Wat een intrigerende foto, niet? Dat vonden veel mensen.
De foto werd vorig jaar op Flickr geplaatst door het Smithsonian Institution, samen met andere foto’s van vrouwen in de wetenschap uit het archief van dat instituut. Het Smithsonian hoopte op die manier informatie te krijgen over sommigen van de gefotografeerde personen.
Het werkte. Een aantal bezoekers van de Flickr-site ging op zoek. Via hun reacties onder de foto is bekend geworden dat de geportretteerde Elizabeth Sabin heette. Ze werd geboren in 1902 en stierf in 1980. In de reacties zijn onder meer fotootjes geplaatst uit haar schooljaarboek (1920) en van de aankondiging van haar huwelijk met F. Goodwin in een krant (1924).
Ik heb de foto hier geplaatst in de categorie “Schrijven in Beeld”, maar dat is waarschijnlijk niet juist. Elizabeth Sabin Goodwin schijnt wetenschappelijk illustrator te zijn geweest; vermoedelijk zit ze hier te tekenen.
Nog pas gisteren vond ik onderstaand fragment op de DBNL-site, in jrg. 43 van het tijdschrift Tirade. Het komt uit een artikel van Guus Middag, getiteld “Het Van Geel alfabet”, een alfabetische bespreking van elementen uit de poëzie van Chris J. van Geel. Bij de letter T schreef Guus Middag het volgende:
Tesselschade – Arbeid Adelt
In Van Geels bundel Het zinrijk staat dit titelloze gedicht
Tel de sterren op de koekbus, koekbus die mijn lief liet staan, Arbeid Adelt – Tesselschade, naast kapsules levertraan.
Jarenlang heb ik me afgevraagd wat die derde regel te beduiden had, en wat de geheime bedoeling mocht zijn achter deze combinatie van de spreuk ‘Arbeid Adelt’ en de naam van Maria Tesselschade: socialisme en poëzie, hard werken en glasgraveerkunst, jaren dertig en zeventiende eeuw. En dat ook nog weer eens op een keukentafel (of in een keukenkastje of op een keukenplank), tussen een koekbus en kapsules.
Totdat ik in de loop van 1996 in de krant geattendeerd werd op het 125-jarig bestaan van een vereniging met die idiote combinatienaam, maar dan in omgekeerde volgorde: Tesselschade – Arbeid Adelt, kortweg ook wel taa. ‘Arbeid Adelt’ werd opgericht in 1871, ‘Tesselschade’ splitste zich een jaar later boos af, maar in 1953 kwamen ze weer samen. De vereniging telt thans 12.000 leden, verdeeld over 37 plaatselijke afdelingen. Zij beschikt over 8 (of 9) winkels, waar de produkten van ongeveer vijfhonderd anonieme thuiswerksters worden verkocht, voornamelijk borduur-, brei- en ander fijn handwerk.
Of de naam van de vereniging op de achtergebleven koekbus van Van Geels lief stond is dus nog wel even de vraag. In het maken en/of verfraaien van koekbussen is de vereniging bij mijn weten niet gespecialiseerd, maar het is altijd mogelijk dat een enkel lid zich er wel eens op heeft toegelegd. De naam zou ook op een verpakking, in een advertentie of anderszins hebben kunnen opduiken tussen koekbus en levertraan.
Intussen moet de figuur van Tesselschade Van Geel wel sympathiek zijn geweest, en ook haar naam, die zich metrisch keurig voegt naar het patroon van Arbeid Adelt – en ook naar de rest van het gedicht (allemaal trocheeën). Dat het hier om liefdesverdriet en gevoelens vanvan eenzaamheid en verlatenheid gaat, lijkt mij wel duidelijk. Het gedicht eindigt vast niet toevallig met het woord ‘traan’. Zij liet mij staan: dat gevoel wordt hier vervangen door de koekbus die zij liet staan. En vergat zij ook haar levertraancapsules? Of waren die nu juist van de dichter? En zag die nu, aldus, in zijn keuken-(kastje) het embleem van zijn verloren liefde? Zij en mij, bus en capsule, koek en levertraan, lekker en wrang, zoet en zuur?
De poëzierecensies in de NRC van Guus Middag lees ik altijd met plezier. Hij verrast me bijna altijd door zijn opmerkingsvermogen en hij schrijft heel toegankelijk. Maar wat de koekbus en de vereniging Tesselschade – Arbeid Adelt met elkaar te maken hebben, snapt hij evenmin als ik. Ik bezat ooit een beschuitbus met afbeeldingen van Hollandse motieven in kruissteek erop, maar die was van een beschuitfabriek, niet van Tesselschade. Wie weet heeft TAA ooit een koekblik met handwerkmotieven erop laten maken, ter gelegenheid van een jubileum of zoiets?
Op de oude website van de DBNL kon ik gisteren niet zo gauw vinden in welk nummer van Tirade het artikel van Middag was gepubliceerd, en ook niet in welk jaar. Op de nieuwe website heb ik die gegevens vandaag meteen gevonden: het was in nummer 379 van jrg. 43, verschenen in 1999.
Aanvulling 31 jan. 2010: In 1964 verscheen het Kookboek Tesselschade – Arbeid Adelt. Van Geels gedichten bundel Het zinrijk dateert van 1971. Misschien stond dat kookboek tussen de koekbus en de levertraancapsules in de keuken van Van Geel…
…met de e-readers. Lees hier -klik- over digitaal lezen op de mobiele telefoon met een oprolbaar scherm. De telefoon heeft altijd internetverbinding en de batterij is oplaadbaar met zonnecellen.
Onderstaande foto’s zijn gemaakt door Lewis Hine (1874-1940).
Van Lewis Hine stond al eens eerder een foto op mijn blog. Hij heeft honderden foto’s gemaakt om de kinderarbeid te documenteren. Veel van Hines foto’s (meer dan 5000) zijn online toegankelijk gemaakt via de website van de Library of Congress.
De bovenste twee foto’s zijn gemaakt in 1910 bij de kolenmijn Bessie in Dora, Alabama, USA. De jongen helemaal vooraan in het midden van de eerste foto, met een oliekan in de rechterhand, heette Shorpy. Ik “kende” Shorpy al via het fotoblog Shorpy.com, waarop vrijwel dagelijks historische foto’s uit de VS worden gepubliceerd.
Shorpy Higginbotham, a "greaser" on the tipple at Bessie Mine, of the Sloss-Sheffield Steel and Iron Co. Said he was 14 years old, but it is doubtful. Carries two heavy pails of grease, and is often in danger of being run over by the coal cars. Location: Bessie Mine, Alabama, December 1910, Lewis Hine.
Op de tweede foto zie je Shorpy van dichtbij. Volgens het bijschrift van Lewis Hine was hij smeerder in de mijn en naar eigen zeggen 14 jaar oud.
Ook de Amerikaanse schrijver/historicus Joe Banning leerde Shorpy kennen via Shorpy.com. Daarna maakte hij op zijn eigen website een speciale afdeling over Shorpy. Shorpy heette eigenlijk Henry Sharp Higginbotham. Hij werd op 23 november 1896 geboren. Hij vocht als soldaat in de Eerste Wereldoorlog. In 1927 is Shorpy getrouwd met Flora Belle Quinton. Het jaar daarop, in januari 1928, is hij omgekomen bij een mijnongeluk. In de zomer van datzelfde jaar is zijn zoon geboren.
In 2005 kreeg Manning het verzoek een meisje op een andere foto van Hine te identificeren en uit te zoeken wat er van haar geworden was. Wat hij tijdens zijn speurtocht te weten kwam raakte hem zozeer, dat hij besloot de persoonlijke geschiedenissen van meer kinderen op foto’s van Hine te gaan uitzoeken. De resultaten van zijn Lewis Hine Project zet Manning op zijn website; hij geeft ook presentaties op scholen en universiteiten, in musea en bibliotheken e.d.
Volgens Lewis Hines eigen informatie bij de foto van deze twee meisjes heette het oudste meisje Minnie Carpenter. Ze werkte in 1908 op de spinnerij van Loray Mill, een katoenfabriek, en verdiende daar 50 cent per dag (tien werkuren).
Joe Manning vond het adres van een nog levende neef van Minnie Carpenter. Hij stuurde hem een kopie van de foto toe. De man was er ontzettend blij mee: in het jongere kind had hij zijn moeder Mattie Carpenter herkend. Ze was een zusje van Minnie.
Dergelijke foto’s en geschiedenissen helpen me ervan bewust te blijven dat een groot deel van mijn welvaart en comfort is gebaseerd op de inspanningen van velen die vóór mij leefden en werkten. Niet alleen de inspanningen van de groten der aarde, de Lincolns, de Einsteins, de Nobelprijswinnaars. Maar ook en vooral die van vele onbekende, roemloos gestorven mensen die vaak in miserabele omstandigheden hun werk deden en hun levens volbrachten.
Natuurlijk wist ik dat slavernij zo oud is als de mensheid en dat er van de 16e t/m de 19e eeuw miljoenen zwarte Afrikanen als slaven naar de Nieuwe Wereld zijn getransporteerd en daar verhandeld zijn. Toch was ik geschokt toen ik advertenties zoals deze op mijn scherm te zien kreeg:
In de Verenigde Staten gold sinds 1834 een verbod op invoer van nieuwe slaven uit Afrika. Verkoop van in de VS geboren slaven was echter nog toegestaan tot 1863. In datzelfde jaar werd de slavernij ook door Nederland officieel afgeschaft.
Gevonden via Vintage Ad Browser, een zoekmachine die uiteraard niet alleen schokkende zaken zoals deze, maar vooral ook veel moois en vermakelijks oplevert.
So gheschiede dan wat ic nie gedocht:
och, ons hoppelken, och, het is vercocht!
Gae ic naer den stal, hebbic maer verdriet,
want mijn hoppelken sie en vindic niet.
Gae icdoor het velt, ben ic stil en loor*,
dat ict hoppelken niewers sie of hoor.
Twas die beste coe, welc ic ie* ghesach!
om mijn hoppelken groon* ic nacht en dach.
Vrolic wordic nie, nie ter werelt meer,
crijghict hoppelken, crijghic het niet weer! *loor=mismoedig ie=ooit groon=grien
De Week van de Geschiedenis is aangebroken. Tijd voor een paar bijzondere links.
Juffrouw Jo heeft een fantastische verzameling foto’s van en over het dagelijks leven in Nederland in (vooral) de jaren ’20-’50 van de twintigste eeuw.
Bij Shorpy staat een collectie foto’s gemaakt naar oude (glas-)negatieven, de meeste uit Amerika. Veel oude straatbeelden, auto’s, fabrieken, winkels en dergelijke, en indrukwekkend werk van bijvoorbeeld Lewis Wickes Hines (1874-1940), die veel kinderarbeiders heeft geportretteerd.
***Hieronder voor de gelegenheid een bijzonder plaatje uit het foto-archief van mijn familie. Mijn grootmoeder van moeders kant staat erop (staand, vierde van rechts). En twee van mijn oudooms en een oudtante. Genomen in het bollenpelseizoen, ca. 1900, waarschijnlijk door een rondreizend fotograaf.
Ik was al zo blij met wiki-projecten als Gutenberg, en (voor scandinavische literatuur) Runeberg, en met de DBNL. Maar internet maakt nog veel meer moois mogelijk. Onlangs heb ik Librivox ontdekt. De mensen achter Librivox (allemaal vrijwilligers) maken luisterboeken van allerlei literatuur uit het publieke domein en stellen die – gratis – ter beschikking via internet. Er zijn al heel wat klassiekers uit de wereldliteratuur ingesproken. Voor het overgrote deel in het Engels, maar Librivox staat ook open voor andere talen. Er zijn – mondjesmaat – ook al wat Nederlandse luisterboeken beschikbaar.
Afgelopen week heb ik me opgegeven als vrijwilliger, gisteren heb ik m’n eerste ingesproken bestand opgestuurd (het is ook al goedgekeurd!). Iedereen kan meedoen en Librivox verwelkomt suggesties m.b.t. op te nemen boeken en teksten. Hoofdvoorwaarde is dat er geen auteursrechten meer op de teksten rusten – dat betekent dat het om oudere teksten gaat, waarvan de auteurs/vertalers langer dan 70 jaar dood zijn. Wie zin heeft om mee te werken, heeft nodig: een computerprogramma om geluidsbestanden te maken (gratis te downloaden) en een microfoon. Ook is het handig als je wat Engels kent – een deel van de instructies is (nog) niet in het Nederlands beschikbaar.
Een al voltooid Librivox-project dat ik momenteel met veel plezier beluister, is de roman-in-brieven Lady Susan door Jane Austen, waarbij de verschillende personages uit de roman elk hun eigen inspreker/inspreekster hebben.
Een foto uit het boek In de Amsterdamsche Jodenbuurt (De Aarde en haar Volken, 1907). Het boek staat online bij Project Gutenberg. De foto’s zijn van K. Job Jr. De tekst is van Jan Feith.
Een van de eigenaardige eigenschappen van internet is dat het zaken uit een ver verleden zo dichtbij kan brengen. Bij toeval kwam ik gisteren terecht op een demo-site van de Koninklijke Bibliotheek met een trefwoordenregister waarop het woord ‘kweesten’ voorkwam. Dat woord heb ik al eens na veel wikken en wegen in een vertaling gebruikt (lees ook -klik- dit log) en daarom kon ik het niet laten eens te kijken wat de site over het kweesten te vertellen had. De demo bleek een schatkamer van allerlei oude boekwerkjes te zijn. Onder ‘kweesten’ vond ik er o.a. deze prent met bijbehorende tekst:
Een Queester, die syn Vrijster naakt vond Luisen soekenEen ervaren Queester begaf sich heimelijk des avonds binnen het huis van een soete Maagd om een queest, en hield sich soo lange achter een kast verborgen, tot dat sy het hembd bij de keers over ‘t hooft hat gehaalt, om na Leeven te soeken.
De Queester trad toe met een vriendelijke groetenisse en omhelsinge, en vraagde haar of de vangst goed was, dan of sij ook hulpe van noodenhadde; waar op die naakte Vrijster door alteratie eerst een hard woord sprak, doch schudde haastig het hembd aan, en ging met haren Queester in ‘t donker vierkante gat, daar hij de keers niet van noode had.
Grappig dat ‘Leeven’ hier gebruikt wordt om ongedierte mee aan te duiden. Prent en tekst zijn afkomstig uit een boek van “vrijheer” Jaques Dardanelli, verschenen in “Queestendam” in 1683. Het voorwoord van het boek luidt aldus:
-
Over het Queesten
De manieren van de Meisjes te vryen, syn zoo verschillende, dat men er een gantsch Werk van zoude konnen opstellen.
Binnen onze Landspaalen is ‘t dat men van onheugelijke tijden een wyse van vryen uitgevonden heeft, die in zeldzaamheid alle andere overtreft: het kweesten, een gantsch vreemde en by veele Natien ongehoorde maniere van Vrijagie en bijeenkomste van ongetrouwde Persoonen.
Het is een Bylegginge ofte onderkruipinge van eerlijke ongetrouwde Lieden, om bij malkander te volbrengen, ‘t geene jonge Lieden op andere plaatsen gewoon syn op stoelen of stoepen te doen.
Ik kan u verseeckeren, dat de volgende Vertellingen niet verzierd, maar waarachtig zyn.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties