Leesbibliotheek

In Keep The Aspidistra Flying uit 1936 van George Orwell weigert de hoofdpersoon, de jonge dichter Gordon Comstock, mee te doen aan de ratrace van de geldeconomie. Het gevolg – een chronisch geldtekort – gaat op bitter-komische manier zijn hele gedachtenleven beheersen en dat verpest de relatie met zijn geliefde Rosemary en zijn vriend Ravelston.

Het hele boek lang blijft het spannend of Gordon in zijn non-conformisme en armoede zal volharden. Ik vond het een heel leuk verhaal, alleen al vanwege het baantje dat Gordon heeft; het enige baantje dat niet in strijd is met zijn principes: hij werkt in een kleine boekhandel annex leesbibliotheek. De types die in de zaak komen! En de manier waarop Orwell ze beschrijft!

Leesbibliotheken. Wie kent ze nog uit eigen herinnering? Ik heb het idee dat ik vroeger weleens in zo’n zaakje ben geweest. Maar het is niet meer dan een vage herinnering. Bijgaand een plaatje van zo’n ouderwets boekwinkeltje/bibliotheekje, in Amsterdam op de Lange Niezel.

via www.prentbriefkaarten.info

En wisten jullie dat De Bijenkorf vroeger een leesbibliotheek had? Op de website Boekenmuseum vind je er informatie over (in de rubriek “Reclame”).

Een interessant verhaal staat op de website Gebr. E. & M. Cohen. Tabakshandelaar Ezechiël Godert Cohen verloor tijdens de Franse bezetting bijna al zijn bezit en liet bij zijn dood in 1813 zijn vrouw en kinderen berooid achter. Zijn zoon Godert ging werken bij een boekhandel om de kost voor het gezin te helpen verdienen. In 1824 besloten Godert en zijn moeder om tegen betaling boeken te gaan uitlenen uit de grote boekenverzameling die hun vader/echtgenoot had achtergelaten. De vakkennis die Govert in de boekhandel had opgedaan, kwam hem daarbij goed van pas. Godert bouwde zijn leesbibliotheek uit en opende op 6 Maart 1827 een commerciële leesbibliotheek aan de Ganzenheuvel in Nijmegen. Voor die tijd was het met 800 werken een omvangrijke bibliotheek. Men kon een gedrukte catalogus kopen voor 10 ct. Op de genoemde website staat: “Uit deze leesbibliotheek is, voor zover bekend, nog maar één exemplaar overgebleven, Victor Hugo’s Bug-Jargal uit 1835 met voorin nog het etiket van de leesbibliotheek met het boeknummer.” Het ging goed met het bedrijf; in 1836 was de collectie uitgebreid tot 3562 werken en in 1841 tot 5483 werken. Goderts zonen zetten de zaak voort. Het doel van hun bedrijf was intussen geworden “het houden van een magazijn van goedkoope boeken, het uitoefenen van den boekhandel, het koopen en verkoopen van fondsartikelen, restant-oplagen enz.”

In 1878 richtten de broers samen een uitgeverij op, Gebr. E. & M. Cohen. Die is tot 1941 blijven bestaan; in de tweede wereldoorlog werd het bedrijf lamgelegd. Na 1945 is de uitgeverij door een nichtje voortgezet, maar onder andere namen en ook algauw met andere firmanten.

De achterkleinzoon van een van de gebroeders Cohen heeft de website opgericht om de geschiedenis van de uitgeverij te vertellen. Ook verzamelt hij uitgaven van het bedrijf. Dat zijn er heel wat geweest. Er staat een aantal mooie afbeeldingen van covers op de site (links twee voorbeelden). De uitgeverij was o.a. bekend om haar uitgaven van Walter Scott, Dickens, Harriet Beecher-Stowe, Charles Darwin, Émile Zola en andere klassieken in vertaling. Ik heb even in de boekenkasten hier thuis gespeurd, maar helaas nog zonder resultaat.

Van Keep the aspidistra flying is in 1973 een goede Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Else Hoog. Nederlandse titel: Houd de sanseferia hoog. Tweedehands nog wel verkrijgbaar.

De hoofdpersoon in Orwells roman vindt de Aspidistra het absolute toppunt van verachtelijke burgerlijkheid. De keuze van de vertaalster om aspidistra te vertalen met sanseferia (sansevieria) vind ik een hele goede. De sanseferia is al minstens een halve eeuw een geweldig populaire kamerplant in Nederland en België. Ik kan me nog goed een filmpje van Van Kooten & De Bie herinneren, waarin deze heren op zoek gingen naar aanhangers van het Simplisties Verbond. Ze hadden vooraf laten weten dat mensen die sympathiseerden een sansevieria in hun vensterbank moesten zetten. En ja hoor, de camera passeerde het ene pand na het andere met sansevieria’s achter de ramen. Ik moet nog altijd aan dat filmpje denken wanneer ik ergens een sansevieria zie staan :-) .

In betrekking (Kettinglezen 4)

Wat heeft een mens in zijn lange leven toch veel herinneringen waar je met niemand over kunt en wilt spreken, maar die toch om een onnaspeurlijke reden onvergetelijk zijn!

Bovenstaand citaat komt uit In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd, door Maria van der Ent (1900-1991). Maria van der Ent was de oudste in een gezin met dertien kinderen. Ze kwam met goede cijfers van school, maar doorleren zat er voor haar niet in. Maria werkte vanaf haar twaalfde jaar dertien jaar lang als dienstmeisje in verschillende Rotterdamse families. In 1925 trouwde ze en begon ze haar eigen huishouden. Tegen haar eigen kinderen sprak ze nooit over haar vroegere nederige bestaan als dienstmeisje. Toen een van haar zonen er haar in 1970 naar vroeg, besloot ze haar herinneringen op schrift te stellen. In 1972 overhandigde ze haar zoon een multomap met 400 volgeschreven bladzijden. Die zijn in 2007 in boekvorm gepubliceerd, en het is een boeiend boek geworden. Ik vond de eerste hoofdstukken, “Vader en moeder” en “Het straatleven in Rotterdam” al meteen hartveroverend.

Door mijn huidige leesthema (zie Kettinglezen 2 en 3) was ik benieuwd of ik in de aantekeningen van Van der Ent, die de jaren 1912-1925 bestrijken, iets over de vrouwenbeweging zou vinden – de schrijfster zal toch zeker iets hebben gemerkt van bijvoorbeeld de kiesrechthervormingen in die tijd. Van der Ent schrijft daar echter niet direct iets over. Maar ze leerde wel om strijdbaar te zijn. Dat was dan ook hard nodig. In haar eerste dienstje verdiende ze 75 ct per week voor hele dagen en zondags een halve dag werken. Toen ze een keer een kopje brak, hield haar “mevrouw” negenenhalve cent in van haar weekloon. Voor Maria was dat aanleiding om nooit meer terug te gaan naar deze mevrouw. In haar tweede dienstje was ze meisje voor halve dagen. Dat baantje verliet ze om een paar weken seizoenarbeid te gaan doen.

Op een keer hoorde ik dat je met aardbeien plukken f 1,- per dag kon verdienen. Ik wist dat ze het thuis goed konden gebruiken, en ik zegde mijn betrekking op. ‘Maar kind,’ zei mevrouw geschrokken, ‘daar ben je toch niet geschikt voor, dat is niets voor jou!’ Nou, dacht ik, aardbeien plukken is vast niet zo zwaar als de grote was doen. En ik ging weg, maar ik kreeg een mooi getuigschrift mee. …

… we kregen inderdaad f 1,- per dag. Maar ik zag dat de anderen f 1,25 kregen en ik plukte net zo veel als zij. Ik vroeg aan de jonge boer die altijd op het land zat, ook om f 1,25 per dag. ‘Dat krijg je pas als je ook vijfentwintig tips per dag plukt zoals die anderen,’ zei hij. ‘Nou, dat doe ik,’ antwoordde ik. ‘Laat dan maar eens zien, stapel ze maar eens op vandaag,’ zei hij. En jawel, toen kreeg ik ook f 1,25 per dag.

Als dienstmeisje had Maria soms te maken met seksuele intimidatie of zelfs erger, maar ze wist zich overal goed door te slaan en één keer zelfs een paar flinke trappen uit te delen en de betreffende jongeman een dag lang op te sluiten.
Bij sommige families voelde ze zich goed thuis. Ze deed veel ervaring op, niet alleen met schoonmaakwerk maar ook met etiquette, tafelmanieren, tafel dekken, logistiek van grote diners, en koken. Nog vóór haar twintigste kreeg ze zelfs de leiding over het grote huishouden van een van de deftigste families van Rotterdam. Daar ging ze overigens niet meer door verdienen. Toen ze uiteindelijk besefte dat ze werd uitgebuit, besloot ze weer ontslag te nemen.

Al met al was het geen kleinigheid om mijn baan op te zeggen, ik was er meer dan zeven jaar geweest. Ik overdacht alles nog eens goed, ik had het er heerlijk gehad, en had ook veel aan mevrouw te danken. Ze heeft me ook veel geleerd. Maar mevrouw had ook jaren een perfecte hulp aan mij gehad. En de laatste jaren had ze massa’s vrije tijd gehad. Alles had ze aan mij overgelaten., de hele gang van zaken in huis. Ik behoefde in het geheel geen schuldgevoel te hebben. Mijn ogen waren wagenwijd opengegaan. Ik kon me niet herinneren ooit opslag te hebben gekregen.

Van der Ent heeft het verhaal van haar dienstbodetijd goed en levendig en gedetailleerd opgeschreven. Het is ontzettend leuk om te lezen en je komt veel te weten over de familiecultuur en over de omstandigheden van het huispersoneel van die tijd. Maria van der Ent schreef het boek voor haar kinderen en had beslist niet de pretentie een soort cultuurhistorisch overzicht te geven (dat is het ook inderdaad niet); het was ook niet haar bedoeling dat het gepubliceerd zou worden. Maar doordat haar zoon jaren na haar dood met het manuscript naar een uitgever is gestapt, zijn we nu een prachtig boek rijker.

Maria van der Ent: In betrekking: herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd. Artemis & co, 2007. 195 blz.
Klik hier voor een recensie in Trouw.

Kettinglezen (3)

Na lezing van de biografie van Maria von Platen (zie log van 2 april jl.) wilde ik meer lezen over de positie van de vrouw rond 1900. Ik pakte de Zweedse roman Pennskaftet door Elin Wägner, die al een hele poos ongelezen in mijn boekenkast stond.  Het bleek een bijzonder boek.

Elin Wägner (1882-1949)

Elin Wägner (1882-1949) was schrijfster, journaliste, feministe; in haar latere jaren werd ze ook nog pacifiste. Pennskaftet uit 1910 was Elin Wägners derde boek, en haar eerste echte roman.  Het is een verhaal over een groepje dames dat met veel idealisme strijdt voor kiesrecht, beter onderwijs, zelfstandigheid en betere werkomstandigheden voor vrouwen. “Pennskaftet” (=penhouder) is de geuzennaam van een van de activistes, een jonge journaliste die ook de jongeman die op een gegeven moment haar geliefde wordt tot feministische inzichten probeert te brengen. Tussen de vrouwen is het niet allemaal pais en vree en elk van hen heeft weleens twijfels en legt haar eigen accenten. Elin Wägner bepleit in het boek tevens een vrijere kijk op liefde en seks. Ik vond het boek goed geschreven, levendig en fris, en “Penhouder” vind ik een hartveroverend personage. Van Wägners werk is jammer genoeg maar heel weinig in het Nederlands vertaald.

In Nederland hadden we rond 1900 natuurlijk ook feministische publicaties. Van dr. Aletta Jacobs bijvoorbeeld. Die schreef trouwens goed! Lees bijvoorbeeld eens haar artikel “Het doel der vrouwenbeweging” in De Gids van 1899. Aletta Jacobs schreef echter geen fictie.

Het volgende boek in mijn leesketting werd Hilda van Suylenburg uit 1897, geschreven door Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk (1866-1944). Dit is zo ongeveer de spraakmakendste Nederlandse roman uit de zgn. eerste feministische golf geweest. De hoofdpersoon Hilda is een meisje van adellijke afkomst dat na de dood van haar ouders bij haar oom en tante in Den Haag gaat wonen. In Den Haag leert ze de feministische vrouwelijke arts Corona van Oven kennen (duidelijk geïnspireerd op Aletta Jacobs lijkt me), en via Corona komt ze in aanraking met meisjes en vrouwen uit allerlei verschillende milieus. Voor een meisje van Hilda’s afkomst ligt een leven van oppervlakkig vermaak en luxe voor de hand, maar Hilda kiest uiteindelijk voor een serieuze studie, rechten. Ze wil als advocate en juriste de positie van vrouwen helpen verbeteren. En passant vindt ze ook nog de man van haar hart. Allerhande casussen (iets te veel naar mijn smaak) van onrecht jegens vrouwen passeren de revue in de roman, en helemaal aan het eind sluipt er zelfs dierenleed in het verhaal, iets dat natuurlijk ook bestreden dient te worden. Dat alles haalt soms de vaart een beetje uit de vertelling. Niettemin heb ik het boek met veel plezier gelezen. Het taalgebruik heeft niets gekunstelds of stoffigs. Waarom zijn boek en schrijfster nooit aan de orde geweest in mijn literatuurlessen op school vroeger? Ik heb er mijn oude Literatuurgeschiedenis – Bloemlezing van Lodewick ook nog op nageslagen, maar titel noch schrijfster zijn daarin te vinden.

Wat kwam ik uit deze twee romans te weten over de situatie van de vrouw rond 1900?  Dat de vrouw geen goede rechtspositie had, wist ik natuurlijk wel. Maar in de romans worden allerlei details en gevolgen van de maatschappelijke druk die er werd uitgeoefend op een aansprekende manier aan de orde gesteld. Een baan hebben, zelfs al was het een kantoorbaan, was iets wat afdeed aan de eerbaarheid van de vrouw en wat ook nog eens de positie van de man bedreigde. Het werd dan ook ontmoedigd. Voor arbeidersvrouwen in de fabrieken lag het iets anders. Maar zij konden worden ontslagen, bijvoorbeeld omdat ze zwanger werden of omdat mannen hun werk overnamen of omdat liberalere wetten verboden dat zij werk deden dat gevaarlijk was voor de gezondheid. Dat deze vrouwen door gebrek aan inkomen vervolgens hun kinderen niet meer konden voeden en kleden, werd hun als een schande aangerekend. Dienstmeisjes die zwanger raakten (niet zelden door toedoen van de heer des huizes of diens zoon) werden zonder pardon op straat gezet. Vrouwen uit welgesteldere milieus werden door opvoeding voorbereid op niets anders dan het huwelijk, en als dat er niet van kwam moesten ze maar gaan borduren. Het leven van ongetrouwde vrouwen uit gegoede families kon gruwelijk onbevredigend zijn en leidde soms tot zenuwkwalen. Een huwelijk met een “goede partij” bracht ook niet altijd geluk. Wanneer een meisje trouwde kwam het vermogen dat ze eventueel van thuis meebracht, op naam van haar man te staan. Wanneer de man het geld erdoorheen joeg, kon zijn echtgenote daar niets tegen doen. Bij echtscheiding behield de man de zeggenschap over de kinderen, terwijl de moeder het nakijken had. Wat seks betreft golden voor vrouwen en mannen zowel binnen als buiten het huwelijk verschillende normen.

Zowel in het Zweedse als het Nederlandse boek wordt hartstochtelijk de noodzaak bepleit van een betere rechtspositie voor vrouwen o.a. door vrouwenkiesrecht; het zijn allebei echte tendensromans en daarbij allebei goed en levendig geschreven. Het was boeiend en leerzaam om me eens via romans in het feminisme te verdiepen.

Elin Wägner: Pennskaftet. Stockholm, 1910. 324 blz.

Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk: Hilda van Suylenburg. 1897, herdrukt in 1984. 567 blz. De herdruk is als pdf te downloaden vanaf de dbnl-website; jammer genoeg zijn er nogal wat scanfouten in de pdf-tekst blijven zitten.

Het kettinglezen — van Hjalmar Söderberg (1869-1941) naar Carry van Bruggen (1881-1932) — was hiermee nog niet afgelopen. Wordt vervolgd, dus.

Op een ochtend in maart

Vandaag op de kalender van EnToen.Nu – De canon van Nederland:
3 maart 1945: De Britten bombarderen per ongeluk de Haagse woonwijk Bezuidenhout.

Over dat bombardement heb ik zojuist gelezen in het verhaal “Thomas en de cycloop” in de bundel Eb en vloed (1987), door F.B. Hotz:

[...] Op een ochtend in maart met vage voorjaarszon zaten de twee heren aan de ontbijttafel met surrogaatkoffie en een redelijk stukje brood van de zwarte markt. Ze kletsten over handelen en ruilen. Het was niet ongezellig en de oorlog leek gereduceerd tot een pikant gezelschapsspel waarmee voor intelligente lieden te rommelen viel. Maar Mars wierp die maskerade af. Dat de heren zo veel gruwelen geen plaats boden op netvlies of in hersencel was misschien ook té evenwichtig. Ze werden wakker geschud.
Een donderende slag, na wat geronk in de lucht, deed hun maag krimpen en de deur rammelen. Bij veeltonig gegier volgden nieuwe dreunen waarvan de zware meubels opsprongen. ‘Dat is niet veraf,’ riep Thomas en hij rende naar boven om op de logeerkamer uit het grote raam te kijken. Zijn vriend volgde spierwit.
Het was de ochtend van de derde maart en formaties Engelse vliegtuigen begonnen hun bommen boven het Bezuidenhout los te laten. Bij luchtstoten die het huis deden golven verdween een stadswijk in wat op een zonsverduistering leek. Thomas keek kalm van verbijstering toe door het raam dat een panorama op de ramp bood. Een vliegtuig leek recht op hem af te komen en hij dook snel weg van de trillende ruit. Toch zag hij nog juist de spits van het kerktorentje aan de Schenkkade tot een kleine wolk vervliegen, als was het een kerstartikel van geblazen glas. Bommen vielen nu als regen, en een grauwe menigte kwam met de snbelheid van een oliestroom de volle breedte van de Laan van Nieuw Oostindië vullen. Men rende blind het viaduct binnen. Een oude man stuwde een handkar met rukken vooruit. Voor de inhoud daarvan wendde Thomas de blik af.
Hij zag dat hij alleen was en liep de trap af. De Bree stond grauw in de gang. Thomas werd kwaad en schreeuwde boven het lawaai uit: ‘Ja ik blijf hier niet staan tot ik afgeslacht word. Neem me niet kwalijk, het komt mij te dicht bij.’ Hij verliet De Bree’s huis.
Hij was de enige buiten, hier achter de spoordijk, en hij koos een vreemde omweg naar huis. Het bombardement hield op en het werd doodstil. Thomas hoestte; gele rook kwam tussen huizen zonder ruiten te voorschijn. Zijn eigen straat was in takt en zijn huis stond er nog. De wijk achter zijn tuin brandde of was verdwenen. Thomas voelde zich vaag misselijk, als een kind dat een straatongeluk gezien heeft.
Maar twee dagen later zat hij alweer onderuitgezakt in een rookstoel bij zijn vriend. De heren klonken met een allerlaatste fles witte wijn op een Amerikaanse overwinning in Limburg. Venlo was bevrijd. Ze bekeken de commentaren in de krant op het Haagse bombardement. Er waren honderden doden.
[...]

Ook de andere verhalen in dit boek van Hotz vind ik erg goed.

Brijksmuseum

Nieuws voor brei(st)ers:

Kennen jullie het pas gestarte weblog Brijksmuseum al? Zo niet, ga dan maar gauw kijken.

NG-C-1995-12-15Je leest er over de breiende meisjes van de schilder Bernard Blommers, over de gebreide mutsen van walvisvaarders uit de nederzetting Smeerenburg bij Spitsbergen, en over een breimiddag op 6 februari a.s. in het Ateliergebouw vlak bij het Rijksmuseum in Amsterdam, waarop je één van de gevonden mutsen uit Smeerenburg (zie foto rechts) kunt nabreien.

Het Brijksmuseum lijkt een heel interessant weblog te worden!

Klik hier om een logje te lezen dat ik – een tijd geleden al -  over de mutsen uit Smeerenburg heb geschreven. En hier voor nog een breiend meisje van Bernard Blommers.

Shorpy, Minnie, Mattie en anderen

Onderstaande foto’s zijn gemaakt door Lewis Hine (1874-1940).

shorpy4Van Lewis Hine stond al eens eerder een foto op mijn blog. Hij heeft honderden foto’s gemaakt om de kinderarbeid te documenteren. Veel van Hines foto’s (meer dan 5000) zijn online toegankelijk gemaakt via de website van de Library of Congress.

De bovenste twee foto’s zijn gemaakt in 1910 bij de kolenmijn Bessie in Dora, Alabama, USA. De jongen helemaal vooraan in het midden van de eerste foto, met een oliekan in de rechterhand, heette Shorpy. Ik “kende” Shorpy al via het fotoblog Shorpy.com, waarop vrijwel dagelijks historische foto’s uit de VS worden gepubliceerd.

Shorpy

Shorpy Higginbotham, a "greaser" on the tipple at Bessie Mine, of the Sloss-Sheffield Steel and Iron Co. Said he was 14 years old, but it is doubtful. Carries two heavy pails of grease, and is often in danger of being run over by the coal cars. Location: Bessie Mine, Alabama, December 1910, Lewis Hine.

Op de tweede foto zie je Shorpy van dichtbij. Volgens het bijschrift van Lewis Hine was hij smeerder in de mijn en naar eigen zeggen 14 jaar oud.

Ook de Amerikaanse schrijver/historicus Joe Banning leerde Shorpy kennen via Shorpy.com. Daarna maakte hij op zijn eigen website een speciale afdeling over Shorpy. Shorpy heette eigenlijk Henry Sharp Higginbotham. Hij werd op 23 november 1896 geboren. Hij vocht als soldaat in de Eerste Wereldoorlog. In 1927 is Shorpy getrouwd met Flora Belle Quinton. Het jaar daarop, in januari 1928, is hij omgekomen bij een mijnongeluk. In de zomer van datzelfde jaar is zijn zoon geboren.

In 2005 kreeg Manning het verzoek een meisje op een andere foto van Hine te identificeren en uit te zoeken wat er van haar geworden was. Wat hij tijdens zijn speurtocht te weten kwam raakte hem zozeer, dat hij besloot de persoonlijke geschiedenissen van meer kinderen op foto’s van Hine te gaan uitzoeken.  De resultaten van zijn Lewis Hine Project zet Manning op zijn website; hij geeft ook presentaties op scholen en universiteiten, in musea en bibliotheken e.d.

MinnieandMattieCarpenter1908Volgens Lewis Hines eigen informatie bij de foto van deze twee meisjes heette het oudste meisje Minnie Carpenter. Ze werkte in 1908 op de spinnerij van Loray Mill, een katoenfabriek, en verdiende daar 50 cent per dag (tien werkuren).

Joe Manning vond het adres van een nog levende neef van Minnie Carpenter. Hij stuurde hem een kopie van de foto toe. De man was er ontzettend blij mee: in het jongere kind had hij zijn moeder Mattie Carpenter herkend. Ze was een zusje van Minnie.

Dergelijke foto’s en geschiedenissen helpen me ervan bewust te blijven dat een groot deel van mijn welvaart en comfort is gebaseerd op de inspanningen van velen die vóór mij leefden en werkten. Niet alleen de inspanningen van de groten der aarde, de Lincolns, de Einsteins, de Nobelprijswinnaars. Maar ook en vooral die van vele onbekende, roemloos gestorven mensen die vaak in miserabele omstandigheden hun werk deden en hun levens volbrachten.

Auction sales - Veilingverkopen

Natuurlijk wist ik dat slavernij zo oud is als de mensheid en dat er van de 16e t/m de 19e eeuw miljoenen zwarte Afrikanen als slaven naar de Nieuwe Wereld zijn getransporteerd en daar verhandeld zijn. Toch was ik geschokt toen ik advertenties zoals deze op mijn scherm te zien kreeg:

negrosprimegang

In de Verenigde Staten gold sinds 1834 een verbod op invoer van nieuwe slaven uit Afrika. Verkoop van in de VS geboren slaven was echter nog toegestaan tot 1863. In datzelfde jaar werd de slavernij ook door Nederland officieel afgeschaft.

Gevonden via Vintage Ad Browser, een zoekmachine die uiteraard niet alleen schokkende zaken zoals deze, maar vooral ook veel moois en vermakelijks oplevert.

Goed voorbereid

HoeksteegDit is een foto van een plek waar ik iets belangrijks heb geleerd.

Het zal in 1961 of 1962 zijn geweest. Het stoepje bij het verkeersbord hoorde bij de winkel op de hoek van de steeg; een dorpswinkel voor fournituren, stoffen, huishoudtextiel en ondergoed. Die winkel bestaat allang niet meer, de hele straathoek en een groot deel van de huizen in de steeg zijn lang geleden gesloopt. Tegenwoordig is er een pleintje met een kleine supermarkt.

Ik droeg een jasje dat mijn moeder had genaaid van een gele deken. Het jasje had zakken die te klein waren — te ondiep namelijk. Ik had mijn portemonnee bij me, een geel-rood plastic mapje met een afbeelding van Roodkapje erop. Er zat een tientje in, dat ik in opdracht van mijn moeder naar mijn oma moest brengen. Had ze dat van haar geleend? Het portemonneetje stak een heel stuk boven de rand van mijn zak uit. Ik hield mijn hand er beschermend overheen.

De winkel lag halverwege de route tussen ons huis en dat van mijn oma. Ik was bang, want ik wist dat Relus K. vaak in die buurt rondhing. Als hij mij zag, zou hij mijn portemonneetje afpakken. Dat wist ik zeker. Relus K. was een grote jongen die altijd dreigde, vocht, en schold. Een andere route nemen, mijn moeder vertellen dat ik bang was, hulp vragen aan mijn grote broer of zus — dat was allemaal niet aan de orde. Ik zou Relus K. tegenkomen, ik zou alleen tegenover hem staan en hij zou mijn portemonneetje afpakken. Ik moest er iets op vinden. Eenmaal onderweg nam ik alles wat er te gebeuren stond door, dacht na over de mogelijkheden die ik had en bepaalde zorgvuldig wat ik zou doen.

Ik naderde het hoekje van de steeg. Ja hoor, daar kwam Relus K. aanslenteren. Hij zag mij, spuugde op straat, koerste op me af. Toen hij vlak bij me was, stak hij zijn knuist met grijpvingers uit naar mijn jaszak. Mijn vuist raakte hem midden op zijn maag, keihard, precies daar waar ikzelf ook eens een stomp had gekregen. Hij klapte dubbel, hapte naar adem en was volslagen overrompeld. En ik – ik holde weg, vrij en sterk.

Spel van Nationaal Archief: Map it '14-'18

logomapit1418Op www.mapit1418.nl is een bijzondere collectie foto’s en filmfragmenten uit de Eerste Wereldoorlog te vinden. Bezoekers kunnen op deze website meedoen aan een spel van het Nationaal Archief.
Doel van het spel is om met behulp van het publiek kennis te vergaren over locaties en achtergrond van de foto’s. De bezoeker kan een foto selecteren en die op de juiste plek op een landkaart prikken, met een toelichting. Op de foto’s en filmbeelden zijn uiteraard oorlogstonelen te zien, maar ook veel taferelen uit het dagelijks leven in Nederland en België.
Er zijn al een aantal foto’s aan locaties gekoppeld door deelnemende bezoekers. Leuk is ook dat er iedere maand een prijs te winnen is.

Vervolg Spel van Nationaal Archief: Map it ’14-’18

Voetbad

GustafIVAdolf-POAdelborg

De tekening hierboven zag ik op een tentoonstelling in Stockholm over de Finse oorlog van 1808-1809, die een oorlog was tussen Rusland en Zweden. De Finse oorlog was een dramatisch conflict dat voortvloeide uit de Napoleontische oorlogen. De Zweedse koning Gustaf IV Adolf was heel godsdienstig en Napoleon beschouwde hij als de antichrist. Hij sloot zich in de conflicten die in Europa woedden niet aan bij de alliantie tussen Frankrijk en Rusland, maar zocht aansluiting bij Napoleons aartsvijand Engeland. Die houding van Zweden had een aanval van Rusland op Fins grondgebied tot gevolg (Finland en Zweden waren al eeuwenlang een unie). Het werd een verschrikkelijke oorlog vol kou en ontberingen, zowel voor de soldaten als voor de bevolking. De strijd liep uit op een nederlaag voor Zweden. In mei 1809 werd Gustaf IV Adolf afgezet en met zijn gezin gegijzeld in kasteel Gripsholm. Op de tekening zien we hem in Gripsholm vrij ontspannen aan een schrijftafel zitten, zijn voeten in een voetbad. Het is hem hier niet aan te zien dat hij spoedig een vredesovereenkomst zal moeten tekenen waarbij Zweden Finland kwijtraakt aan Rusland.

De tekening (gemaakt door P.O. Adelborg) is hier (klik) beter en mooier te zien, maar het is niet toegestaan hem vanaf die site te kopiëren.

Er is een uitgebreide Engelstalige website over de Finse oorlog: klik hier.

Vervolg Voetbad

Archief

Subscribe to posts

  by     or  

Boeken — Bezig in:



Pas uitgelezen:





‘n Paar tientjes over?