Bijgaande foto is gemaakt door de Zweedse fotograaf Carl Curman (1833-1913). Curman was behalve fotograaf ook arts en professor in de anatomie.
Hij heeft heel veel wetenschappelijk en cultureel erfgoed op de foto gezet, niet alleen van Zweden maar ook van andere Europese landen. Een deel van zijn werk was al te zien (klik) op Flickr. Nu heeft de Europese erfgoedsite www.europeana.eu nog veel meer van Curmans foto’s openbaar gemaakt (klik hier om ze te bekijken).
De fluitende mandenverkoper op de foto liep rond 1880 met zijn waren over de wegen in de buurt van Lysekil aan de westkust van Zweden. Een mooie foto van een mooi mens.
Wat heeft een mens in zijn lange leven toch veel herinneringen waar je met niemand over kunt en wilt spreken, maar die toch om een onnaspeurlijke reden onvergetelijk zijn!
Bovenstaand citaat komt uit In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd, door Maria van der Ent (1900-1991). Maria van der Ent was de oudste in een gezin met dertien kinderen. Ze kwam met goede cijfers van school, maar doorleren zat er voor haar niet in. Maria werkte vanaf haar twaalfde jaar dertien jaar lang als dienstmeisje in verschillende Rotterdamse families. In 1925 trouwde ze en begon ze haar eigen huishouden. Tegen haar eigen kinderen sprak ze nooit over haar vroegere nederige bestaan als dienstmeisje. Toen een van haar zonen er haar in 1970 naar vroeg, besloot ze haar herinneringen op schrift te stellen. In 1972 overhandigde ze haar zoon een multomap met 400 volgeschreven bladzijden. Die zijn in 2007 in boekvorm gepubliceerd, en het is een boeiend boek geworden. Ik vond de eerste hoofdstukken, “Vader en moeder” en “Het straatleven in Rotterdam” al meteen hartveroverend.
Door mijn huidige leesthema (zie Kettinglezen2 en 3) was ik benieuwd of ik in de aantekeningen van Van der Ent, die de jaren 1912-1925 bestrijken, iets over de vrouwenbeweging zou vinden – de schrijfster zal toch zeker iets hebben gemerkt van bijvoorbeeld de kiesrechthervormingen in die tijd. Van der Ent schrijft daar echter niet direct iets over. Maar ze leerde wel om strijdbaar te zijn. Dat was dan ook hard nodig. In haar eerste dienstje verdiende ze 75 ct per week voor hele dagen en zondags een halve dag werken. Toen ze een keer een kopje brak, hield haar “mevrouw” negenenhalve cent in van haar weekloon. Voor Maria was dat aanleiding om nooit meer terug te gaan naar deze mevrouw. In haar tweede dienstje was ze meisje voor halve dagen. Dat baantje verliet ze om een paar weken seizoenarbeid te gaan doen.
Op een keer hoorde ik dat je met aardbeien plukken f 1,- per dag kon verdienen. Ik wist dat ze het thuis goed konden gebruiken, en ik zegde mijn betrekking op. ‘Maar kind,’ zei mevrouw geschrokken, ‘daar ben je toch niet geschikt voor, dat is niets voor jou!’ Nou, dacht ik, aardbeien plukken is vast niet zo zwaar als de grote was doen. En ik ging weg, maar ik kreeg een mooi getuigschrift mee. …
… we kregen inderdaad f 1,- per dag. Maar ik zag dat de anderen f 1,25 kregen en ik plukte net zo veel als zij. Ik vroeg aan de jonge boer die altijd op het land zat, ook om f 1,25 per dag. ‘Dat krijg je pas als je ook vijfentwintig tips per dag plukt zoals die anderen,’ zei hij. ‘Nou, dat doe ik,’ antwoordde ik. ‘Laat dan maar eens zien, stapel ze maar eens op vandaag,’ zei hij. En jawel, toen kreeg ik ook f 1,25 per dag.
Als dienstmeisje had Maria soms te maken met seksuele intimidatie of zelfs erger, maar ze wist zich overal goed door te slaan en één keer zelfs een paar flinke trappen uit te delen en de betreffende jongeman een dag lang op te sluiten.
Bij sommige families voelde ze zich goed thuis. Ze deed veel ervaring op, niet alleen met schoonmaakwerk maar ook met etiquette, tafelmanieren, tafel dekken, logistiek van grote diners, en koken. Nog vóór haar twintigste kreeg ze zelfs de leiding over het grote huishouden van een van de deftigste families van Rotterdam. Daar ging ze overigens niet meer door verdienen. Toen ze uiteindelijk besefte dat ze werd uitgebuit, besloot ze weer ontslag te nemen.
Al met al was het geen kleinigheid om mijn baan op te zeggen, ik was er meer dan zeven jaar geweest. Ik overdacht alles nog eens goed, ik had het er heerlijk gehad, en had ook veel aan mevrouw te danken. Ze heeft me ook veel geleerd. Maar mevrouw had ook jaren een perfecte hulp aan mij gehad. En de laatste jaren had ze massa’s vrije tijd gehad. Alles had ze aan mij overgelaten., de hele gang van zaken in huis. Ik behoefde in het geheel geen schuldgevoel te hebben. Mijn ogen waren wagenwijd opengegaan. Ik kon me niet herinneren ooit opslag te hebben gekregen.
Van der Ent heeft het verhaal van haar dienstbodetijd goed en levendig en gedetailleerd opgeschreven. Het is ontzettend leuk om te lezen en je komt veel te weten over de familiecultuur en over de omstandigheden van het huispersoneel van die tijd. Maria van der Ent schreef het boek voor haar kinderen en had beslist niet de pretentie een soort cultuurhistorisch overzicht te geven (dat is het ook inderdaad niet); het was ook niet haar bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Maar doordat haar zoon jaren na haar dood met het manuscript naar een uitgever is gestapt, zijn we nu een prachtig boek rijker.
Maria van der Ent: In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd. Artemis & co, 2007. 195 blz. Klik hier voor een recensie in Trouw.
Onderstaande foto’s zijn gemaakt door Lewis Hine (1874-1940).
Van Lewis Hine stond al eens eerder een foto op mijn blog. Hij heeft honderden foto’s gemaakt om de kinderarbeid te documenteren. Veel van Hines foto’s (meer dan 5000) zijn online toegankelijk gemaakt via de website van de Library of Congress.
De bovenste twee foto’s zijn gemaakt in 1910 bij de kolenmijn Bessie in Dora, Alabama, USA. De jongen helemaal vooraan in het midden van de eerste foto, met een oliekan in de rechterhand, heette Shorpy. Ik “kende” Shorpy al via het fotoblog Shorpy.com, waarop vrijwel dagelijks historische foto’s uit de VS worden gepubliceerd.
Shorpy Higginbotham, a "greaser" on the tipple at Bessie Mine, of the Sloss-Sheffield Steel and Iron Co. Said he was 14 years old, but it is doubtful. Carries two heavy pails of grease, and is often in danger of being run over by the coal cars. Location: Bessie Mine, Alabama, December 1910, Lewis Hine.
Op de tweede foto zie je Shorpy van dichtbij. Volgens het bijschrift van Lewis Hine was hij smeerder in de mijn en naar eigen zeggen 14 jaar oud.
Ook de Amerikaanse schrijver/historicus Joe Banning leerde Shorpy kennen via Shorpy.com. Daarna maakte hij op zijn eigen website een speciale afdeling over Shorpy. Shorpy heette eigenlijk Henry Sharp Higginbotham. Hij werd op 23 november 1896 geboren. Hij vocht als soldaat in de Eerste Wereldoorlog. In 1927 is Shorpy getrouwd met Flora Belle Quinton. Het jaar daarop, in januari 1928, is hij omgekomen bij een mijnongeluk. In de zomer van datzelfde jaar is zijn zoon geboren.
In 2005 kreeg Manning het verzoek een meisje op een andere foto van Hine te identificeren en uit te zoeken wat er van haar geworden was. Wat hij tijdens zijn speurtocht te weten kwam raakte hem zozeer, dat hij besloot de persoonlijke geschiedenissen van meer kinderen op foto’s van Hine te gaan uitzoeken. De resultaten van zijn Lewis Hine Project zet Manning op zijn website; hij geeft ook presentaties op scholen en universiteiten, in musea en bibliotheken e.d.
Volgens Lewis Hines eigen informatie bij de foto van deze twee meisjes heette het oudste meisje Minnie Carpenter. Ze werkte in 1908 op de spinnerij van Loray Mill, een katoenfabriek, en verdiende daar 50 cent per dag (tien werkuren).
Joe Manning vond het adres van een nog levende neef van Minnie Carpenter. Hij stuurde hem een kopie van de foto toe. De man was er ontzettend blij mee: in het jongere kind had hij zijn moeder Mattie Carpenter herkend. Ze was een zusje van Minnie.
Dergelijke foto’s en geschiedenissen helpen me ervan bewust te blijven dat een groot deel van mijn welvaart en comfort is gebaseerd op de inspanningen van velen die vóór mij leefden en werkten. Niet alleen de inspanningen van de groten der aarde, de Lincolns, de Einsteins, de Nobelprijswinnaars. Maar ook en vooral die van vele onbekende, roemloos gestorven mensen die vaak in miserabele omstandigheden hun werk deden en hun levens volbrachten.
“Sinds 1995 volgen de makers van de documentaire de boerenfamilie Kok in hun dappere strijd met steeds onverwachte wendingen. Het land van Herman Kok ligt aan de rand van Amersfoort. Ingesloten door nieuwbouwwijken en voorbestemd om te worden opgeslokt. Het van oorsprong boerendorp Hoogland werd in de jaren tachtig door Amersfoort geannexeerd. Boeren werden uitgekocht, maar Herman Kok weet van geen wijken. Hij groeide er op en wil er, net als zijn vader, zijn laatste adem uitblazen. Als pionier van de biologisch-dynamische veeteelt leeft boer Kok in harmonie met zijn vee en met zijn land. Hij houdt van zijn koeien en van zijn grasmat, die al 35 jaar oud is. Behalve gras groeit er van alles: bloemen, kruiden en klavers. Als in 1994 de nieuwe mestwet van kracht wordt, komt er een einde aan het harmonieuze bestaan van boer Kok en zijn gezin. Boeren mogen hun drijfmest niet meer over het land uitrijden. Het moet centimeters diep onder de grond worden geïnjecteerd om zo de uitstoot van ammoniak tegen te gaan. Maar boer Kok weigert zijn prachtige oude grasmat hieraan op te offeren. Bovendien bevat zijn mest maar 30 procent van de ammoniak die gemiddeld gangbaar is. Hij gebruikt geen kunstmest en voert zijn koeien geen krachtvoer. Hij haalt de scherpste milieudoelstellingen met gemak. Maar regels zijn regels; ook voor boer Kok.
Houden boer Kok en zijn zonen hun rug recht wanneer de politie hen het vuur aan de schenen legt en met groot machtsvertoon op het erf verschijnt? Wanneer justitie hen veroordeelt en een van de zonen opsluit? Als de gemeente Amersfoort beslag wil leggen op hun land en de overheid hen het werken onmogelijk maakt? Kunnen zijn zonen het bedrijf uiteindelijk nog voortzetten? Een ongewone realitysoap over een kleine boer en zijn zonen, die niet van wijken willen weten.” (Bron: Holland.doc.)
De documentaire De Kleine Oorlog van Boer Kok werd gemaakt door Huib Schoonhoven, Karen Kuiper en Kees Vlaanderen, HUMAN, 2009. Uitgezonden in Holland.doc op 6 augustus 2009.
Vanavond zijn ze weer op tv te zien: Hugo en Rosa.
Om 22.25 u op Ketnet/Canvas.
Een documentaire over een broer en zus die bijna hun hele leven in een huisje in Zweden hebben gewoond, zonder elektriciteit of stromend water, zonder terras of tuinmeubels. De maker van de documentaire, Bengt Jägerskog, volgde Hugo en Rosa tien jaar lang in hun ouderdom, in alle seizoenen, in het rustige landschap van hun leven. Ze waren vrijwel altijd bezig, Hugo hakte nog hout toen hij al 97 jaar was. Maar stress, dat kenden ze niet. Rosa is 96 jaar geworden, Hugo stierf drie maanden na haar dood, toen hij 101 jaar was.
Op deze website staan schitterende foto’s van Hugo en Rosa, gemaakt door de documentairemaker (wel even omlaag scrollen).
De Zweedse fotograaf Sune Jonsson (1930) beeldt het alledaagse leven uit, van mensen en de landschappen waarin ze leven. Zijn foto’s zijn gepubliceerd in boeken waarin hij over diezelfde mensen en landschappen ook schrijft. De foto hieronder dateert uit 1961.
Severina Nyberg. Foto: Sune Jonsson. 1961.
De vrouw op de foto heet Severina Nyberg, zij is de weduwe van een spoorbaanwachter. Haar huisje staat in Nyluspen in de provincie Västerbotten, in het noorden van Zweden. In een gesprek met een andere weduwe zegt zij: “De tijd is een wonderlijk ding. Een verwonderlijk ding.” De woorden sluiten merkwaardig goed aan bij de sfeer en strekking van Jonssons werk.
Van Sune Jonsson verscheen vorig jaar een verzamelboek met een titel gebaseerd op de woorden van Severina: Och tiden blir ett förunderligt ting. Het staat op mijn verlanglijstje.
Enkele andere foto’s van Sune Jonsson zijn hier te zien.
Een foto van Lewis Wickes Hine. Bron: het weblog van Shorpy, dat een schat aan gedigitaliseerde archieffoto’s biedt.
—New York City, Januari 1913—
Een gezin thuis aan het werk. De vader werkt buitenshuis. De drie oudste kinderen helpen de moeder met het afwerken van kleding: Joseph, 14, Andrew, 10, Rosie, 7. Met z’n allen verdienen ze ongeveer 2 dollar per week, als er genoeg werk is. Er zijn ook nog twee jongere kinderen.
Deze foto van meisjes in de Dutch Straw Works in Helmond zal rond 1920 genomen zijn. Strohulzen werden gebruikt als verpakkingsmateriaal voor o.m. flessen. Het was ook een export-product, vandaar de Engelse naam van de fabriek.
Van de meisjes op de foto is niet bekend hoe ze heetten of hoe oud ze waren toen de foto werd genomen.
In de Kunsthal Rotterdam is tot 23 november de tentoonstelling ‘Meisjes van de fabriek’ te zien, met meer dan honderd foto’s uit het archief van de Arbeidsinspectie, uit de periode 1910 – 1950.
Op Flickr staat slechts een klein deel van de foto’s uit het Nationaal Archief. Veel meer foto’s zijn te zien op de Beeldbank van het archief.
Dit is mijn opa, Saam heette hij (Samuel). Geboren in 1886 als zevende kind van Bert en Antje, over wie ik (klik) ook al eens heb geschreven. Saam was landarbeider, hij werkte ongeveer vanaf zijn veertiende bij een groot tuindersbedrijf. In zijn vrije tijd teelde hij voor zichzelf tulpen op een klein stukje land. Vlak voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, moest hij in dienst. Hij was toen al een paar jaar getrouwd; zijn oudste zoon Bert was in 1913 geboren.
Op de foto draagt Saam het ceremonieel tenue van de Groene Jagers. Daarbij hoorde nog een ouderwets model sjako, met pompoen, kwasten, ketting enzovoort. Het is voorzover ik weet de enige foto uit de jonge jaren van mijn opa die er bestaat.
In totaal is hij vier jaar in militaire dienst geweest. Daarbij had hij geen gelegenheid om iets aan zijn tulpenlandje te doen. Na de oorlog kon hij terugkomen bij zijn werkgever. Soms stond hij al om drie uur op, om op het bedrijf de paarden te verzorgen en de wagens te laden met handel voor o.a. de Haagse markt. Daarmee verdiende hij een rijksdaalder per week extra. Bij de firma waar hij werkte, werd het zgn. ‘tulpen broeien’ of ‘forceren’ experimenteel en met steeds meer succes toegepast. Saam hield in een schoolschrift de gegevens bij, soorten, data van het begin van de forceerperiode en de resultaten. Die resultaten en notities over het forceren van bolgewassen zijn uitgeleend aan een Westlandse of mogelijk een Engelse kweker die op bezoek kwam bij de firma, en nooit teruggegeven. Saam heeft het altijd heel jammer gevonden dat dat schrift verloren is gegaan.
Zijn werkgever was niet de slechtste. Saam kreeg ischias en maagklachten en de dokter schreef rust voor. Gelukkig kreeg hij zijn weekloon wel een half jaar lang doorbetaald. In de jaren dertig ging de tuinderij failliet en raakte Saam zonder werk. Hij had meer dan vijfentwintig jaar bij de firma gewerkt en zou als jubileumgeschenk een herenkostuum krijgen. Door het faillissement ging dat helaas niet door.
In 1939 overleed Saams vrouw Mijntje. Ze hadden samen negen kinderen gekregen. In de meidagen 1940 waren twee van Saams zoons (onder wie mijn vader) en een schoonzoon gemobiliseerd. In 1940 kreeg Saam weer werk, opnieuw bij een tuinderij. De landarbeiders werkten achter een vliegveld waar Duitsers zaten. De kwekerij lag achter de keuken en soms kregen ze eten dat de Duitsers over hielden en dat ze met gemengde gevoelens opaten, hongerig als ze waren.
In 1944 is Saam hertrouwd. Met zijn tweede vrouw heeft hij nog een fijne oude dag gehad. In 1951 kreeg hij ‘van Drees’ (de noodwet van Drees) – daar was hij heel blij mee. Uit liefhebberij bleef hij nog tuinplanten telen in geïmproviseerde kasjes en bakjes. Daarmee verdiende hij nog wat bij. Hij is in 1960 overleden.
Saam hield van orgelspelen en zingen. Hij had een kaartenbak, waarin hij min of meer alfabetisch de liederen, waarvan hij overigens zowel de tekst als de melodie uit het hoofd kende, op stukjes karton bewaarde. —Veel dank aan mijn tante Maartje (inmiddels overleden) en aan mijn oom Henk, uit wier opgetekende herinneringen ik heb geput om dit stukje te schrijven.—
Zelf heb ik ook nog een paar herinneringen aan opa Saam. Ik mocht altijd bij hem op schoot aan het orgel zitten en dan zongen en speelden we samen. Ook heb ik nog veel rijmpjes en liedjes onthouden die hij zong.
Een week of wat geleden zagen H. en ik de film Paul dans sa vie (Paul in zijn leven) in ons plaatselijke filmhuis. Een ontroerende en fraai gefilmde documentaire van de oude dag van Paul Bedel, een boer van 76 jaar, die ooit als jonge man zijn vader heeft opgevolgd op de familieboerderij, vlak bij de kust van Normandië. Daar woont hij anno 2007 nog steeds met twee ongetrouwde zusters, daar bewerkt hij nog steeds zijn akkers met vooroorlogse machines en trekt er af en toe op uit om tussen de rotsen aan zee kreeften te vangen. De paar koeien die hij houdt worden nog met de hand gemolken. De cider wordt nog volgens de traditie op de boerderij gemaakt. Al jaren lang houdt Paul een klein dagboekje bij waarin hij bijvoorbeeld noteert wat hij heeft gezaaid, hoeveel het land opbrengt, wat het voor weer is. Het is een uiterst boeiend portret, deze film, vol schitterende beelden en gesprekken die je raken.
Toen we terug naar huis liepen, zei H.: “Wat ik alleen niet snap, is waarom de film Paul dans sa vie heet. De titel had beter Paul en zijn zusters kunnen zijn.” Ik kon niet anders dan hem gelijk geven. Die zusters, zwijgzame, vriendelijke vrouwen, werken net als Paul al hun hele leven op de boerderij, ze melken, dorsen, hooien, maken cider, koken het eten. Een paar korte zinnetjes die Paul in de film uitspreekt, tonen aan dat deze documentaire eigenlijk evengoed over hen gaat. “Als ik niet had besloten om de boerderij over te nemen,” zegt hij, “dan was het leven van mijn zusters vast ook anders gegaan. Dan waren ze misschien getrouwd en hadden ze een gezin gehad.”
Het is heel jammer dat zij in deze documentaire zo op de achtergrond blijven.
Paul dans sa vie, Frankrijk 2007, regie Rémi Mauger.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties