Een copla (Spaans vierregelig vers) in vertaling van Hendrik de Vries:
Ik hoorde van een priester:
‘Jij bent rank als een anjelier.’
Ik zei: ‘Eerwaarde vader.
Dat staat zeker niet in ‘t brevier’…
Dit vers over een kennelijk immer actuele kwestie is te vinden in hoofdstuk V van: J.D.P. Warners, Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1947. (Nieuw in de DBNL.)
Hendrik de Vries vertelde over de copla (een zeer oude vorm van volkspoëzie) dat men zowel in Aragon als in Andalusië gewoon is eerst de tweede regel te zingen, daarna de gehele copla en tot slot òf de slotregel, òf een andere te herhalen.
Het pas verschenen Streekdrachtenboek bevat niet alleen een schat aan illustraties en informatie, maar ook een heleboel mooie oude benamingen van kledingstukken en accessoires die je niet in een woordenboek vindt. Het zullen wel typische streektaalwoorden zijn.
Deze woorden bijvoorbeeld:
Een apenbuisje is een vrouwenjakje dat begin twintigste eeuw nog werd gedragen in Nunspeet.
Een mensenpetje is een pet met meanderversieringen, specifiek voor de mannendracht van Walcheren, gedragen tot in de jaren veertig.
Waarom de kledingstukken zo werden genoemd, staat er helaas niet bij.
Een woord dat ik wel al kende, maar niet in Het Streekdrachtenboek vond, is zielewarmer. Ook zo’n leuk woord! Een ziele(n)warmer is volgens de Van Dale ‘een doek, vroeger door kinderen bij koud weer om de hals en onder de jas gedragen’. Ik stel me er zo’n omslagdoek bij voor, die om de schouders en kruiselings over de borst (de ‘ziel’) werd geslagen. Misschien werden de slippen nog achter de taille vastgemaakt met een speld. Binnenkort heb ik ook een plaatje van een zielewarmer. Die ben ik namelijk aan het breien.
Fijn, ik had nog een boekenbon! Bijgaande foto’s zijn afkomstig uit Het Streekdrachtenboek, een nieuwe uitgave van Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem en Waanders Uitgevers, Zwolle (€ 14,95). Een fijn kijkboek van ruim 400 blz. met foto’s – ook van details – op iedere pagina. Wat waren de streekdrachten toch kleurig! En verschillend! En onderhevig aan mode en veranderingen! En wat werd er veel gevouwen, geplooid, vermaakt en versteld! Ook meer recente ontwikkelingen krijgen aandacht in dit boek. En tot mijn vreugde staan er ook wat breiwerken in afgebeeld: visserstruien, polsmofjes, mutsen. En kousen!
Polsmofjes
Deze mofjes hebben ingebreide kraaltjes. Zo werden ze gedragen in bv. Huizen, Delden en Volendam.
..
Itse muts uit Marken, 19e eeuw
De wintermutsen waren dubbel, het gestreepte deel wordt naar binnen geslagen. Het motief is geïnspireerd door het Shetlandse breiwerk. De Markense vissers noemden een van de eilanden (H)itland, vandaar de naam Itse muts.
Maaierse kousen, Marken, ca. 1900
Dit werden maaierse kousen genoemd omdat ze niet op Marken zelf gebreid waren, maar daar werden verkocht door seizoenarbeiders uit Nijkerk die in de zomer op Marken het gras kwamen maaien. Ze werden gedragen op hoogtijdagen. Het donkere gedeelte is gebreid van samengetwijnde donkerblauwe en rode sajet.
—
Urker kousen, ca 1900
En kijk, hier is weer een fraai voorbeeld van kousen uit Urk! De foto is uit ca. 1900.
Vandaag viel hij in de bus: een Ariadne van april 1975 die ik via internet had gevonden en besteld. En het gezochte artikel van Constance Nieuwhoff over klederdrachten in Urk en Kampereiland stond erin, met een patroon van Urker koessen, waar ik al eerder over schreef. De koessen in de Ariadne zijn verrassend eigentijds, kijk maar: Bij deze foto geef ik graag een citaat van Wielent Harms, uit zijn artikel in het mooie boek Klederdracht en kleedgedrag: het kostuum Harer Majesteits onderdanen 1898-1998 (Uitg. SUN, Nijmegen, 1998):
“Het zijn juist de vernieuwingen die de dracht levend houden; een streekdracht waarin geen veranderingen meer worden aangebracht, is onherroepelijk ten dode opgeschreven.”
Het ajourpatroon van de maillot heet in de beschrijving van Ariadneeen ‘fantasiepatroon’. Het visgraat-en-slangmotief waarnaar ik op zoek was, is hier uitsluitend als een ajourbreisel terug te vinden. Mijn eigen “Urker” sokken (intussen klaar) zijn ook gebreid volgens een fantasiepatroon, maar ik heb de “slang” geïnterpreteerd als een kabeltje. Ze worden intussen met genoegen gedragen! Speciaal voor de foto ging de spijkerbroek even op hoog water:
Dit is mijn patroon: Beschrijving “Urker” sokken
Nodig: 100 gr. dunne sokkenwol, 5 sokkennaalden of 1 rondbreinaald, 1 kabelnaaldje.
Het visgraat-en-slangmotief brei je volgens onderstaand kabel-ajourpatroon. De hiel en teen kun je volgens je eigen sokkenpatroon breien. Ik heb het basis sokkenpatroon van Wolhalla gebruikt. Omdat het dunne wol is op dunne naalden, heb ik het Wolhalla-patroon voor maat 46/47 genomen (72 st). Voor de voetlengte heb ik gewoon de gegevens aangehouden voor de maat sokken die ik nodig had (maat 41).
Gebruikte steken:
-K4 = 2st. op kabelnld zetten, deze achter het werk houden, de vlg. 2st r breien,, daarna de 2 st op de kabelnld r breien.
-OmslR = draad voor de nld leggen (en volgende steek r insteken)
-OmslAV = draad voor de nld leggen en om de nld heenslaan (en volgende steek av insteken)
-Ovh = 1st. r afhalen, 1 st. r breien, de afgehaalde st. naar links over de gebreide steek halen.
-tricotsteek = alle st. r breien.
Zet 72 st op. I.v.m. het breien van het kabel-ajourpatroon is het handig om de steken zo te verdelen: 20 steken op nld 1 en 3, 16 steken op naald 2 en 4. Als je op een rondbreinaald volgens de Magic Loopmethode breit, verdeel je de steken gewoon in 2x 36.
Brei ca 4 cm boordsteek: 1 r, 1 av.
Kabel-ajourpatroon
Brei het kabel-ajourpatroon over 6 toeren:
Toer 1, 3: *1av, 1 OmslR, 1 Ovh, 1av, 4 r* (dit 11x herhalen)
Toer 2, 4, 6: *1av, 1Ovh, 1 OmslAV, 1av, 4 r* (dit 11x herhalen)
Toer 5: *1av, 1 OmslR, 1 Ovh, 1av, K4* (dit 11x herhalen)
Dit motief herhalen tot je aan de hiel begint. De hiel, de zool en de teen worden in tricotsteek gebreid. De bovenvoet houdt het kabel-ajourpatroon en krijgt 5 kabels en 4 ajours over 36 steken.
Insteken, omslaan, zó gaat het goed.
Insteken, omslaan, krek zo het moet.
Insteken, omslaan, met loflijk geduld,
Tot onze taak op de school was vervuld.
Mofjes en kapjes van Urker allooi,
Mutsjes en slabjes (wat stonden ze mooi).
Kousen, gewerkte, met visgraat en slang,
Droegen de mannen. Ze droegen ze lang!
Sieraad der Urkers! Verdwenen? Nog niet!
Schoon men ze zelden zó netjes meer ziet.
Op speurtocht naar Nederlandse breitradities stuitte ik op bovenstaande regels uit het gedicht “De Breister” door Mariap van Urk, dat te vinden is in het boek Urker ambachten en bedrijven uit 1955.
De mofjes en kapjes, mutsjes en slabjes laat ik even rusten, hoewel ze vast heel interessant zijn. Maar die kousen intrigeerden me! Met visgraat en slang! Sieraad der Urkers! Wat frivool!
De Urker breister op het fotootje boven is bezig aan een kous met ingebreide patroontjes en een lang kniestuk.
De Urker mannen droegen broeken op hoog water, zodat hun kousen goed zichtbaar waren. Op foto’s zijn de patroontjes echter niet zo duidelijk te zien.Ik heb lang gezocht naar een goede afbeelding (liefst met breipatroon erbij natuurlijk) van Urker mannenkousen.
Foto’s links en boven ontleend aan C. Nieuwhoff, Onze klederdrachten
Ten slotte heb ik het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen gebeld, en een van de medewerkers daar was zo vriendelijk me bijgaande foto te mailen van een paar gebreide zwarte Urker mannenkousen uit de museumcollectie:
Ik heb de foto wat grijzer gemaakt en – verrassing! daardoor werd opeens een kabelpatroon zichtbaar. Volgens de beschrijving van het museum is het ajourbreiwerk van zwarte sajet, een goedkope wol die door marskramers werd verkocht. Sajet was warm en sterk.
De Urker kousen konden ook blauw zijn. Het was heel gewoon om over een paar gladde kousen een extra paar met kantmotief te dragen. De zondagse kousen hadden een meer opengewerkt motief, de kousen voor het werk waren dichter gebreid.
Ik ben van m’n leven nog nooit in (of op) Urk geweest. Maar misschien gaat het er dit jaar van komen. Wie weet kan ik daar ergens van iemand een patroon krijgen, te gebruiken voor kousen of beenwarmers. Tot zolang brei ik vanuit m’n fantasie. Mijn eerste paar “Urker” sokken is in de maak. Met visgraat en slang!
Bronnen: Tj. de Haan, Onze volkskunst, 1979. H. van der Klift-Tellegen, Nederlandse visserstruien met breipatronen, 1983. C. Nieuwhoff, Onze klederdrachten, 1975. M. van Urk, Urker ambachten en bedrijven, 1955. De foto van de kousen is afkomstig van het Zuiderzeemuseum.
Update: Toen dit bericht op Bert Ajour stond, kreeg ik van deze blogster een leuke reactie: de Urker op de tweede foto in dit log was haar grootvader!
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties