Ooit heb ik met een groepje vertalers Zweeds-Nederlands een hele middag gewerkt aan de beginregels van Spegeln (De spiegel), een kort verhaal van Gunilla Linn Persson. Dit begon met de woorden “Laat me een verhaal vertellen…” en het was speciaal geschreven om voor de radio te worden voorgelezen. Het verhaal speelt zich af in het jaar 1907 en het gaat over twee eenzame eilandbewoners, een man en een vrouw, in een ruig kustlandschap waar het flink kan spoken. De vertelling heeft wel iets weg van een mondeling overgeleverde, klassieke legende over de zee.
Wij vertalers hadden alleen al aan de eerste halve bladzijde een hele kluif (verder zijn we helaas niet gekomen). Een kleine greep uit onze discussie:
Het verhaal gaat over ett sagans hav, “een sprookjeszee”. Maar zou “fabelzee” niet beter zijn? Of “een zee uit een sprookje”? Of… Het Zweedse woord saga heeft meer betekenissen dan “sprookje”, het betekent o.m. ook sage, verhaaltje (bv. voor het slapengaan), en schijn/fictie.
De verteller spreekt de luisteraar aan met du, wat te vergelijken is met het Engelse you. Maken we daar “u” van of “jij”?
Vertalen we de namen van de eilanden? De eilanden in het verhaal heten in het Zweeds Öglan (strik, lus) en Snaran (strik, strop).
Het pakkendste probleem echter vormden de Zweedse werkwoorden sama en skulla in de eerste zin: [..]det hav där det samar och skullar. In de eropvolgende alinea staat dat dit zonderlinge werkwoorden zijn, die allang niet meer in de dagelijkse omgangstaal worden gebruikt. Wij vertalers dachten eerst dat het fantasiewoorden waren. Maar nee. Via het grote online woordenboek van de Zweedse Academie kwamen we erachter dat sama een oud Zweeds dialectwoord is dat ongeveer de betekenis heeft van ‘ijs vormen’. Ook skulla is dialect; het betekent iets als ‘trillend aan de lucht verschijnen’, ‘opdoemen, oprijzen aan de horizon’, ‘zich als een luchtspiegeling vertonen’, bijvoorbeeld bij heiig weer.
Beide werkwoorden worden in de Zweedse tekst onpersoonlijk gebruikt, dus met ‘het’. Zoals je in het Nederlands ‘het regent’ kunt zeggen, kon men vroeger in sommige streken in Zweden det samar en det skullar zeggen, als de weersomstandigheden daar aanleiding toe gaven.
Photo: Pöllö CC AT-SA
Heeft het Nederlands wel woorden voor die specifieke verschijnselen veroorzaakt door het weer? We hebben het nagevraagd bij het KNMI, maar daar wisten ze ons niet wijzer te maken. Gelukkig brachtenHet juiste woord, het ouderwetse synoniemenwoordenboek van de Vlaming Dr. L. Brouwers, en de digitale versie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) uitkomst. Na een intensieve, associatieve speurtocht doemden daaruit twee werkwoorden op die aan bijna alle eisen voldeden: het waren allebei oude woorden die uit de omgangstaal verdwenen waren én ze hadden de juiste betekenis, nl:
storkelen (varianten o.a. “sturkelen”, “stelken”, “stelkeren”) betekent volgens het WNT “stollen, stremmen van water, vet enz.”; bijvoorbeeld in: “Het water is gesturkeld door den vorst”.
hevelen betekent “oprijzen” van dampen), of ook “opdoemen” (van iets wat uit een optrekkende damp tevoorschijn komt). Als voorbeelden geeft het WNT een dichtregel van Tollens “Daar hevelt Katwijks duin…” en een van Ter Haar: “Zo hevelt uit de stroomen… eens de kust”.
Okee, da’s opgelost, zou je denken. Alleen… deze woorden worden in de voorbeelden niet onpersoonlijk gebruikt. Mag de vertaler dat dan wel doen?
Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) zijn werkwoorden die een natuurgebeuren aanduiden altijd of vrijwel altijd onpersoonlijk. Sommige van deze werkwoorden kunnen ook persoonlijk worden gebruikt; neem bijvoorbeeld “waaien”. “Het waait” en “De bladeren waaien van de bomen” zijn allebei mogelijk. Over “hevelen” en “storkelen” rept de ANS niet. Maar als je “de zee waar het donkert en nevelt” kunt zeggen (van de werkwoorden “donkeren” en “nevelen”), kun je dan niet ook “de zee waar het storkelt en hevelt” zeggen? Wij vertalers vonden dat heel sprookjesachtig en poëtisch klinken. Dat de alliteratie van samar och skullar in de vertaling is weggevallen, wordt deels gecompenseerd door het ritme van de woorden.
Hieronder de uiteindelijke vertaling van ons fragment:
Laat me een verhaal vertellen van de zee, de zee waar het storkelt en hevelt. Een sprookjeszee, met andere woorden. U vraagt zich misschien af waar ik het over heb?
Het woord “storkelen” is allang uit de taal verdwenen. Het heeft de omgangstaal verlaten, is eruit weggeslopen, stil als het verschijnsel waarnaar het verwijst. Storkelen is wat het ijs doet als het een laag vormt. Het brengt het gestage ruisen van de zee tot zwijgen met een nagenoeg geluidloos geknister van miljarden ijskristallen. De kou zet de aanval in vanaf de arctische breedtegraden. Alles verstilt. Dan, opeens, begint het storkelen, dat golven en baren aan banden legt.
Wat gebeurt er als het “hevelt”? O, dat is wanneer eilanden op reis gaan. Ze trekken erop uit, gaan in zeestraten en vaarroutes liggen, spetteren een poosje rond alsof ze uitgelaten zeehonden zijn.
De wetenschap heeft natuurlijk een verstandige verklaring voor dit verschijnsel. Het is een kwestie van optisch bedrog. Eilanden kunnen niet reizen! Ze zitten vast aan het oergesteente! Maar wie ooit aan de grond is gelopen omdat er een heel nieuw eiland, een vreemd eiland, een bezoeker, midden in de kort tevoren nog bekende vaarroute is gaan liggen, die staat voor altijd sceptisch tegenover de optica.
Zo’n scepsis heerste er op Strik, een eiland in de scherenzee, de zee van het storkelen en hevelen, waar het volgende verhaal zich afspeelt.
Is dat niet spannend? Jammer dat we de rest van het verhaal niet hebben vertaald.
(Dit stuk is een bewerking van een artikel eerder verschenen in Nieuwsbrief Werkgroep Vertalers VvL, nr. 23, maart 2002)
Bedankt voor alle reacties op de vorige blogpost. Mooi dat Het ultieme recept op deze manier nieuwe lezers krijgt!
Er waren genoeg exemplaren voor iedereen die zich meldde. Degenen die ik het boek per post ga toesturen, hebben intussen allemaal een mailtje van me gehad met het verzoek me hun adres te laten weten. Ik probeer de boeken nog vóór het weekeinde op de post te doen.
En nu ga ik nog even met een glas buiten zitten niksen. Lekker .
Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Uitgeverij De Bezige Bij: de door mij vertaalde roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren, verschenen in 2005, werd nauwelijks meer verkocht. Daarom had de uitgeverij besloten de oplage voor het grootste deel te vernietigen. U leest het goed: vernietigen.
Waarschijnlijk hadden ramsjboekhandels er geen belangstelling voor of wilden die geld toe hebben, en vond de uitgeverij het onnodig om voor de opslag van de boeken te blijven betalen of om er wat marketing aan te besteden.
Hetzelfde is al eens eerder gebeurd met een vertaling van mij (Het ware leven, door Göran Tunström), bij dezelfde uitgeverij, dus ik was niet compleet overrompeld door de mededeling. Toch komt zoiets hard aan.
Het rare is dat zowel Lindgren als Tunström schrijvers uit de top van de Zweedse literatuur zijn en ik bezweer u dat ook de vertalingen goed zijn. Maar ja, het gaat hier niet om spannende Scandinavische misdaadromans – die gaan immers als warme broodjes over de toonbank. Torgny Lindgren is echter wel mijn favoriete moderne Zweedse schrijver. Ik vind zijn boeken geweldig.
Hoe dan ook, de uitgeverij bood aan me 50 exemplaren van Het ultieme recept gratis toe te zenden. Die zijn dus van de vernietiging gered! Ik heb er al een aantal uitgedeeld, maar heb er nog aardig wat over. Wie er één wil hebben, kan een reactie onder dit bericht zetten. Ikzelf vind de boeken van Torgny Lindgren zo goed, dat ik de portokosten er graag voor over heb om Het ultieme recept naar liefhebbers op te sturen. Maar om het niet te gek te maken zal ik niet meer dan 10 boeken in totaal per post versturen, dus bij grote belangstelling wordt het een loterij.
Eventueel (maar dan moet ik je wel een beetje kennen, in real life of via het internet) mag je het boek ook bij mij thuis afhalen. Wordt binnenkort vervolgd.
Klik hier voor een recensie van Het ultieme recept.
Klik hier voor informatie over schrijver Torgny Lindgren.
Eerdere Kophiepsberichten waarin Torgny Lindgren ter sprake is gekomen staan hier.
***Reageer vóór woensdag 21 juli, 10 uur vm. Daarna bekijk ik of er geloot moet worden.***
Voor een zomerse stemming: een ondeugend Zweeds liedje uit de 18e eeuw door Carl Michael Bellman (1740-1795). De vertaling hieronder is van mij en is ook in dit boek te vinden. Ik heb er een YouTube-clipje bij geplaatst met een sfeervolle Zweedstalige uitvoering door drie mannenstemmen.
In Keep The Aspidistra Flying uit 1936 van George Orwell weigert de hoofdpersoon, de jonge dichter Gordon Comstock, mee te doen aan de ratrace van de geldeconomie. Het gevolg – een chronisch geldtekort – gaat op bitter-komische manier zijn hele gedachtenleven beheersen en dat verpest de relatie met zijn geliefde Rosemary en zijn vriend Ravelston.
Het hele boek lang blijft het spannend of Gordon in zijn non-conformisme en armoede zal volharden. Ik vond het een heel leuk verhaal, alleen al vanwege het baantje dat Gordon heeft; het enige baantje dat niet in strijd is met zijn principes: hij werkt in een kleine boekhandel annex leesbibliotheek. De types die in de zaak komen! En de manier waarop Orwell ze beschrijft!
Leesbibliotheken. Wie kent ze nog uit eigen herinnering? Ik heb het idee dat ik vroeger weleens in zo’n zaakje ben geweest. Maar het is niet meer dan een vage herinnering. Bijgaand een plaatje van zo’n ouderwets boekwinkeltje/bibliotheekje, in Amsterdam op de Lange Niezel.
via www.prentbriefkaarten.info
En wisten jullie dat De Bijenkorf vroeger een leesbibliotheek had? Op de website Boekenmuseum vind je er informatie over (in de rubriek “Reclame”).
Een interessant verhaal staat op de website Gebr. E. & M. Cohen. Tabakshandelaar Ezechiël Godert Cohen verloor tijdens de Franse bezetting bijna al zijn bezit en liet bij zijn dood in 1813 zijn vrouw en kinderen berooid achter. Zijn zoon Godert ging werken bij een boekhandel om de kost voor het gezin te helpen verdienen. In 1824 besloten Godert en zijn moeder om tegen betaling boeken te gaan uitlenen uit de grote boekenverzameling die hun vader/echtgenoot had achtergelaten. De vakkennis die Govert in de boekhandel had opgedaan, kwam hem daarbij goed van pas. Godert bouwde zijn leesbibliotheek uit en opende op 6 Maart 1827 een commerciële leesbibliotheek aan de Ganzenheuvel in Nijmegen. Voor die tijd was het met 800 werken een omvangrijke bibliotheek. Men kon een gedrukte catalogus kopen voor 10 ct. Op de genoemde website staat: “Uit deze leesbibliotheek is, voor zover bekend, nog maar één exemplaar overgebleven, Victor Hugo’s Bug-Jargal uit 1835 met voorin nog het etiket van de leesbibliotheek met het boeknummer.” Het ging goed met het bedrijf; in 1836 was de collectie uitgebreid tot 3562 werken en in 1841 tot 5483 werken. Goderts zonen zetten de zaak voort. Het doel van hun bedrijf was intussen geworden “het houden van een magazijn van goedkoope boeken, het uitoefenen van den boekhandel, het koopen en verkoopen van fondsartikelen, restant-oplagen enz.”
In 1878 richtten de broers samen een uitgeverij op, Gebr. E. & M. Cohen. Die is tot 1941 blijven bestaan; in de tweede wereldoorlog werd het bedrijf lamgelegd. Na 1945 is de uitgeverij door een nichtje voortgezet, maar onder andere namen en ook algauw met andere firmanten.
De achterkleinzoon van een van de gebroeders Cohen heeft de website opgericht om de geschiedenis van de uitgeverij te vertellen. Ook verzamelt hij uitgaven van het bedrijf. Dat zijn er heel wat geweest. Er staat een aantal mooie afbeeldingen van covers op de site (links twee voorbeelden). De uitgeverij was o.a. bekend om haar uitgaven van Walter Scott, Dickens, Harriet Beecher-Stowe, Charles Darwin, Émile Zola en andere klassieken in vertaling. Ik heb even in de boekenkasten hier thuis gespeurd, maar helaas nog zonder resultaat.
—
Van Keep the aspidistra flying is in 1973 een goede Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Else Hoog. Nederlandse titel: Houd de sanseferia hoog. Tweedehands nog wel verkrijgbaar.
De hoofdpersoon in Orwells roman vindt de Aspidistra het absolute toppunt van verachtelijke burgerlijkheid. De keuze van de vertaalster om aspidistra te vertalen met sanseferia (sansevieria) vind ik een hele goede. De sanseferia is al minstens een halve eeuw een geweldig populaire kamerplant in Nederland en België. Ik kan me nog goed een filmpje van Van Kooten & De Bie herinneren, waarin deze heren op zoek gingen naar aanhangers van het Simplisties Verbond. Ze hadden vooraf laten weten dat mensen die sympathiseerden een sansevieria in hun vensterbank moesten zetten. En ja hoor, de camera passeerde het ene pand na het andere met sansevieria’s achter de ramen. Ik moet nog altijd aan dat filmpje denken wanneer ik ergens een sansevieria zie staan .
De Romeinse historicus Tacitus (ca. 55-120) schreef in een ultrabondige stijl en is ontzettend moeilijk te vertalen, begrijp ik. Er is net een vertaling verschenen van zijn Historiën, gemaakt door classicus Vincent Hunink. In de NRC-boekenbijlage van gisteren stond een interview van Pieter Steinz met de vertaler. Ik ben zelf geen classicus, maar ik vind het leuk om te lezen wat deze collega-vertaler over zijn werk vertelt. Hieronder enkele citaten uit Huninks antwoorden.
“Er wordt wel gezegd dat Tacitus moeilijker is dan Caesar. Om in het Latijn te lezen misschien, maar bij het omzetten in goed Nederlands maakt dat niet uit. Er bestaan geen makkelijke teksten om te vertalen. Iedere schrijver heeft zijn eigen stijl, die je zo goed mogelijk moet zien over te brengen.”
“Teksten uit de Oudheid moet je lezen in hun oorspronkelijke vorm, maar presenteren in de taal van nu, inclusief de hulpmiddelen die er in de handschriften niet bijstaan: interpunctie, alineascheidingen, tussenkopjes, een inleiding en een index. Het is een misverstand dat het omzetten van de ene taal in de andere altijd gepaard gaat met verlies; dat idee werpt een drempel voor de lezer op. Bij een vertaling maak je ook winst. Je kunt inspelen op het associatievermogen van de hedendaagse lezer; zo gebruik ik het beladen woord ‘bonussen’ voor de geldsommen waarmee keizers in spe de steun van de Romeinse soldaten kopen, en het in de Haagse politiek misbruikte woord ‘temporiseren’ in de context van laffe, besluiteloze politici. En je kunt misschien niet alle klankeffecten en alliteraties op dezelfde plaatsen handhaven, maar je kunt ze wel elders compenseren. Het gaat om het netto-effect.”
“Zoals Tacitus schreef, zo schreven Romeinen niet. Het is een kunsttaal, die heel ver aflag van het gesproken woord; hard als een laserstraal, zonder ruis. /…/ Je moet de vertaling dus zó in elkaar drukken dat het Tacitus wordt – wat in het Nederlands moeilijk is omdat je daarin zoveel kleine woordjes nodig hebt om een tekst leesbaar te houden.”
“Tacitus schreef een bijna experimenteel proza. Redacties van uitgeverijen houden daar niet van; ze hebben de neiging het Nederlands te normaliseren. Ik heb dus wel compromissen moeten sluiten. Als het aan mij lag, was er nog heel wat uitgegaan – lidwoorden, voegwoorden, bijwoorden. Neem een zinnetje als ‘De senaat, het volk, je kende ze niet meer terug’, waarmee het hoofdstuk over de chaos na de moord op Galba begint. Eigenlijk had dat ‘Senaat, volk, niet meer terug te kennen’ moeten zijn; maar tegen dat soort bondigheid maakte de uitgeverij bezwaar.”
Tacitus: Historiën (Historiae). Vertaling Vincent Hunink. Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010. 308 blz.
Van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932).
Hjalmar Söderberg (1869-1941)
Maria von Platen (1871-1959)
Mijn tweede leesketting heeft als thema: de positie van de vrouw rond 1900. (Lees hier over mijn eerste leesketting.) Dat komt zo. Al vele jaren is de Zweed Hjalmar Söderberg (1869-1941) een favoriete schrijver van me. Hij schrijft zo mooi, en met zoveel verstand en subtiele mensenkennis en betrokkenheid bij de wereld. Daarbij spelen zijn romans en verhalen zich vrijwel allemaal af in mijn lievelingsstad Stockholm. Ik ben er heel trots op dat ik twee romans van Söderberg heb vertaald: Het ernstige spel, verschenen in 2003 en Dokter Glas, verschenen in 2004, allebei bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. (Van Dokter Glas was in de jaren zeventig al eens een vertaling verschenen – maar de mijne is beter ). Söderberg heeft zich bij het schrijven laten inspireren door een vrouw die een aantal jaren zijn grote liefde was. Zij heette Maria von Platen. Ze kwam uit een adellijke Zuid-Zweedse familie en was nog voor haar twintigste uitgehuwelijkt aan een veel oudere man. Maria von Platen was ongelukkig in haar huwelijk en verliet na enkele jaren haar echtgenoot en haar zoontje om zelfstandig in Stockholm te gaan wonen. Ze scheidde niet, ze ging niet werken – voor een jonge vrouw uit haar kringen was het destijds (rond 1900) onfatsoenlijk om een baan te hebben – en voor haar levensonderhoud was ze afhankelijk van haar ouders en andere familie. Breed had ze het in elk geval niet. In Stockholm kreeg Maria een verhouding met de schrijver Söderberg, en later ook nog met anderen uit literair-culturele kringen.
De affaire tussen Hjalmar Söderberg en Maria von Platen was een knipperlichtrelatie. Söderberg was ook getrouwd en had een gezin; zijn vrouw was psychisch labiel en hij vond niet dat hij zich van haar kon losmaken. Soms zagen Hjalmar en Maria elkaar maanden niet. Na herhaaldelijke conflicten, veroorzaakt doordat Maria affaires met andere mannen had, kwam er een einde aan hun verhouding.
Söderberg heeft deze vrouw, die hij diep en bitter had liefgehad, literair gestalte gegeven in verschillende personages van zijn romans en toneelstukken, ook nog toen de relatie met Maria al jaren uit was. Zowel in Dokter Glas als in Het ernstige spelis de vrouwelijke hoofdpersoon getrouwd met een veel oudere man, van wie zij zich wil losmaken. In Dokter Glas wordt de jonge vrouw nogal geïdealiseerd beschreven; in Het ernstige spelkrijgt zij veel meer het negatieve stempel van een een mannenverleidster. Ook in de hoofdpersoon van Söderbergs toneelstuk Gertruduit 1906, dat ook in Nederland nog altijd met enige regelmaat wordt opgevoerd, zijn duidelijke trekken te herkennen van de vrouw die van ongeveer 1900 tot 1906 Söderbergs geliefde en muze is geweest.
Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de manier waarop Söderberg morele kwesties aankaartte, de moraal van de samenleving bekritiseerde, en liet zien dat naar zijn mening mannen en vrouwen een heel verschillende kijk op de liefde/het huwelijk hebben. Neem nou Het ernstige spel. Opvallend in de literatuurkritiek over dat boek (de Zweedse uitgave verscheen in 1912) is dat veel (heren) recensenten de vrouwelijke hoofdpersoon zonder meer als fatale vrouw afserveerden, terwijl ze nauwelijks kritiek hadden op de mannelijke hoofdpersoon. Toch leeft die – hij heet Arvid - wat liefde en huwelijk betreft minstens even immoreel als Lydia; je kunt hem nauwelijks een sympathieke romanheld noemen. Ik ben altijd benieuwd geweest naar het personage Lydia en naar háár kijk op de zaak. Het lastige maar ook interessante is dat door het vertelperspectief van Het ernstige spelLydia zelf nauwelijks aan bod komt – de lezer wordt meegenomen in de gedachtenwereld van Arvid; het boek is vrijwel geheel geschreven vanuit het perspectief van Arvid. Wie zorgvuldig leest, moet echter tot de conclusie komen dat Arvid een personage is met sterke vooroordelen jegens vrouwen. Ik geloof dat Söderberg door vanuit Arvids perspectief te schrijven de man (indirect) bekritiseert, wat een mildere interpretatie van Lydia mogelijk maakt.
We mogen natuurlijk geen “is-gelijk-teken” zetten tussen de fictieve wereld van de romans en de werkelijkheid van Hjalmar Söderberg en Maria von Platen. De échte Maria, de vrouw achter de romanpersonages, heeft me wel altijd geïntrigeerd; zij leek mij een bijzonder, boeiend mens. Nu kreeg ik een paar maanden geleden een biografie van Maria von Platen in handen, geschreven door Kurt Mälarstedt en uitgegeven in 2006. Die biografie is uitgangspunt geworden van mijn tweede leesketting. Al het bovenstaande is dus eigenlijk alleen maar een inleiding.
Het grappige is nu dat fictie en werkelijkheid voor mij toch een beetje met elkaar vermengd bleken te zijn geraakt. Want de vrouw wier leven in de biografie werd beschreven, stelde me eigenlijk een beetje teleur, terwijl de fictieve dames zo boeiend waren! Nu is/was er maar weinig bekend over Maria von Platen. Zij heeft er haar leven lang voor gezorgd niet in de publiciteit te komen. Vrijwel al haar correspondentie vernietigde ze meteen. Hjalmar Söderberg is trouwens ook altijd discreet over haar geweest. (Niettemin herkende ze natuurlijk trekken van zichzelf in zijn fictieve personages en daar is ze destijds heel boos over geweest.) Kurt Mälarstedt lijkt zijn uiterste best te hebben gedaan om gegevens over Maria von Platen te verzamelen en hij vertelt ook het een en ander over haar familie, haar zoon, over haar verhoudingen met andere mannen (o.a. de literator en filosoof John Landquist), over haar vegetarisme en haar feminisme. Hij laat zien hoe ze probeerde zich diverse artistieke vaardigheden eigen te maken, in de hoop daarmee wat geld te kunnen verdienen. Dat lukte haar niet. Mälarstedt voert daar diverse excuses voor aan, maar ik krijg de indruk dat ze eigenlijk gewoon niet genoeg artistiek talent had. Ze verhuisde op een gegeven moment naar een provinciestad en leefde daar teruggetrokken tot aan haar dood. Dat was het dan. Een interessante vrouw, dat wel, maar niet zo interessant als ik – gevoed door Söderbergs fictie – had gedacht.
Na lezing van de biografie bleef ik over enkele vragen nadenken. Bijvoorbeeld: waarom scheidde Maria von Platen niet van haar eerste man? En waarom liet zij haar zoontje bij die man achter, toen ze naar Stockholm vertrok? Was het liefdeloosheid, of wilde haar man het zo? Had het iets te maken hebben met haar positie als vrouw? Daar wilde ik graag nog het een en ander over lezen. Daarover in een volgend logje.
Hjalmar Söderberg: Dokter Glas. Vertaald door Bertie van der Meij. Uitg. Wereldbibliotheek, 1e druk 2004, 2e druk 2009. 175 blz.
Hjalmar Söderberg: Het ernstige spel. Vertaald door Bertie van der Meij. Uitg. Wereldbibliotheek, 2003. 220 blz.
Kurt Mälarstedt: Ett liv på egna villkor – om Maria von Platen. Stockholm, Wahlström & Widstrand, 2006. 231 blz.
Een copla (Spaans vierregelig vers) in vertaling van Hendrik de Vries:
Ik hoorde van een priester:
‘Jij bent rank als een anjelier.’
Ik zei: ‘Eerwaarde vader.
Dat staat zeker niet in ‘t brevier’…
Dit vers over een kennelijk immer actuele kwestie is te vinden in hoofdstuk V van: J.D.P. Warners, Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance. J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1947. (Nieuw in de DBNL.)
Hendrik de Vries vertelde over de copla (een zeer oude vorm van volkspoëzie) dat men zowel in Aragon als in Andalusië gewoon is eerst de tweede regel te zingen, daarna de gehele copla en tot slot òf de slotregel, òf een andere te herhalen.
Kop hieps! of Kophieps! Wat betekent dat eigenlijk?
Hieronder volgen wat vertalingen.
Afrikaans:Komaan! — Arabisch:[daana nathhab!] دعنا نذهب — Baskisch:Jo ta fuego! — Chinees:加油 [jiā yóu!] — Bulgaars:Горе главата! [Gore glavata!] — Deens:Op med humøret! — Duits:Du schaffst ‘s! — Engels:Cheer-up! — Estlands: Ära muretse! — Esperanto:Kuraĝon! — Fins:Yritä, yritä! — Frans:On y va! — Gaelic:Feuch e! — Haïtiaans Creools: W ka fè sa! — Latijn:Id facere potes! — Lets:Pasmaidi! — Limburgs:Blieve doorgaon! — Luxemburgs: Du kanns dat! — Litouws:Nenuleisk rankų! — Maleis:Anda boleh lakukannya! — Neder-Saksisch: Laat den Kopp ne hangen! — Noors:Bare gå på! — Papiamento:Si bo por! — Pools:Dasz radę! — Portugees:Tu consegues! — Roemeens:Capul sus! — Russisch:Не падай духом! [Ne padai dukhom!] — Spaans:¡Sigue así! — Tsjechisch:Vydrž! — Zweeds:Upp med hakan!
Dit en nog veel meer is te vinden in de Unilang Wiki (zie Translation Collection “Words of Encouragement“). Het Nederlandse “kop hieps” staat er niet in. Maar wat het betekent is nu wel duidelijk, toch?
Om de zingbaarheid van de gedichten van Ida Gerhardt zo groot mogelijk te maken, zijn deze in het Duits vertaald.
Bovenstaande zin staat in de informatietekst bij de muziekvoorstelling Kwam een vogel gevlogen…: verhalen over vogels in nieuwe composities van Bart Visman en David Dramm, in gedichten van Ida Gerhardt, en in prozateksten van Cherry Duyns. De voorstelling is bedoeld als “een lofrede maar vooral een lofzang op vogels die in alle tijden en in alle culturen zo bezield tot de verbeelding van mensen hebben gesproken”. In april a.s. is de voorstelling nog bij te wonen in Rotterdam, Enschede en Utrecht.
Een paar weken geleden las ik een interview met componist Bart Visman; een artikel dat ik helaas niet meer kan terugvinden. Stond het misschien in de VPRO-Gids? Enfin. Er stond in dat Visman bij Gerhardts vogelgedichten muziek wilde componeren volgens de Duitse liederentraditie (denk bijvoorbeeld aan Schubert), en dat de Nederlandse taal ongeschikt is om dergelijke liederen in te zingen. Daarom had hij de gedichten van Gerhardt in het Duits laten vertalen en was met die Duitse teksten vervolgens aan het componeren gegaan. Als gevolg daarvan zitten wij straks in Nederlandse muziektheaters te luisteren naar muziek van een Nederlandse componist bij poëzie van een Nederlandse dichteres – maar de teksten zijn Duits.
Visman noemde nog een tweede voorbeeld van Nederlandstalige poëzie die niet op muziek gezet zou kunnen worden: de sonnetten van Jacques Perk. U weet wel, die dichter van “Ik ben geboren uit zonnegloren / En een zucht van de ziedende zee”, regels uit een van de liefdessonnetten die Perk schreef voor zijn geliefde Joanna C. Blancke. Volgens Visman práchtige gedichten, dat wel. Maar de solist die uit volle borst “O Joanna!” door de concertzaal zou laten klinken, zou zich belachelijk maken, volgens Visman. Zoiets zou je volgens hem alleen maar in Italiaanse opera’s kunnen zingen.
Eén ding weet ik nu al. Als deze componist meent wat hij zegt, heeft hij, ten eerste, geen benul van de muzikaliteit in de gedichten van Ida Gerhardt (de oorspronkelijke gedichten, niet de vertalingen), iets waarmee hij haar werk zeer tekort doet. Ten tweede onderschat hij de muzikale mogelijkheden van de Nederlandse taal. Ten derde doet hij ook Jacques Perk ernstig tekort door te menen dat diens sonnetten niet in een opera-uitvoering zouden passen. Neem nu die ziedende zee, die zou het juist prachtig doen in een opera! O Joanna! Ik hoor de branding bruisen! Het god’lijk leven gloeit in mijn gemoed! Er is geen enkele reden waarom dat wel in het Italiaans zou kunnen en niet in het Nederlands.
Gerhardts gedichten en de Duitse vertalingen zijn hier (klik) te lezen. Daar staat ook dat Visman zijn liedcomposities werkelijk op de Duitse teksten heeft gebaseerd. Ik heb de teksten nog niet grondig bestudeerd, maar ik kan zo al zien dat de Duitse en de oorspronkelijke teksten niet zonder meer met dezelfde muziek te gebruiken zijn. Dit vind ik een stap achteruit voor de Nederlandse liedcultuur. Heel, heel jammer voor de poëzie van Gerhardt. Heel, heel jammer voor de ontwikkeling van de Nederlandse muziek.
Ida Gerhardt (1905-1997)
De aanstoot door Ida Gerhardt
Hamer, kleine bonte specht;
stoot uw snavel op de stammen.
In dit bos van molm en zwammen
klinkt uw hard geluid oprecht.
Hamer in het gistend woud –
In mijn hart en in mijn oren
dringt uw tikken en uw boren.
Hamer op het harde hout.
Hamer, kleine bonte specht;
straks — zij zullen God wel danken! –
timmert men voor mij zes planken.
Dan is alle twist beslecht.
...for the growing good of the world is partly dependent on unhistoric acts; and that things are not so ill with you and me as they might have been, is half owing to the number who lived faithfully a hidden life, and rest in unvisited tombs. (George Eliot)
Recente reacties