Gelaten wachtte ze tot alle borden waren gevuld. Didar was dol op läksja-soep, ook omdat ze die zelf niet kon maken. Dunne, bijna doorzichtige noedels gleden over de hoge rand van een opscheplepel in de tintelende bouillon en bleven drijven tussen de gele eilandjes van opgeklopte eieren. Adlifa deed de deksel op de pan en ging zitten. Zwijgend werd de soep genuttigd, slechts het gekletter van de lepels was te horen en af en toe haalde iemand zijn neus op. Totdat iemand op de gang met de deur smeet. Adlifa verstarde en bleef met de druipende lepel voor haar mond zitten. (blz. 55-56)
—
[Faroek, een jongen die niet kan spreken, proeft een mandarijn]
Met zijn ogen dicht zoog Faroek de mandarijn langzaam naar binnen – hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om zijn tanden erin te zetten – en drukte zijn verrukte tong tegen zijn gehemelte. Zelfs kümätsj, de zoete Tataarse pastei die zijn moeder maakte als ze een fijner, witter bloem kon bemachtigen, verflauwde bij de gloed en de geur van de nieuwe vrucht. Natuurlijk was Faroek dol op kümätsj – het smeuïge, honingzoete deeg dat in zijn lichaam belandde, bedwelmde zijn door al die onuitgesproken woorden verwarde ziel, alsof deze in een fluweelzachte, donzige stof werd verpakt. Maar wat hij nu proefde danste op zijn tong, kittelde zijn keel en bracht zijn hart in een tot dusver onbekende toestand van lichtheid die het zware gewicht van alle letters en lettergrepen voor even deed vervliegen. (blz. 92-93)
—
De slagroom, die even luchtig was als het champagneschuim, bestreek Didars mondholte met ongekende zaligheid, die nog eens verfrist werd door malse pruimen. (blz. 167)
—
‘Kinderen…’ sprak Zeinep toen de tweeling weg was. ‘Jammer voor mijn moeder, maar daar is geen plaats voor in mijn leven.’ Ze pikte met haar vork nog een plakje pikkpois op. Na een paar glaasjes Kagor was ze duidelijk in haar element. ‘Zevenendertig ben ik nu, te oud voor kinderen, maar niet te oud voor je weet wel… Ik zeg het jullie, meisjes, het leven begint pas na je vijfendertigste.’ (blz. 177)
Uit Didar en Faroek, een roman door Sana Valiulina. Verschenen in 2006 bij Meulenhoff. 429 blz.
Ik kan nog wel even doorgaan met het citeren van literaire kost uit dit boek. Is het soms een verhaal over eten? Nee. Het gaat over twee jonge mensen die opgroeien tijdens de terreur van Stalin en Hitler. En het is geschreven in prachtig Nederlands; klankvol, kleurrijk en gedetailleerd.
Reacties overgenomen van Kophieps Eén
Bertie, zo’n boek lees ik om te proeven, te smaken en vervolgens lees ik het nogmals om het verhaal te vinden. Het lijkt me verrukkelijk!








Recente reacties