verder te leven.

Reacties overgenomen van Kophieps Eén

Ja. En dan de grootmoeder, die zo lekker kon koken en inmaken: “zuren, confituren, mosselensausen, zwart en wit; een kenaritaart bakken.” Haar kast met al die mysterieuze voorwerpen. Haar juwelen: “een hanger aan een ketting, een mooi schelpje met met een zilveren rand er omheen, losse stukjes kristal en halfedelsteen; een amethyst, een katteoogje voor de dromen – een opengewerkt gouden vruchtje met een amberbolletje dat zij zelf gemaakt had.” Al die andere schatten. “Een klein bordje van grof aardewerk, effen lichtgroen, iets gecraqueleerd – een gifbordje van ceram. “Het waarschuwt voor gif” zei de grootmoeder. Als er iets giftigs inkwam, schrok het bordje en verschoot van kleur; iets erg giftigs maakte er barsten in; iets heel erg giftigs zou het zo ineens middendoor kunnen breken. Een keer had Felicia gevraagd wat gif was?
“Gif, dat is hetzelfde als vergift, als – Fenijn -’ zei de grootmoeder met een harde f.
Ach, het is zo mooi.
Geplaatst door: Margriet | zondag 2 november 2008 om 20:36

Ja, mooi klein boekje. Erg ‘van daar’, heel Indisch. Ik werd er ook steeds dromerig van als ik het las.
Geplaatst door: yvonnep | maandag 3 november 2008 om 18:35

Het lijkt me dat ik dit boek wel eens wil lezen, Bertie. Ik zal het reserveren bij de bieb. Bedankt!
Geplaatst door: Wieneke | dinsdag 4 november 2008 om 12:33

Verwante blogposts:

Geef een reactie - Leave a comment

 

 

 

You can use these HTML tags

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Archief

Subscribe to posts

  by     or  

Net uitgelezen:





‘n Paar tientjes over?