In betrekking (Kettinglezen 4)

Wat heeft een mens in zijn lange leven toch veel herinneringen waar je met niemand over kunt en wilt spreken, maar die toch om een onnaspeurlijke reden onvergetelijk zijn!

Bovenstaand citaat komt uit In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd, door Maria van der Ent (1900-1991). Maria van der Ent was de oudste in een gezin met dertien kinderen. Ze kwam met goede cijfers van school, maar doorleren zat er voor haar niet in. Maria werkte vanaf haar twaalfde jaar dertien jaar lang als dienstmeisje in verschillende Rotterdamse families. In 1925 trouwde ze en begon ze haar eigen huishouden. Tegen haar eigen kinderen sprak ze nooit over haar vroegere nederige bestaan als dienstmeisje. Toen een van haar zonen er haar in 1970 naar vroeg, besloot ze haar herinneringen op schrift te stellen. In 1972 overhandigde ze haar zoon een multomap met 400 volgeschreven bladzijden. Die zijn in 2007 in boekvorm gepubliceerd, en het is een boeiend boek geworden. Ik vond de eerste hoofdstukken, “Vader en moeder” en “Het straatleven in Rotterdam” al meteen hartveroverend.

Door mijn huidige leesthema (zie Kettinglezen 2 en 3) was ik benieuwd of ik in de aantekeningen van Van der Ent, die de jaren 1912-1925 bestrijken, iets over de vrouwenbeweging zou vinden – de schrijfster zal toch zeker iets hebben gemerkt van bijvoorbeeld de kiesrechthervormingen in die tijd. Van der Ent schrijft daar echter niet direct iets over. Maar ze leerde wel om strijdbaar te zijn. Dat was dan ook hard nodig. In haar eerste dienstje verdiende ze 75 ct per week voor hele dagen en zondags een halve dag werken. Toen ze een keer een kopje brak, hield haar “mevrouw” negenenhalve cent in van haar weekloon. Voor Maria was dat aanleiding om nooit meer terug te gaan naar deze mevrouw. In haar tweede dienstje was ze meisje voor halve dagen. Dat baantje verliet ze om een paar weken seizoenarbeid te gaan doen.

Op een keer hoorde ik dat je met aardbeien plukken f 1,- per dag kon verdienen. Ik wist dat ze het thuis goed konden gebruiken, en ik zegde mijn betrekking op. ‘Maar kind,’ zei mevrouw geschrokken, ‘daar ben je toch niet geschikt voor, dat is niets voor jou!’ Nou, dacht ik, aardbeien plukken is vast niet zo zwaar als de grote was doen. En ik ging weg, maar ik kreeg een mooi getuigschrift mee. …

… we kregen inderdaad f 1,- per dag. Maar ik zag dat de anderen f 1,25 kregen en ik plukte net zo veel als zij. Ik vroeg aan de jonge boer die altijd op het land zat, ook om f 1,25 per dag. ‘Dat krijg je pas als je ook vijfentwintig tips per dag plukt zoals die anderen,’ zei hij. ‘Nou, dat doe ik,’ antwoordde ik. ‘Laat dan maar eens zien, stapel ze maar eens op vandaag,’ zei hij. En jawel, toen kreeg ik ook f 1,25 per dag.

Als dienstmeisje had Maria soms te maken met seksuele intimidatie of zelfs erger, maar ze wist zich overal goed door te slaan en één keer zelfs een paar flinke trappen uit te delen en de betreffende jongeman een dag lang op te sluiten.
Bij sommige families voelde ze zich goed thuis. Ze deed veel ervaring op, niet alleen met schoonmaakwerk maar ook met etiquette, tafelmanieren, tafel dekken, logistiek van grote diners, en koken. Nog vóór haar twintigste kreeg ze zelfs de leiding over het grote huishouden van een van de deftigste families van Rotterdam. Daar ging ze overigens niet meer door verdienen. Toen ze uiteindelijk besefte dat ze werd uitgebuit, besloot ze weer ontslag te nemen.

Al met al was het geen kleinigheid om mijn baan op te zeggen, ik was er meer dan zeven jaar geweest. Ik overdacht alles nog eens goed, ik had het er heerlijk gehad, en had ook veel aan mevrouw te danken. Ze heeft me ook veel geleerd. Maar mevrouw had ook jaren een perfecte hulp aan mij gehad. En de laatste jaren had ze massa’s vrije tijd gehad. Alles had ze aan mij overgelaten., de hele gang van zaken in huis. Ik behoefde in het geheel geen schuldgevoel te hebben. Mijn ogen waren wagenwijd opengegaan. Ik kon me niet herinneren ooit opslag te hebben gekregen.

Van der Ent heeft het verhaal van haar dienstbodetijd goed en levendig en gedetailleerd opgeschreven. Het is ontzettend leuk om te lezen en je komt veel te weten over de familiecultuur en over de omstandigheden van het huispersoneel van die tijd. Maria van der Ent schreef het boek voor haar kinderen en had beslist niet de pretentie een soort cultuurhistorisch overzicht te geven (dat is het ook inderdaad niet); het was ook niet haar bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Maar doordat haar zoon jaren na haar dood met het manuscript naar een uitgever is gestapt, zijn we nu een prachtig boek rijker.

Maria van der Ent: In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd. Artemis & co, 2007. 195 blz.
Klik hier voor een recensie in Trouw.

Kettinglezen (3)

Na lezing van de biografie van Maria von Platen (zie log van 2 april jl.) wilde ik meer lezen over de positie van de vrouw rond 1900. Ik pakte de Zweedse roman Pennskaftet door Elin Wägner, die al een hele poos ongelezen in mijn boekenkast stond.  Het bleek een bijzonder boek.

Elin Wägner (1882-1949)

Elin Wägner (1882-1949) was schrijfster, journaliste, feministe; in haar latere jaren werd ze ook nog pacifiste. Pennskaftet uit 1910 was Elin Wägners derde boek, en haar eerste echte roman.  Het is een verhaal over een groepje dames dat met veel idealisme strijdt voor kiesrecht, beter onderwijs, zelfstandigheid en betere werkomstandigheden voor vrouwen. “Pennskaftet” (=penhouder) is de geuzennaam van een van de activistes, een jonge journaliste die ook de jongeman die op een gegeven moment haar geliefde wordt tot feministische inzichten probeert te brengen. Tussen de vrouwen is het niet allemaal pais en vree en elk van hen heeft weleens twijfels en legt haar eigen accenten. Elin Wägner bepleit in het boek tevens een vrijere kijk op liefde en seks. Ik vond het boek goed geschreven, levendig en fris, en “Penhouder” vind ik een hartveroverend personage. Van Wägners werk is jammer genoeg maar heel weinig in het Nederlands vertaald.

In Nederland hadden we rond 1900 natuurlijk ook feministische publicaties. Van dr. Aletta Jacobs bijvoorbeeld. Die schreef trouwens goed! Lees bijvoorbeeld eens haar artikel “Het doel der vrouwenbeweging” in De Gids van 1899. Aletta Jacobs schreef echter geen fictie.

Het volgende boek in mijn leesketting werd Hilda van Suylenburg uit 1897, geschreven door Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk (1866-1944). Dit is zo ongeveer de spraakmakendste Nederlandse roman uit de zgn. eerste feministische golf geweest. De hoofdpersoon Hilda is een meisje van adellijke afkomst dat na de dood van haar ouders bij haar oom en tante in Den Haag gaat wonen. In Den Haag leert ze de feministische vrouwelijke arts Corona van Oven kennen (duidelijk geïnspireerd op Aletta Jacobs lijkt me), en via Corona komt ze in aanraking met meisjes en vrouwen uit allerlei verschillende milieus. Voor een meisje van Hilda’s afkomst ligt een leven van oppervlakkig vermaak en luxe voor de hand, maar Hilda kiest uiteindelijk voor een serieuze studie, rechten. Ze wil als advocate en juriste de positie van vrouwen helpen verbeteren. En passant vindt ze ook nog de man van haar hart. Allerhande casussen (iets te veel naar mijn smaak) van onrecht jegens vrouwen passeren de revue in de roman, en helemaal aan het eind sluipt er zelfs dierenleed in het verhaal, iets dat natuurlijk ook bestreden dient te worden. Dat alles haalt soms de vaart een beetje uit de vertelling. Niettemin heb ik het boek met veel plezier gelezen. Het taalgebruik heeft niets gekunstelds of stoffigs. Waarom zijn boek en schrijfster nooit aan de orde geweest in mijn literatuurlessen op school vroeger? Ik heb er mijn oude Literatuurgeschiedenis – Bloemlezing van Lodewick ook nog op nageslagen, maar titel noch schrijfster zijn daarin te vinden.

Wat kwam ik uit deze twee romans te weten over de situatie van de vrouw rond 1900?  Dat de vrouw geen goede rechtspositie had, wist ik natuurlijk wel. Maar in de romans worden allerlei details en gevolgen van de maatschappelijke druk die er werd uitgeoefend op een aansprekende manier aan de orde gesteld. Een baan hebben, zelfs al was het een kantoorbaan, was iets wat afdeed aan de eerbaarheid van de vrouw en wat ook nog eens de positie van de man bedreigde. Het werd dan ook ontmoedigd. Voor arbeidersvrouwen in de fabrieken lag het iets anders. Maar zij konden worden ontslagen, bijvoorbeeld omdat ze zwanger werden of omdat mannen hun werk overnamen of omdat liberalere wetten verboden dat zij werk deden dat gevaarlijk was voor de gezondheid. Dat deze vrouwen door gebrek aan inkomen vervolgens hun kinderen niet meer konden voeden en kleden, werd hun als een schande aangerekend. Dienstmeisjes die zwanger raakten (niet zelden door toedoen van de heer des huizes of diens zoon) werden zonder pardon op straat gezet. Vrouwen uit welgesteldere milieus werden door opvoeding voorbereid op niets anders dan het huwelijk, en als dat er niet van kwam moesten ze maar gaan borduren. Het leven van ongetrouwde vrouwen uit gegoede families kon gruwelijk onbevredigend zijn en leidde soms tot zenuwkwalen. Een huwelijk met een “goede partij” bracht ook niet altijd geluk. Wanneer een meisje trouwde kwam het vermogen dat ze eventueel van thuis meebracht, op naam van haar man te staan. Wanneer de man het geld erdoorheen joeg, kon zijn echtgenote daar niets tegen doen. Bij echtscheiding behield de man de zeggenschap over de kinderen, terwijl de moeder het nakijken had. Wat seks betreft golden voor vrouwen en mannen zowel binnen als buiten het huwelijk verschillende normen.

Zowel in het Zweedse als het Nederlandse boek wordt hartstochtelijk de noodzaak bepleit van een betere rechtspositie voor vrouwen o.a. door vrouwenkiesrecht; het zijn allebei echte tendensromans en daarbij allebei goed en levendig geschreven. Het was boeiend en leerzaam om me eens via romans in het feminisme te verdiepen.

Elin Wägner: Pennskaftet. Stockholm, 1910. 324 blz.

Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk: Hilda van Suylenburg. 1897, herdrukt in 1984. 567 blz. De herdruk is als pdf te downloaden vanaf de dbnl-website; jammer genoeg zijn er nogal wat scanfouten in de pdf-tekst blijven zitten.

Het kettinglezen — van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932) — was hiermee nog niet afgelopen. Wordt vervolgd, dus.

Mijn eerste Pym

No Fond Return of Love is de zesde roman van Barbara Pym, oorspronkelijk verschenen in 1961. Ik kocht het boek – een herdruk uit 2009 – vooral vanwege de kleurige, wat ouderwetse omslagillustratie van een vrouw, een man, en een boekenkast. En de openingszin maakte dat ik het boek meteen wilde lezen: “There are various ways of mending a broken heart, but perhaps going to a learned conference is one of the more unusual.”

De persoon met het gebroken hart is Dulcie Mainwaring, een alleenstaande, niet meer zo jonge vrouw. Dulcie is freelancer en maakt indexen voor wetenschappelijke publicaties. Saai werk? Voor u misschien, maar mij lijkt het leuk. Je moet zorgvuldig zijn en veel geduld hebben. Precies de eigenschappen die ik vroeger in mijn werk met bibliotheekcatalogi nodig had, en waar ik ook als vertaalster veel nut van heb. Al doende leer je heel veel. En het toegankelijk(er) maken van wetenschappelijke teksten, wat Dulcie doet, is ook nog eens heel zinvol. Echt een boek voor mij, dacht ik. Maar eerlijk gezegd viel het me een beetje tegen.

Het komt allereerst omdat het werk er nauwelijks in aan bod komt. Dulcie heeft blijkbaar zeeën van tijd om zich met andere dingen dan indexeren bezig te houden. De weekendconferentie die ze aan het begin van het boek bijwoont, dient vooral om de belangrijkste personages van het boek te introduceren. Naast Dulcie zijn dat Aylwin Forbes, een literatuurwetenschapper die in echtscheiding ligt, en Viola Dace, indexenmaakster die voor Aylwin heeft gewerkt, verliefd op hem is, en misschien ook wel eventjes iets met hem heeft gehad. Dulcie raakt via gesprekken met Viola ook geïnteresseerd in Aylwin. Eenmaal weer thuis besluit Dulcie, die behoefte heeft aan afleiding van haar hartepijn, zich wat meer in Aylwins doen en laten te gaan verdiepen. Ik zou haar activiteiten niet direct als “stalken” willen betitelen, maar ze snuffelt wel rond in Aylwins omgeving en familie.

Dulcie krijgt haar 18-jarige nichtje Laurel in huis, een eerstejaars studente die van plan is een lekker vrijgevochten leventje te gaan beginnen. Viola krijgt ondertussen moeilijkheden met haar huisbaas. Onverwacht staat ze bij Dulcie in huis met het verzoek tijdelijk bij haar te mogen intrekken. Dulcie stemt toe. In het vervolg onderneemt ze haar spionagetochtjes samen met Viola. Ze komen onder meer een poosje in een ouderwets pension terecht, in de buurt van Aylwins moeder en broer, een enigszins in opspraak geraakte priester. Aylwin zelf laat na verloop van tijd begeerlijke blikken vallen op Laurel.

Pym doet met milde ironie en humor verslag van niet al te dramatische verwikkelingen, die een tamelijk onverwachtse afloop hebben. Nu ik het verhaal zo navertel, vind ik het geheel toch wel komisch. Maar tijdens het lezen was ik niet erg geboeid. Misschien ook omdat Aylwin Forbes — een zwak karakter met opportunistische, ijdele trekjes — werkelijk geen enkele eigenschap heeft die ik aantrekkelijk vind, en ik me daarom niet in Dulcies en Viola’s fascinatie voor hem kan inleven.

Ik wil nog een paar boeken van Barbara Pym lezen, want haar manier van schrijven en haar aandacht voor kenmerkende details staat me wel aan. En het lijkt me niet onmogelijk dat ik No Fond Return of Love beter kan waarderen als ik het over een tijdje nog een keer lees.

Barbara Pym: No Fond Return of Love. Introduced by Paul Binding. 2nd reprint. Virago 2009. 288 blz.
Voorzover ik weet bestaat er nog geen Nederlandse vertaling van deze roman.

Mannelijkheid

Onlangs werd ik gebeld door het blad voor oud-studenten van de universiteit waaraan ik verbonden ben met het verzoek iets te zeggen over een vroegere professor van mij die in het zonnetje zou worden gezet. Ik reageerde te snel en zei: ‘Waar wij allemaal van onder de indruk waren, was zijn mannelijkheid.’ Er klonk een stilte aan de andere kant en uiteindelijk zei de vrouwenstem: ‘Kunt u niet een ander woord bedenken?’” (Harvey Mansfield)

“In Woody Allens film Purple Rose of Cairo zit een schitterende scene. Mia Farrow speelt daarin een alleenstaande vrouw die de volmaakte man niet weet te vinden. De een is te kinderachtig, de ander te onbeschoft, de derde te roekeloos. Ze besluit daarop haar tijd te besteden aan het lezen van boeken en het kijken van films en roept op een gegeven moment: ‘Ik heb zojuist een fantastische man ontmoet. Hij is fictief, maar je kunt niet alles hebben.” (Stine Jensen)

“Ik wil benadrukken dat de Rechtgeaarde Man alles op aarde wil bestuderen – van beesten tot boten en beren – maar nooit zichzelf. Mannelijkheid of manhaftigheid zoals Professor Mansfield het graag noemt, is vaak het impliciete uitgangspunt van zijn onderzoek, maar niet het onderwerp ervan. ‘Je weet hoe het voelt’, zeggen ze dan, ‘you’ve been there too, wat valt er nou over te vertellen?’ Het antwoord luidt: alles. De grootste vraag van tegenwoordig is: was will der heterosexuelle Mann?” (Stephan Sanders)

Dit zijn fragmenten uit drie artikelen over mannelijkheid, te vinden in de e-krant Waterstof – Krant van Waterland, no. 31, februari 2008.
Wat me opviel is dat Harvey Mansfield het in zijn artikel aldoor over ‘gelijk’ en ‘gelijkheid’ heeft, maar dat het woord ‘gelijkwaardig’ geen enkele keer in zijn tekst voorkomt.

charlesdanagibsonusualfansandglov_2

Illustratie: “Ze zoeken zoals gewoonlijk nog even de waaiers en handschoenen bij elkaar”, door Charles Dana Gibson, 1898.

Kennelijk was het destijds een gebruikelijk ritueel dat de vrouwtjes hun parafernalia tijdens het diner lieten vallen en dat de mannetjes deze na afloop opraapten.

Vervolg Mannelijkheid

Land van werk en honing

ajaraiheemstraJe hebt het zo uit, dit mooie boekje over zes Marokkaanse moeders en hun dochters. De moeders zijn jaren geleden naar Nederland gekomen. Zij vertellen over hun jeugd in Marokko, meestal in een dorp in de bergen, een enkele keer in de grote stad. Sommigen woonden als jonggetrouwde vrouw in bij hun schoonfamilie in Marokko, terwijl hun man in Nederland werkte. Als het meezat zagen man en vrouw elkaar eens per jaar een paar weken, niet zelden zat er nog langere tijd tussen de bezoekjes. Vaak werden deze jonge vrouwen, meisjes soms nog, door hun schoonfamilie slecht behandeld; ze keken dan ook vol verlangen uit naar het moment dat hun man hen en de intussen geboren kinderen mee zou nemen naar Igarigh, het buitenland, dat hun paradijselijk toescheen met zijn elektriciteit, water, mooie huizen – een wereld waarin “alles het altijd deed”. Eenmaal in Nederland valt niet alles altijd mee. De moeders vertellen over hun soms goede maar soms ook erg moeilijke huwelijken, over eenzaamheid en heimwee, over vallen en opstaan in een vreemde wereld.

Na de moeders komen de dochters aan het woord. Hebben die het makkelijker gehad dan hun moeders? Dat is moeilijk te zeggen. Het is voor deze immigrantendochters vaak lastig laveren tussen de ongeschooldheid en opgeslotenheid thuis, de sociale controle van de Marokkaanse gemeenschap en het Nederlandse leven.

Het zijn stuk voor stuk boeiende verhalen. Wat ik las was niet allemaal nieuw, maar de verhalen zijn zo persoonlijk en spraken me zo aan dat ik het boek meteen wilde uitlezen. Uit de verhalen blijkt dat de Nederlanders zo’n twintig jaar geleden, toen de moeders hier arriveerden, over het algemeen wat hartelijker en onbevooroordeelder stonden tegenover immigranten dan nu helaas vaak het geval is. In de verhalen van de vrouwen herken ik patronen die vaker ontstaan tussen mensen en die helemaal niet uitsluitend met de Marokkaanse afkomst van de vrouwen te maken hebben. De soms beklemmende druk van familie. De haat en nijd. De vervreemding tussen ouders en kinderen. Het gevoel geïsoleerd te zijn wanneer je de taal van de samenleving om je heen niet of niet voldoende kent. Het is allemaal heel invoelbaar, of heel invoelbaar opgeschreven. De enige die ik een beetje moeilijk te begrijpen vind is Maryam, de dochter van Zoelikha. Maryam is in 1987 geboren en als klein kind met haar ouders naar Nederland verhuisd. Ze is negentien, goed opgeleid en geëmancipeerd – een groot verschil met haar moeder, die opgroeide in een dorp in het Rif-gebergte. Maar terwijl haar ouders hun geloof (islam) op een tamelijk pragmatische manier belijden, is Maryam sinds ze kind-af is veel orthodoxer geworden dan zij. Ze houdt zich vast aan alle regels van de islam inclusief gezichtsbedekkende sluier en verbod om mannen aan te raken, en ze probeert haar ouders te onderwijzen op punten waarin ze volgens haar te kort schieten. Kijk ik naar mijn eigen familie, dan zie ik dat het daar juist andersom ging en nog gaat, daar probeert de oudere generatie de jongere op het rechte godsdienstige pad te brengen. Nog niet zo lang geleden vroeg mijn oude, lieve tante Maartje mij of het waar was dat ik niet in God geloofde. Ja, dat was waar. Ze keek me afkeurend aan en zei dat ze niet begreep hoe ik zo kon leven en dat ze voor me zou blijven bidden. De jonge Maryam en mijn oude tante Maartje, ze bedoelen het allebei goed. Toch heb ik het gevoel dat ik mijn tante beter begrijp dan Maryam.

Hanina Ajarai en Marjolijn van Heemstra: Land van werk en honing. Verhalen van Marokkaanse moeders over hun migratie. Uitg. Bulaaq, Amsterdam, 2006. 175 blz.

Vervolg Land van werk en honing

Vakblad

Een jaar of wat geleden kreeg ik een erg interessant boek van deze blogster, die ik ken van deze club. Geweldig aardig van haar! Het is een complete ingebonden jaargang van Moeder uit het jaar 1946. In dat jaar bestond ikzelf nog niet – ik dateer uit de jaren vijftig – maar het is wel het jaar waarin mijn moeder voor het eerst moeder werd en ik herken er toch veel in uit mijn eigen opvoeding. Moeder was een ‘vakblad voor moeders’, in het colofon staat dat het ‘in normale tijden’ eens per maand verscheen; in de oorlogsjaren was de verschijning enige tijd onderbroken geweest. Ik zit vaak in het boek te bladeren. In 1946 waren de tijden nog schraal, wat je aan alles in dit blad kunt zien – de advertenties, de recepten, de handwerkbeschrijvingen, de praktische adviezen. Er was nog weinig te koop en het was een tijd waarin hergebruik en reparatie van materiaal aan de orde van de dag waren.

Zelfgebreid ondergoed was destijds heel gewoon. Ook ik weet nog dat één van mijn oma’s vrijwel altijd een broekje of een hemdje aan het breien was voor een van haar talrijke kleinkinderen. Bij ons thuis werden de hemdjes ‘borstrokken’ of ‘kamizooltjes’ genoemd. Het laatste woord – camisole – kwam ik tegen in bijgaande beschrijving van een charmant gebreid ‘onderstelletje’ uit Moeder:
onderstelletje

Mijn breirol M

24-25-26Het BreienMijn Breirol M schiet al op. Patronen nrs 24, 25 en 26 zagen er ingewikkeld uit, maar ze waren niet zo moeilijk om te breien. Deze patroontjes zijn leden van de uitgebreide families Moes en Blad, beschreven in Het breien (De vrouwelijke handwerken voor school en thuis, deel III), door A. Teunisse en A.M. van der Velden.


Volgens dat boek – ik heb een 4e druk uit 1896 – zijn de motiefjes zeer geschikt als decoratie van spreien, nachtzakken e.d., die uit afzonderlijke blokken kunnen worden samengesteld.

Hieronder twee voorbeelden van zulke blokken.
Een blok met moezen Blokken

Breien met Joe Speedboot

joespeedbootJoe Speedboot is een ontwikkelingsroman, een relaas van een vriendschap, een roman over opgroeien in een dorp aan een Hollandse rivier. Zo samengevat klinkt het weinig opzienbarend. Daarbij is het een echt jongensboek, een mannenboek. Over Joe, een wilde jongen die bommetjes maakt, een vliegtuig fabriceert, altijd in de weer is met machines en voertuigen, met voortbeweging. Over armworstelkampioenschappen in cafés in België en Polen. Over de rally Parijs-Dakar.
Hiermee wil ik niet zeggen dat Joe Speedboot geen dameslectuur is. Integendeel. Wij dames lezen graag over stoere mannen, of niet soms? En Tommy Wieringa heeft een sublieme stijl. Op iedere bladzijde staan juweeltjes van formuleringen en het verhaal is een strak geheel, met vaste hand opgebouwd. Hoofdthema is de vriendschap tussen Fransje, als elfjarige door een ongeluk invalide geraakt, en de wilde Joe Speedboot. Twee andere vrienden, Engel en Christof, blijven meer op de achtergrond. Deze vier jongens bewegen zich ieder in een eigen tempo rond een meisje, PJ. Oók een wilde, die PJ, trouwens. Een interessant karakter, zelfs al is ze beschreven met een typische en soms irritante mannenblik. Het perspectief van het verhaal ligt bij Fransje, Frans de Arm, de jongen in de rolstoel, armworstelkampioen, sterke zielepoot (ook iets wat dames aanspreekt, maar dit terzijde). Frans neemt waar en analyseert en hij doet dat verschrikkelijk goed. Onder andere observeert hij de moeder van Joe. Regina Ratzinger heet ze, ze is slechts een bijfiguur, maar wel een boeiende. Regina’s eerste man, Joe’s vader, verongelukt. Om wat te verdienen breit Regina truien voor de mensen. Haar tweede man haalt ze uit Egypte, een mooie zwarte lieve man die ze meeneemt naar haar Hollandse dorp. Ze is zo verliefd, dat de mensen het kunnen aflezen aan de fouten die ze in de patronen van haar truien breit. Regina is een sterke vrouw, maar de liefde verplettert haar en haar leven is een tragedie. Ik ging van haar houden. Ik zou graag willen lezen dat ze, eenmaal weer alleen, haar breiwerk weer ter hand neemt en haar leven uiteindelijk weer goed op de pennen krijgt. Helaas, dat gebeurt niet. In het boek blijft Regina op de achtergrond. Het wachten is nu op een volgend boek van Tommy Wieringa. Speciaal over Regina.
Zelf heb ik gisteren iets groen-blauws op kleine bamboepennetjes gezet.

Tommy Wieringa: Joe Speedboot. Uitg. De Bezige Bij, 2005.

De Gracieuse

gracieuseDe Gracieuse was een Nederlands handwerk- en modetijdschrift. Het verscheen van 1862 tot 1936 en richtte zich op een publiek van modebewuste dames. De vierenzeventig jaargangen van dat tijdschrift zijn helemaal digitaal toegankelijk gemaakt, inclusief patronen- en radeerbladen. Je kunt de digitale Gracieuse doorzoeken op jaar en trefwoord, en elke bladzijde die je maar wilt verschijnt op het scherm van je pc. Schitterend gewoon! Dit alles maakt deel uit van een grandioos project genaamd Het Geheugen van Nederland, een uitgebreide digitale collectie van illustraties, foto’s, teksten, films en audiofragmenten van Nederlandse bodem.
Op het plaatje hierboven is de ondertitel van het tijdschrift te lezen: Geïllustreerde Aglaja. Aglaja (Grieks voor ‘pracht’) was in de Griekse mythologie de jongste van de drie Charites of Gratiën. De Gratiën personifieerden de schoonheid, vruchtbaarheid, creativiteit en charme. Op sommige plaatsen werden ze door kunstenaars evenveel vereerd als de negen Muzen.

De Gracieuse was a Dutch handcraft- and fashion magazine published 1862-1936. Klick this link and you’ll find the seventy-four volumes of this magazine for fashion-minded ladies available in digital format, searchable on year of publication and on keyword. It is part of a great project called The Memory of The Netherlands, a large digital collection of illustrations, photographs, texts, movies and audiofragments from our country.

Archief

Subscribe to posts

  by     or  

Boeken — Bezig in:



Pas uitgelezen:





‘n Paar tientjes over?