Bedankt voor alle reacties op de vorige blogpost. Mooi dat Het ultieme recept op deze manier nieuwe lezers krijgt!
Er waren genoeg exemplaren voor iedereen die zich meldde. Degenen die ik het boek per post ga toesturen, hebben intussen allemaal een mailtje van me gehad met het verzoek me hun adres te laten weten. Ik probeer de boeken nog vóór het weekeinde op de post te doen.
En nu ga ik nog even met een glas buiten zitten niksen. Lekker .
Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Uitgeverij De Bezige Bij: de door mij vertaalde roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren, verschenen in 2005, werd nauwelijks meer verkocht. Daarom had de uitgeverij besloten de oplage voor het grootste deel te vernietigen. U leest het goed: vernietigen.
Waarschijnlijk hadden ramsjboekhandels er geen belangstelling voor of wilden die geld toe hebben, en vond de uitgeverij het onnodig om voor de opslag van de boeken te blijven betalen of om er wat marketing aan te besteden.
Hetzelfde is al eens eerder gebeurd met een vertaling van mij (Het ware leven, door Göran Tunström), bij dezelfde uitgeverij, dus ik was niet compleet overrompeld door de mededeling. Toch komt zoiets hard aan.
Het rare is dat zowel Lindgren als Tunström schrijvers uit de top van de Zweedse literatuur zijn en ik bezweer u dat ook de vertalingen goed zijn. Maar ja, het gaat hier niet om spannende Scandinavische misdaadromans – die gaan immers als warme broodjes over de toonbank. Torgny Lindgren is echter wel mijn favoriete moderne Zweedse schrijver. Ik vind zijn boeken geweldig.
Hoe dan ook, de uitgeverij bood aan me 50 exemplaren van Het ultieme recept gratis toe te zenden. Die zijn dus van de vernietiging gered! Ik heb er al een aantal uitgedeeld, maar heb er nog aardig wat over. Wie er één wil hebben, kan een reactie onder dit bericht zetten. Ikzelf vind de boeken van Torgny Lindgren zo goed, dat ik de portokosten er graag voor over heb om Het ultieme recept naar liefhebbers op te sturen. Maar om het niet te gek te maken zal ik niet meer dan 10 boeken in totaal per post versturen, dus bij grote belangstelling wordt het een loterij.
Eventueel (maar dan moet ik je wel een beetje kennen, in real life of via het internet) mag je het boek ook bij mij thuis afhalen.
Wordt binnenkort vervolgd.
Klik hier voor een recensie van Het ultieme recept.
Klik hier voor informatie over schrijver Torgny Lindgren.
Eerdere Kophiepsberichten waarin Torgny Lindgren ter sprake is gekomen staan hier.
***Reageer vóór woensdag 21 juli, 10 uur vm. Daarna bekijk ik of er geloot moet worden.***
Ja ja, ik weet het, ik moet nog steeds een slot breien aan mijn serie “Kettinglezen” (voor eerdere afl. klik op: 1, 2, 3, en 4). Ik las literatuur (fictie) over de maatschappelijke situatie van de vrouw rond 1900, met het accent op de normen voor liefde & seks die in die tijd voor vrouwen golden. Daaronder twee romans van Carry van Bruggen: Een coquette vrouw uit 1915 en Eva uit 1927. Dat leek me een terechte keus, want die boeken gaan allebei over een vrouw die zich min of meer ingeperkt voelt door de seksuele normen van haar tijd. Volgens die normen waren seksuele gevoelens en ervaringen taboe voor vrouwen. Behalve binnen het huwelijk. Maar over seks binnen het huwelijk sprak men niet, behalve misschien met de dokter. Over seks voor of buiten het huwelijk praatte men al helemáál niet. En homoseksuele gevoelens waren absoluut onbespreekbaar. Is dat iets nieuws? Natuurlijk niet. De normen waar het hier om gaat golden voor veel Nederlanders (ook voor mij) tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw en vaak nog wel langer. Dat er in het eerste kwart van de twintigste eeuw in Nederlandse romans niet heel expliciet over seks kon worden geschreven, was te verwachten. Met de kwaliteit van literatuur heeft dat niets te maken.
Maar: ik kan er maar niet toe komen de twee romans van Van Bruggen positief te bespreken. Dat komt zo: ik vond ze bijna niet om door te komen! Vooral Eva viel me zwaar! Ik hou blijkbaar niet van Carry van Bruggen! Terwijl ze toch zo’n interessante visie had, en zo mooi was, en zo depressief, en terwijl ze zo tragisch gestorven is! (Voor info over CvB, klik hier.) Maar haar stijl ligt me niet.
Carry van Bruggen was een kampioen in het gebruik van … de drie stippeltjes. In een ander boek van haar, Het huisje aan de sloot, kon ik dat nog wel verdragen. Dat zijn jeugdherinneringen, en daar past een enigszins naïeve stijl wel bij. Door die drie stippeltjes verspreid over vrijwel alle pagina’s krijgt de tekst voor mij een onherstelbaar naïeve en meewarige toon, misschien doordat ik in mijn jeugd te veel kinderboeken van W.G. van de Hulst heb gelezen. In Eva kon ik ze op een gegeven moment niet meer zíén! Ze maakten van het boek bijna een louter emotioneel verslag. Geef mij wat meer ratio. Toch zie ik, langs die stippeltjes heen, soms ook het mooie van Carry van Bruggens manier van zien, voelen en schrijven. Maar een heel boek achter elkaar wordt me teveel.
Enfin, het zij zo. Misschien probeer ik ooit… ooit… nog eens een ander boek van CvB.
(Een fragment uit Eva):
Mag ik het nu zeggen… mag ik nu lieveling zeggen? Je moogt het niet zeggen: het is te zoet en te groot… je zou sidderen moeten, je siddert niet… je deed dat wel in sommige nachten, als je het fluisterde naar een man, die je niet kent. Het woord vloog uit… zó vloog uit Noachs ark de duif de wateren over… en vond geen rust voor zijn voet… en keerde niet weer… Najaar was het, je liep naar huis. Nu ga ik trouwen. Nu zullen er geen geheimen meer zijn. Ik ga trouwen en ik krijg een kind. Ik krijg het… van Ben… Ik wil het heel graag hebben. Daaraan alleen behoor je te denken… daaraan is het andere, zijn de geheimen, verbonden. Johannes Viator, Perks ‘Mathilde’. Hoe ik somtijds kan verlangen, naar wat mag en moet geschiên Om – laat mij u nogmaals kussen – in mijn kinderen u te zien. Neen. Niet mooi. Pijnlijk, om licht van te rillen… ‘U’. ‘Mag en moet geschieên.’ Niet mooi, niet lief… niet zoet…
Hij staat er al een jaar of twee, op werkdagen en onder kantoortijd: De Amersfoortse Boekenkast. Zomaar buiten op straat, op de hoek van de Stadsring vlak bij het stadhuis. De kast is aan alle vier de zijden voorzien van boekenplanken en glazen deuren die open kunnen. Op de kast hangt het volgende briefje:

Vandaag heb ik er weer een paar boeken in gezet.
Ik lees Schetsen uit Spanje van Marcellus Emants. Oorspronkelijk verschenen in 1886, herdrukt in 2004. Ik ga graag op vakantie naar Scandinavië, maar van dit boek krijg ik bepaald zin om ook eens een bezoek aan het gloedvolle zuiden te brengen. Al zal er sinds 1886 behoorlijk veel veranderd zijn. Zou er nog iets kloppen van het volgende stukje tekst, over de liefde voor muziek van de Andalusiërs?
Hier komt bij dat in Andalusië elk op zijn beurt artiest is, zingt, op de gitaar speelt en dikwijls nog andere instrumenten beoefent.
De kunst bestaat er dan ook nog in haar oorspronkelijke vorm, d.i. zij leeft er op de lippen van het volk.
Iedere dag worden hier in de straten honderden coupletten gedicht op de liefde en op de gebeurtenissen van de dag. Het ene sterft onmiddellijk na de geboorte, het andere gaat van mond tot mond, het derde komt ten slotte onder een drukpers te land. In de deftige wereld doet het laatste dan zijn intrede met de naam van een verzamelaar, daar niemand meer weet in wiens fantasie het werd verwekt.
 Spanish Dancer, 1881, door John Singer Sargent
Emants doelde hier op de canto flamenco en nadat ik dit had gelezen, ben ik op internet naar flamencozang gaan zoeken om op mijn blog te zetten (is het jullie al opgevallen dat ik sinds een paar weken een stukje muziek in de rechterkolom heb staan?). Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik nog geen opname heb gevonden die me aansprak. Vooralsnog geen canto flamenco op dit blog dus. Dan maar de bekende Spaanse dans no. 5 (Andaluza), van Enrique Granados gekozen, oorspronkelijk een compositie voor piano. Het stuk wordt ook vaak gespeeld op gitaar, maar deze keer is het een uitvoering met viool en piano.
;”>-
-
-
-
Marcellus Emants: Schetsen uit Spanje. Herdruk. Menken Kasander en Wigman Uitgevers, 2004. 249 blz.
Nu pas gezien: op veellezer Achille van den Brandens lijstje (nu ja, lijst) “Beste Gelezen in 2008″ staat ook mijn vertaling Dokter Glas (roman van Hjalmar Söderberg). Goed zo! Zijn bespreking van dat boek dd 2 dec. 2008 las ik ook pas vandaag. Ik twitterde een paar dagen geleden nog dat ik het blog van AvdB beter vond dan dat van De Papieren Man, omdat AvdB tenminste over boeken schrijft en De Papieren Man voornamelijk over het literaire wereldje. HP/De Tijd heeft vorige week niet het blog van AvdB, maar dat van De Papieren Man uitgeroepen tot beste weblog over literatuur in de Nederlanden. Daar was ik het dus niet mee eens. De Papieren Man heeft tegenwoordig advertenties ook, dat is sowieso een minpunt.
Achille van den Branden is vermoedelijk een pseudoniem. Het is me niet bekend wie zich achter de naam verschuilt/verschuilen. AvdB leest en recenseert zo veel dat een mens het nauwelijks kan bijhouden. Dat hoeft ook niet; doe ik met veel andere blogs, De Papieren Man bijvoorbeeld, ook niet. Pluspuntje van AvdB: er staan geen advertenties op. Nog een pluspunt: door middel van een citaat van Truman Capote drijft AvdB de spot met de eigen recensie-ijver: That isn’t reviewing at all — it’s typing. Ik mag dat wel.
 Aquarel van Ignat Bednarik (1882-1963)
In Keep The Aspidistra Flying uit 1936 van George Orwell weigert de hoofdpersoon, de jonge dichter Gordon Comstock, mee te doen aan de ratrace van de geldeconomie. Het gevolg – een chronisch geldtekort – gaat op bitter-komische manier zijn hele gedachtenleven beheersen en dat verpest de relatie met zijn geliefde Rosemary en zijn vriend Ravelston.
Het hele boek lang blijft het spannend of Gordon in zijn non-conformisme en armoede zal volharden. Ik vond het een heel leuk verhaal, alleen al vanwege het baantje dat Gordon heeft; het enige baantje dat niet in strijd is met zijn principes: hij werkt in een kleine boekhandel annex leesbibliotheek. De types die in de zaak komen! En de manier waarop Orwell ze beschrijft!
Leesbibliotheken. Wie kent ze nog uit eigen herinnering? Ik heb het idee dat ik vroeger weleens in zo’n zaakje ben geweest. Maar het is niet meer dan een vage herinnering. Bijgaand een plaatje van zo’n ouderwets boekwinkeltje/bibliotheekje, in Amsterdam op de Lange Niezel.
 via www.prentbriefkaarten.info
En wisten jullie dat De Bijenkorf vroeger een leesbibliotheek had? Op de website Boekenmuseum vind je er informatie over (in de rubriek “Reclame”).
Een interessant verhaal staat op de website Gebr. E. & M. Cohen. Tabakshandelaar Ezechiël Godert Cohen verloor tijdens de Franse bezetting bijna al zijn bezit en liet bij zijn dood in 1813 zijn vrouw en kinderen berooid achter. Zijn zoon Godert ging werken bij een boekhandel om de kost voor het gezin te helpen verdienen. In 1824 besloten Godert en zijn moeder om tegen betaling boeken te gaan uitlenen uit de grote boekenverzameling die hun vader/echtgenoot had achtergelaten. De vakkennis die Govert in de boekhandel had opgedaan, kwam hem daarbij goed van pas. Godert bouwde zijn leesbibliotheek uit en opende op 6 Maart 1827 een commerciële leesbibliotheek aan de Ganzenheuvel in Nijmegen. Voor die tijd was het met 800 werken een omvangrijke bibliotheek. Men kon een gedrukte catalogus kopen voor 10 ct. Op de genoemde website staat: “Uit deze leesbibliotheek is, voor zover bekend, nog maar één exemplaar overgebleven, Victor Hugo’s Bug-Jargal uit 1835 met voorin nog het etiket van de leesbibliotheek met het boeknummer.” Het ging goed met het bedrijf; in 1836 was de collectie uitgebreid tot 3562 werken en in 1841 tot 5483 werken. Goderts zonen zetten de zaak voort. Het doel van hun bedrijf was intussen geworden “het houden van een magazijn van goedkoope boeken, het uitoefenen van den boekhandel, het koopen en verkoopen van fondsartikelen, restant-oplagen enz.”
In 1878 richtten de broers samen een uitgeverij op, Gebr. E. & M. Cohen. Die is tot 1941 blijven bestaan; in de tweede wereldoorlog werd het bedrijf lamgelegd. Na 1945 is de uitgeverij door een nichtje voortgezet, maar onder andere namen en ook algauw met andere firmanten.
 De achterkleinzoon van een van de gebroeders Cohen heeft de website opgericht om de geschiedenis van de uitgeverij te vertellen. Ook verzamelt hij uitgaven van het bedrijf. Dat zijn er heel wat geweest. Er staat een aantal mooie afbeeldingen van covers op de site (links twee voorbeelden). De uitgeverij was o.a. bekend om haar uitgaven van Walter Scott, Dickens, Harriet Beecher-Stowe, Charles Darwin, Émile Zola en andere klassieken in vertaling. Ik heb even in de boekenkasten hier thuis gespeurd, maar helaas nog zonder resultaat.
—
Van Keep the aspidistra flying is in 1973 een goede Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Else Hoog. Nederlandse titel: Houd de sanseferia hoog. Tweedehands nog wel verkrijgbaar.
De hoofdpersoon in Orwells roman vindt de Aspidistra het absolute toppunt van verachtelijke burgerlijkheid. De keuze van de vertaalster om aspidistra te vertalen met sanseferia (sansevieria) vind ik een hele goede. De sanseferia is al minstens een halve eeuw een geweldig populaire kamerplant in Nederland en België. Ik kan me nog goed een filmpje van Van Kooten & De Bie herinneren, waarin deze heren op zoek gingen naar aanhangers van het Simplisties Verbond. Ze hadden vooraf laten weten dat mensen die sympathiseerden een sansevieria in hun vensterbank moesten zetten. En ja hoor, de camera passeerde het ene pand na het andere met sansevieria’s achter de ramen. Ik moet nog altijd aan dat filmpje denken wanneer ik ergens een sansevieria zie staan .
Wat heeft een mens in zijn lange leven toch veel herinneringen waar je met niemand over kunt en wilt spreken, maar die toch om een onnaspeurlijke reden onvergetelijk zijn!
Bovenstaand citaat komt uit In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd, door Maria van der Ent (1900-1991). Maria van der Ent was de oudste in een gezin met dertien kinderen. Ze kwam met goede cijfers van school, maar doorleren zat er voor haar niet in. Maria werkte vanaf haar twaalfde jaar dertien jaar lang als dienstmeisje in verschillende Rotterdamse families. In 1925 trouwde ze en begon ze haar eigen huishouden. Tegen haar eigen kinderen sprak ze nooit over haar vroegere nederige bestaan als dienstmeisje. Toen een van haar zonen er haar in 1970 naar vroeg, besloot ze haar herinneringen op schrift te stellen. In 1972 overhandigde ze haar zoon een multomap met 400 volgeschreven bladzijden. Die zijn in 2007 in boekvorm gepubliceerd, en het is een boeiend boek geworden. Ik vond de eerste hoofdstukken, “Vader en moeder” en “Het straatleven in Rotterdam” al meteen hartveroverend.
Door mijn huidige leesthema (zie Kettinglezen 2 en 3) was ik benieuwd of ik in de aantekeningen van Van der Ent, die de jaren 1912-1925 bestrijken, iets over de vrouwenbeweging zou vinden – de schrijfster zal toch zeker iets hebben gemerkt van bijvoorbeeld de kiesrechthervormingen in die tijd. Van der Ent schrijft daar echter niet direct iets over. Maar ze leerde wel om strijdbaar te zijn. Dat was dan ook hard nodig. In haar eerste dienstje verdiende ze 75 ct per week voor hele dagen en zondags een halve dag werken. Toen ze een keer een kopje brak, hield haar “mevrouw” negenenhalve cent in van haar weekloon. Voor Maria was dat aanleiding om nooit meer terug te gaan naar deze mevrouw. In haar tweede dienstje was ze meisje voor halve dagen. Dat baantje verliet ze om een paar weken seizoenarbeid te gaan doen.
Op een keer hoorde ik dat je met aardbeien plukken f 1,- per dag kon verdienen. Ik wist dat ze het thuis goed konden gebruiken, en ik zegde mijn betrekking op. ‘Maar kind,’ zei mevrouw geschrokken, ‘daar ben je toch niet geschikt voor, dat is niets voor jou!’ Nou, dacht ik, aardbeien plukken is vast niet zo zwaar als de grote was doen. En ik ging weg, maar ik kreeg een mooi getuigschrift mee. …
… we kregen inderdaad f 1,- per dag. Maar ik zag dat de anderen f 1,25 kregen en ik plukte net zo veel als zij. Ik vroeg aan de jonge boer die altijd op het land zat, ook om f 1,25 per dag. ‘Dat krijg je pas als je ook vijfentwintig tips per dag plukt zoals die anderen,’ zei hij. ‘Nou, dat doe ik,’ antwoordde ik. ‘Laat dan maar eens zien, stapel ze maar eens op vandaag,’ zei hij. En jawel, toen kreeg ik ook f 1,25 per dag.
Als dienstmeisje had Maria soms te maken met seksuele intimidatie of zelfs erger, maar ze wist zich overal goed door te slaan en één keer zelfs een paar flinke trappen uit te delen en de betreffende jongeman een dag lang op te sluiten.
Bij sommige families voelde ze zich goed thuis. Ze deed veel ervaring op, niet alleen met schoonmaakwerk maar ook met etiquette, tafelmanieren, tafel dekken, logistiek van grote diners, en koken. Nog vóór haar twintigste kreeg ze zelfs de leiding over het grote huishouden van een van de deftigste families van Rotterdam. Daar ging ze overigens niet meer door verdienen. Toen ze uiteindelijk besefte dat ze werd uitgebuit, besloot ze weer ontslag te nemen.
Al met al was het geen kleinigheid om mijn baan op te zeggen, ik was er meer dan zeven jaar geweest. Ik overdacht alles nog eens goed, ik had het er heerlijk gehad, en had ook veel aan mevrouw te danken. Ze heeft me ook veel geleerd. Maar mevrouw had ook jaren een perfecte hulp aan mij gehad. En de laatste jaren had ze massa’s vrije tijd gehad. Alles had ze aan mij overgelaten., de hele gang van zaken in huis. Ik behoefde in het geheel geen schuldgevoel te hebben. Mijn ogen waren wagenwijd opengegaan. Ik kon me niet herinneren ooit opslag te hebben gekregen.
Van der Ent heeft het verhaal van haar dienstbodetijd goed en levendig en gedetailleerd opgeschreven. Het is ontzettend leuk om te lezen en je komt veel te weten over de familiecultuur en over de omstandigheden van het huispersoneel van die tijd. Maria van der Ent schreef het boek voor haar kinderen en had beslist niet de pretentie een soort cultuurhistorisch overzicht te geven (dat is het ook inderdaad niet); het was ook niet haar bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Maar doordat haar zoon jaren na haar dood met het manuscript naar een uitgever is gestapt, zijn we nu een prachtig boek rijker.
Maria van der Ent: In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd. Artemis & co, 2007. 195 blz.
Klik hier voor een recensie in Trouw.
De Romeinse historicus Tacitus (ca. 55-120) schreef in een ultrabondige stijl en is ontzettend moeilijk te vertalen, begrijp ik. Er is net een vertaling verschenen van zijn Historiën, gemaakt door classicus Vincent Hunink. In de NRC-boekenbijlage van gisteren stond een interview van Pieter Steinz met de vertaler. Ik ben zelf geen classicus, maar ik vind het leuk om te lezen wat deze collega-vertaler over zijn werk vertelt. Hieronder enkele citaten uit Huninks antwoorden.
“Er wordt wel gezegd dat Tacitus moeilijker is dan Caesar. Om in het Latijn te lezen misschien, maar bij het omzetten in goed Nederlands maakt dat niet uit. Er bestaan geen makkelijke teksten om te vertalen. Iedere schrijver heeft zijn eigen stijl, die je zo goed mogelijk moet zien over te brengen.”
“Teksten uit de Oudheid moet je lezen in hun oorspronkelijke vorm, maar presenteren in de taal van nu, inclusief de hulpmiddelen die er in de handschriften niet bijstaan: interpunctie, alineascheidingen, tussenkopjes, een inleiding en een index. Het is een misverstand dat het omzetten van de ene taal in de andere altijd gepaard gaat met verlies; dat idee werpt een drempel voor de lezer op. Bij een vertaling maak je ook winst. Je kunt inspelen op het associatievermogen van de hedendaagse lezer; zo gebruik ik het beladen woord ‘bonussen’ voor de geldsommen waarmee keizers in spe de steun van de Romeinse soldaten kopen, en het in de Haagse politiek misbruikte woord ‘temporiseren’ in de context van laffe, besluiteloze politici. En je kunt misschien niet alle klankeffecten en alliteraties op dezelfde plaatsen handhaven, maar je kunt ze wel elders compenseren. Het gaat om het netto-effect.”
“Zoals Tacitus schreef, zo schreven Romeinen niet. Het is een kunsttaal, die heel ver aflag van het gesproken woord; hard als een laserstraal, zonder ruis. /…/ Je moet de vertaling dus zó in elkaar drukken dat het Tacitus wordt – wat in het Nederlands moeilijk is omdat je daarin zoveel kleine woordjes nodig hebt om een tekst leesbaar te houden.”
“Tacitus schreef een bijna experimenteel proza. Redacties van uitgeverijen houden daar niet van; ze hebben de neiging het Nederlands te normaliseren. Ik heb dus wel compromissen moeten sluiten. Als het aan mij lag, was er nog heel wat uitgegaan – lidwoorden, voegwoorden, bijwoorden. Neem een zinnetje als ‘De senaat, het volk, je kende ze niet meer terug’, waarmee het hoofdstuk over de chaos na de moord op Galba begint. Eigenlijk had dat ‘Senaat, volk, niet meer terug te kennen’ moeten zijn; maar tegen dat soort bondigheid maakte de uitgeverij bezwaar.”
Tacitus: Historiën (Historiae). Vertaling Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010. 308 blz.
Na lezing van de biografie van Maria von Platen (zie log van 2 april jl.) wilde ik meer lezen over de positie van de vrouw rond 1900. Ik pakte de Zweedse roman Pennskaftet door Elin Wägner, die al een hele poos ongelezen in mijn boekenkast stond. Het bleek een bijzonder boek.
 Elin Wägner (1882-1949)
Elin Wägner (1882-1949) was schrijfster, journaliste, feministe; in haar latere jaren werd ze ook nog pacifiste. Pennskaftet uit 1910 was Elin Wägners derde boek, en haar eerste echte roman. Het is een verhaal over een groepje dames dat met veel idealisme strijdt voor kiesrecht, beter onderwijs, zelfstandigheid en betere werkomstandigheden voor vrouwen. “Pennskaftet” (=penhouder) is de geuzennaam van een van de activistes, een jonge journaliste die ook de jongeman die op een gegeven moment haar geliefde wordt tot feministische inzichten probeert te brengen. Tussen de vrouwen is het niet allemaal pais en vree en elk van hen heeft weleens twijfels en legt haar eigen accenten. Elin Wägner bepleit in het boek tevens een vrijere kijk op liefde en seks. Ik vond het boek goed geschreven, levendig en fris, en “Penhouder” vind ik een hartveroverend personage. Van Wägners werk is jammer genoeg maar heel weinig in het Nederlands vertaald.
In Nederland hadden we rond 1900 natuurlijk ook feministische publicaties. Van dr. Aletta Jacobs bijvoorbeeld. Die schreef trouwens goed! Lees bijvoorbeeld eens haar artikel “Het doel der vrouwenbeweging” in De Gids van 1899. Aletta Jacobs schreef echter geen fictie.
Het volgende boek in mijn leesketting werd Hilda van Suylenburg uit 1897, geschreven door Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk (1866-1944). Dit is zo ongeveer de spraakmakendste Nederlandse roman uit de zgn. eerste feministische golf geweest. De hoofdpersoon Hilda is een meisje van adellijke afkomst dat na de dood van haar ouders bij haar oom en tante in Den Haag gaat wonen. In Den Haag leert ze de feministische vrouwelijke arts Corona van Oven kennen (duidelijk geïnspireerd op Aletta Jacobs lijkt me), en via Corona komt ze in aanraking met meisjes en vrouwen uit allerlei verschillende milieus. Voor een meisje van Hilda’s afkomst ligt een leven van oppervlakkig vermaak en luxe voor de hand, maar Hilda kiest uiteindelijk voor een serieuze studie, rechten. Ze wil als advocate en juriste de positie van vrouwen helpen verbeteren. En passant vindt ze ook nog de man van haar hart. Allerhande casussen (iets te veel naar mijn smaak) van onrecht jegens vrouwen passeren de revue in de roman, en helemaal aan het eind sluipt er zelfs dierenleed in het verhaal, iets dat natuurlijk ook bestreden dient te worden. Dat alles haalt soms de vaart een beetje uit de vertelling. Niettemin heb ik het boek met veel plezier gelezen. Het taalgebruik heeft niets gekunstelds of stoffigs. Waarom zijn boek en schrijfster nooit aan de orde geweest in mijn literatuurlessen op school vroeger? Ik heb er mijn oude Literatuurgeschiedenis – Bloemlezing van Lodewick ook nog op nageslagen, maar titel noch schrijfster zijn daarin te vinden.
Wat kwam ik uit deze twee romans te weten over de situatie van de vrouw rond 1900? Dat de vrouw geen goede rechtspositie had, wist ik natuurlijk wel. Maar in de romans worden allerlei details en gevolgen van de maatschappelijke druk die er werd uitgeoefend op een aansprekende manier aan de orde gesteld. Een baan hebben, zelfs al was het een kantoorbaan, was iets wat afdeed aan de eerbaarheid van de vrouw en wat ook nog eens de positie van de man bedreigde. Het werd dan ook ontmoedigd. Voor arbeidersvrouwen in de fabrieken lag het iets anders. Maar zij konden worden ontslagen, bijvoorbeeld omdat ze zwanger werden of omdat mannen hun werk overnamen of omdat liberalere wetten verboden dat zij werk deden dat gevaarlijk was voor de gezondheid. Dat deze vrouwen door gebrek aan inkomen vervolgens hun kinderen niet meer konden voeden en kleden, werd hun als een schande aangerekend. Dienstmeisjes die zwanger raakten (niet zelden door toedoen van de heer des huizes of diens zoon) werden zonder pardon op straat gezet. Vrouwen uit welgesteldere milieus werden door opvoeding voorbereid op niets anders dan het huwelijk, en als dat er niet van kwam moesten ze maar gaan borduren. Het leven van ongetrouwde vrouwen uit gegoede families kon gruwelijk onbevredigend zijn en leidde soms tot zenuwkwalen. Een huwelijk met een “goede partij” bracht ook niet altijd geluk. Wanneer een meisje trouwde kwam het vermogen dat ze eventueel van thuis meebracht, op naam van haar man te staan. Wanneer de man het geld erdoorheen joeg, kon zijn echtgenote daar niets tegen doen. Bij echtscheiding behield de man de zeggenschap over de kinderen, terwijl de moeder het nakijken had. Wat seks betreft golden voor vrouwen en mannen zowel binnen als buiten het huwelijk verschillende normen.
Zowel in het Zweedse als het Nederlandse boek wordt hartstochtelijk de noodzaak bepleit van een betere rechtspositie voor vrouwen o.a. door vrouwenkiesrecht; het zijn allebei echte tendensromans en daarbij allebei goed en levendig geschreven. Het was boeiend en leerzaam om me eens via romans in het feminisme te verdiepen.
Elin Wägner: Pennskaftet. Stockholm, 1910. 324 blz.
Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk: Hilda van Suylenburg. 1897, herdrukt in 1984. 567 blz. De herdruk is als pdf te downloaden vanaf de dbnl-website; jammer genoeg zijn er nogal wat scanfouten in de pdf-tekst blijven zitten.
Het kettinglezen — van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932) — was hiermee nog niet afgelopen. Wordt vervolgd, dus.
|
|
Alledaags heldendom  ...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Bookgrrls Galerie: Klik op het plaatje 
Uit het Rijksmuseum: (Elke dag een ander kunstwerk. Klik rechtsonder op het plaatje voor info.)
Kophieps’ weblog bevat ook overgenomen berichten van mijn vroegere blogs Kophieps 1-2-3 (t/m 20 dec. 2009) en Bert Ajour (t/m 8 juli 2007).
En voorts ben ik van mening… dat er een eind moet komen aan de bio-industrie.
|
Recente reacties