De grote zaal van Jacoba van Velde gaat over een oude vrouw die opeens in een verpleeghuis terechtkomt en daar begint te beseffen dat ze er nooit meer uit zal komen. De vrouw is heel eenzaam. Ze heeft maar één dochter en die woont in Parijs. Die komt een tijdje naar Nederland om haar moeder te bezoeken en wat dingen te regelen, maar ja, haar eigen leven gaat ook door, dus ze moet op een gegeven moment weer terug naar Parijs. De moeder ligt daarna aldoor op post te wachten. En uiteindelijk gaat ze dood.
Dat lijkt me een somber verhaal. Wat heb je daar nu aan?
Ten eerste is het goed geschreven. De taal is eenvoudig, zorgvuldig, doet nergens geforceerd aan. Het perspectief van de vertelling ligt nu eens bij de moeder, dan weer bij de dochter. Dat is een simpele stijlgreep waardoor je als lezer beurtelings met die twee meeleeft. Via hun gedachten leer je ze allebei kennen. De dochter is veel zelfstandiger en misschien ook verstandiger dan haar moeder. De moeder heeft altijd weinig zelfvertrouwen gehad. In de loop van het verhaal ga je als lezer beseffen dat moeder en dochter ontzettend veel van elkaar houden. Dat is mooi.
Hm. Heb je een tissue voor me?
Het is helemaal geen sentimenteel boek. De dood is onvermijdelijk en sterven gaat niet altijd op een aangename manier. Dit boek laat zien dat in elk geval de innerlijke kant van het sterven ook iets moois kan hebben. Met die innerlijke kant bedoel ik de gevoelens van degene die sterft en degene(n) die blijven leven. In dit verhaal moeten moeder en dochter afscheid van elkaar nemen. Ondanks de menselijke tekortkomingen van hen beiden gebeurt dat op een goede manier. Ik vond dat leerzaam en ontroerend.
De uiterlijke omstandigheden van het sterven – in een verpleeghuis met nauwelijks enige privacy – zijn in dit verhaal verre van aangenaam. De verschillen tussen dit fictieve verpleeghuis uit 1953 en het verpleeghuis waar mijn eigen moeder in 2001 gestorven is, zijn echter niet eens zo groot. Ook in 2001 had mijn moeder geen eigen kamer. Ook in 2001 waren sommige medepatiënten beslist niet aardig voor anderen. Wat dat betreft is er weinig verschil tussen een schoolklas en een groep ouderen die een huiskamer delen in een verpleeghuis. In allebei kan er een pikorde zijn en wordt er gepest, geroddeld en genegeerd. Het verpleeghuis in het boek had tenminste nog het voordeel dat het heel kleinschalig was.
Ook dat aspect van het boek helpt bij het bepalen van je gedachten over het einde van het leven. Ik ben blij dat ik het gelezen heb.
Je bent er dus niet somber van geworden?
Absoluut niet. Een goed geschreven, aansprekend, klein boek over een onderwerp dat iedereen aangaat. Geef mij maar meer van zulke boeken.
De grote zaal van Jacoba van Velde uit 1953 is het boek van Nederland Leest 2010; op de website is informatie over de schrijfster te vinden. Van 22 oktober t/m 19 november kunnen leden van de openbare bibliotheek een gratis exemplaar van het boek krijgen.
Ik dacht dat Nothing to be frightened of een boek over doodgaan was. Dat is het óók wel, het gaat in elk geval deels ook over de laatste levensfase van de mens met de aftakeling die daar veelal bij hoort. Barnes bespreekt bijvoorbeeld ouderdom en sterven van zijn ouders, en hoe hij daar tegenaankeek en hoe zij zich eronder hielden. Maar sterven is niet het hoofdthema van het boek. Barnes’ belangrijkste onderwerp is niet doodgaan, maar dood zijn. De dood, dood zijn, is voor Barnes het grote Niets. De titel Nothing to be frightened of moeten we dan ook dubbelzinnig opvatten: de dood is niets om bang voor te zijn, maar ook het Niets, waar wij bang voor zijn.
Barnes zelf is inderdaad heel bang voor het Niets. In dit autobiografische boek gaat hij te rade bij allerlei mensen in heden en verleden, op zoek naar manieren om van die vrees af te komen of die te leren hanteren. Een voor de hand liggende manier is het geloof in God en in een hiernamaals. Een van de mensen die Barnes bevraagt, is zijn eigen broer. Die broer is filosoof en atheist, en hij maakt zich geen enkele illusie over een leven na de dood. Zijn leven zal eindigen met de dood en hij heeft daar op stoicijnse manier vrede mee.
Anders dan zijn broer weet Julian Barnes niet zeker of hij zichzelf atheist of agnost of nog iets anders wil noemen. Hij zegt: ’Ik geloof niet in God. Maar ik mis hem wel.’ Barnes wijdt een groot deel van zijn boek aan dit gevoel van gemis. Blijkbaar heeft het veel te maken met zijn angst voor het grote Niets. Hij zou zo graag willen dat er toch Iets was. Want waar moet de mens anders de zin van het leven vinden, als het waar is dat er na de dood Niets is? Barnes gaat op zoek naar iets om de lege plek te vullen, op zoek in de filosofie, in de literatuur, in de wetenschap en in de kunst. Zonder resultaat, uiteindelijk. Hij blijft een onrustige zoeker, troosteloos bij het vooruitzicht van het grote niets.
Barnes schrijft het allemaal mooi op, soms aangrijpend maar ook met voldoende humor. Wat hij over zijn ouders en over zijn opvoeding schrijft, is leuk en interessant om te lezen. Uit de gesprekken met zijn broer blijkt dat ze beiden heel verschillende herinneringen hebben. Wat wel en niet waar is, daar is niet meer achter te komen. De stukken van Barnes over hoe allerlei schrijvers, musici en andere kunstenaars zich verhielden tot de dood zijn fascinerend. Hij verdiept zich zelfs in de motieven van mensen die zich laten invriezen op hoop van leven na ontdooiing in de toekomst. Nothing to be frightened of geeft heel wat te denken en is daarbij ontzettend goed geschreven. Toch werd ik zo nu en dan een tikje ongeduldig van dit boek. Ik kan me wat betreft dood en religie namelijk goed identificeren met Julian Barnes’ broer; beter dan met Julian zelf. Er is geen God en ik mis hem ook niet. De dood is onvermijdelijk. En er is niets na de dood. De mens is stof en tot stof zal hij wederkeren. Een lijk raakt in ontbinding en wordt weer aarde. Ik vind het geen prettige gedachte dat die ontbinding langer duurt dan natuurlijk is, daarom zou ik persoonlijk liever in een kartonnen doos dan in een kist begraven willen worden. Maar dat is in feite een kwestie waarover mijn nabestaanden beter kunnen beslissen – eenmaal dood heb ikzelf nergens meer last of gemak van. Nee, het dood zijn jaagt me geen angst aan en het grote Niets van Barnes houdt me dan ook niet zo bezig. Doodgaan is iets heel anders. Sterven is afscheid nemen voor alle betrokkenen, voor de stervende zelf maar ook voor degenen die blijven leven. Dat is moeilijk. Ook daar heb ik net een boek over gelezen: De grote zaal, van Jacoba van Velde. Daarover, en wie weet ook over de zin van het leven, een volgende keer.
Do we create art in order to defeat, or at least defy, death? To transcend it, to put it in its place? You may take my body, you may take all the squidgy stuff inside my skull where lurks whatever lucidity and imagination I possess, but you cannot take away what I have done with them. Is that our subtext and our motivation? Most probably — though sub specie aeternitatis (or even the view of a millennium or two) it’s pretty daft. Those proud lines of Gautier’s I was once so attracted to — everything passes, except art in its robustness; kings die, but sovereign poetry lasts longer than bronze — now read as adolescent consolation. Tastes change; truths become clichés; whole art forms disappear. Even the greatest art’s triumph over death is risibly temporary. A novelist might hope for another generation of readers — two or three if lucky — which may feel like a scorning of death; but it’s really just scratching on the wall of the condemned cell. We do it to say: I was here too.
(blz. 200-201)
Julian Barnes: Nothing to be frightened of. 2008. 243 pp.
De Nederlandse vertaling heet Niets te vrezen en is verschenen bij uitg. Atlas, ook in 2008.
Toen ik een jongen was, leek het onmogelijk ooit het stadium van volwassenheid te betreden — volwassen-zijn was een mengsel van onbereikbare competenties en niet bepaald benijdenswaardige angsten (pensioenen, kunstgebitten, pedicures); en toch brak dat stadium aan, al gaf het van binnen een ander gevoel dan het van buitenaf leek. Een prestatie was het blijkbaar ook al niet om volwassen te zijn. Het voelde eerder aan als een samenzwering: ik doe net alsof jij volwassen bent, maar dan moet jij net doen alsof ik het ben.
When I was a boy, adulthood seemed an inaccessible condition – a mixture of unattainable competences and unenviable anxieties (pensions, dentures, chiropodists); and yet it arrived, though it did not feel from within how it looked from without. Nor did it seem like an achievement. Rather, it felt like a conspiracy: I’ll pretend that you’re grown up if you pretend that I am.
(Julian Barnes: Nothing to Be Frightened Of. 2008. Blz. 186. Het eerste hoofdstuk van dit boek is online te lezen op de New York Times website.)
Zelden heeft een film zoveel indruk op me gemaakt als Mar a dentro (Zee vanbinnen) uit 2004 van regisseur Alejandro Amenàbar. Het verhaal achter deze film is waar gebeurd. Ramón Sampedro, een levenslustige en sportieve jongeman, raakt na een duikongeluk geheel verlamd. Alleen zijn hoofd functioneert nog goed. Dertig jaar lang ligt hij op bed in een kamer in het huis van zijn broer, een boer in een dorp in Galicië. Al die tijd wordt hij verzorgd door zijn schoonzus. De film laat de laatste jaren van Ramóns leven zien, nadat hij heeft besloten dat het genoeg is geweest en dat hij op een waardige manier wil sterven, iets waarbij hij hoe dan ook hulp van anderen nodig zal hebben. Ramón voert een langdurige rechtszaak om toestemming te krijgen voor de dood die hij wenst, zonder dat degenen die hem eventueel bij zijn sterven zullen helpen (arts, advocaat, familie, vriendin) daardoor in moeilijkheden zullen komen. De dilemma’s rond zijn doodswens zijn indrukwekkend in beeld en onder woorden gebracht.
Ik denk dat iedereen met een beetje inlevingsvermogen Ramóns doodswens zal kunnen begrijpen. Maar aan euthanasie zitten nu eenmaal vele haken en ogen. (Oók in Nederland, al schijnen sommigen te vinden dat het hier allemaal veel te makkelijk gaat.)
In Mar a dentro zie je hoe moeilijk de mensen in Ramóns omgeving het hebben met zijn verzoek om hulp. Voor het gezin waar Ramón al die jaren deel van uitmaakt, is zijn doodswens iets verschrikkelijks. Niet omdat zij die wens niet kunnen begrijpen of accepteren, maar omdat zij zoveel van Ramón houden en hem niet willen missen. Iets dergelijks geldt ook voor Ramóns advocate en voor een vriendin die hem in zijn laatste periode bijstaat. Het is werkelijk geen gemakkelijke weg die zij afleggen. Mar a dentro laat de innerlijke strijd zien die zij voeren.
Hoe kortzichtig zijn toch de mensen die euthanasie “moord” noemen en die nog steeds spreken van “euthanasiasme” (een term die in een pamflet uit 1986 is gemunt door C.I. Dessaur/Andreas Burnier en C.J.C. Rutenfrans, tegenstanders van een wettelijke regeling voor euthanasie in Nederland).

Dit opmerkelijke vers, gedicht door een anonieme poëet, staat in Nederduitse en Latijnse keurdichten, By een verzamelt door de Liefhebberen der Oude Hollandse Vryheit (1710). Het boek is in zijn geheel te lezen op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
Wie de Bruno en Sara zijn van dit gedicht zijn is me nog niet duidelijk. Van der Dussen is de naam van een bekend historisch geslacht en rond 1700 was er een Bruno van der Dussen stadsbestuurder van Delft en Gouda. Die Bruno is voor zover ik kon nagaan in 1741 gestorven. Hij was sinds 1682 getrouwd met ene Maria Pancras. Zij overleed in 1740.
Het boek waarin ik dit grafschrift vond in aanmerking genomen, lijkt het me vrij zeker dat dit vers geen grafschrift maar een politiek getint hekeldicht is. Werd burgemeester Bruno er misschien toe verleid een (politieke) alliantie aan te gaan die sommigen onwelgevallig was, en leidde dit tot een nederlaag voor hem? Hebben zijn politieke tegenstanders hem erin geluisd? Wie of wat zou Sara vander Graaf zijn?
Vervolg Bruno en Sara (1)
‘Zlaap zacht, baaz, dat doe ik ook’ is de graftekst die de schrijver W.F. Hermans ooit voor zichzelf had bedacht. In een interview uit begin jaren negentig antwoordde Hermans op de vraag welk graf hij voor zichzelf zou wensen: ‘Een eenvoudig graf, op een schilderachtige plek, het kerkhof van Passy, achter het Palais de Chaillot. Het zou moeten bestaan uit een gepolijste rechthoekige plaat van donker stollingsgesteente, niets erop, behalve linksboven een bronzen beeldje op natuurlijke grootte van een opgerolde, slapende kat, met als onderschrift: Zlaap zacht, baaz, dat doe ik ook. De bijzondere schrijfwijze van ‘zlaap’ en ‘baaz’ verklaarde Hermans aldus: ‘Zoals je weet kunnen katten de s niet zeggen, wel de z.’
(Uit een artikel van 11 dec. 2001, verschenen op de website van Doodgewoon, een online magazine dat informeert en amuseert over zaken rond de dood.)
Vervolg Zlaap zacht
 Gedenkplaat voor Babak Hadjipour Kamperbinnenpoort, Amersfoort Allerzielen, 2007
Vervolg Babak
Op BBC History Magazine (klik) kunnen we een hele reeks merkwaardige grafschriften bekijken. Altijd goed voor enig peinzen. Onder een steen op Wendron Churchyard, bij Helston in Cornwall, liggen broederlijk bijeen de stoffelijke resten van Thomas Johns uit Porkellis, overleden op 28 januari 1861 op de leeftijd van 61 jaar, en Evaristo Muchovela, geboren in Mozambique, gestorven in Redruth op 19 februari 1868 op de leeftijd van 38 jaar. Onder aan de steen staat dit gedichtje:
Here lie the master and the slave
side by side within one grave,
distinction’s lost and caste is o’er,
the slave is now a slave no more.
Ik kan zelf bijdragen met een foto van een grafschrift dat mij vorig jaar in Dublin erg ontroerde. Het staat op een gedenksteen in Christ Church Cathedral.

“In a Vault near this Place Lie the Remains of RICHARD WOODWARD Mus:D:
Late Organist of this Church, Vicar Choral of St. Patrick’s Cathedral,
and Preceptor to the Children of the two Choirs
DUBLIN
His Love of Harmony equally refined his Taste,
and regulated his Heart, and,
While it gave Melody to his Voice and Compositions,
Added a Consonant Sweetness to his Temper and Conversation,
so that He lived Eminently Distinguished in his Publick Profession,
And died Universally Lamented for his Private Virtues,
Nov:22AD:1777 in the 34th year of his Age.
To the Memory of whose Filial Duty and Affection
his Afflicted Father dedicates this last sad Testimony
OF PARENTAL LOVE.”
|
|
Alledaags heldendom  ...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Bookgrrls Galerie: Klik op het plaatje 
Uit het Rijksmuseum: (Elke dag een ander kunstwerk. Klik rechtsonder op het plaatje voor info.)
Kophieps’ weblog bevat ook overgenomen berichten van mijn vroegere blogs Kophieps 1-2-3 (t/m 20 dec. 2009) en Bert Ajour (t/m 8 juli 2007).
En voorts ben ik van mening… dat er een eind moet komen aan de bio-industrie.
|
Recente reacties