— Op de britsen van de leiders van de barak – Barchatov, Perekrest, de opzichter van de mijnploeg en Zarokov, de barakoudste – werd een feestje gehouden. Hun loopjongen, de planeconoom Zjeljabov, Perekrests lakei, had een handdoek uitgespreid over een nachtkastje en reuzel, haring en kruidkoek uitgestald, afgedwongen giften van Perekrests ploegarbeiders.
Abartsjoek liep langs en voelde hoe zijn hart bonsde: zouden ze hem niet roepen en erbij vragen? Hij had heel erg zin in iets lekkers. Barchatov was een smeerlap. Hij deed alles wat hij wilde in het magazijn, Abartsjoek wist dat hij spijkers pikte, dat hij drie vijlen had gestolen en hij had geen woord gezegd tegen de bewaker. Dan kon hij toch ten minste roepen: ‘Hé, baas, kom erbij zitten.’ Abartsjoek voelde, hoewel hij zichzelf erom verachtte, dat het niet alleen een verlangen naar iets te eten was dat hem opwond. Er was nog iets anders: het kleinzielige en lage verlangen van de kampgevangene om even bij de machtigen aan te schuiven, te keuvelen met Perekrest, voor wie het hele kamp sidderde. Hij was een klootzak. En Barchatov was ook een klootzak. —
Dit is een fragment uit: Vasili Grossman: Leven & lot. Vertaald uit het Russisch door Froukje Slofstra. Uitg. Balans, 2008. 950 blz. Mijn bespreking van het boek staat hier.
Verwante blogposts:








Recente reacties